Dat de verpleging wordt gezien als een roeping, steekt mij
Verpleegkundige Barbara van Ede (52) woont samen met echtgenoot Mike en hond Cosmo. Ze werkt als mediumcare verpleegkundige in het UMC Utrecht op de afdeling Neuro High Care. Ze schrijft voor Libelle over de mooie, ontroerende en humoristische dingen in haar werk.
“Verpleegster zijn is zo’n mooi werk. Het is een echte roeping.” De keren dat ik deze opmerking hoorde in mijn carrière zijn ontelbaar. Een roeping. Wat is dat eigenlijk? Ik heb nooit iemand horen roepen. En als ik al iemand hoorde roepen dat ik de verpleging in zou moeten, dan is het mijn moeder. Als zeventienjarige puber wilde ik helemaal niet de verpleging in. Het leek me stom. Eng. Maar vooral vies. Gelukkig zag mijn moeder het goed en ben ik nog altijd blij met mijn beroeps‘keuze’.
Een roeping associeer ik met nonnen. Zij zorgden begin vorige eeuw, onbetaald en gedreven door hun geloof, voor patiënten. Dat de verpleging nog altijd wordt gezien als een roeping, steekt mij. Hallo, ik heb vier jaar verpleegkunde gestudeerd, daarna volgde ik een specialisatie voor mediumcare verpleegkundige. Ik ben constant bezig om mijzelf te verbeteren en vernieuwen in mijn vak. Ja, ik werk vol passie en met enthousiasme aan het verbeteren van de gezondheid van mijn patiënten. Daarvoor heb ik doorzettingsvermogen, kennis en kunde nodig. Dat leerde ik tijdens mijn studie, maar nog veel meer in de praktijk.
Een lid van ons huidige kabinet hoorde ik een aantal jaren geleden ook zeggen: “Verpleegkunde is geen vak, maar een roeping.” Ja, dat zei ze echt nadat ze voor een tv-programma had meegelopen en meegekeken met een verpleegkundige. Wat ze misschien bedoelde is dat ze de liefde en de toewijding zag die hoort bij het uitoefenen van ons vak.
Begrijp me niet verkeerd, het is superfijn dat de politiek is begaan met de gezondheidszorg, maar zolang het vak verpleegkunde nog wordt gezien als een soort liefdadigheid voel ik mij als verpleegkundige niet serieus genomen.
Liever geven ze ons een gratis applaus in moeilijke tijden. Ik weet het nog goed: tijdens de pandemie in 2020 lag het land stil en groeide het respect voor zorgmedewerkers. Ik moest even slikken toen ik mijn huis uitliep en de hele straat hoorde klappen. Het applaus was ook voor mij. Alle mensen in de zorg kregen een nationale staande ovatie: prachtig. Toch voelde het ongemakkelijk. Het is nu vijf jaar verder en het applaus is verstomd.
Er werken geen ‘helden’ in een ziekenhuis. Ik voel mij geen held. Door mij een heldenstatus toe te kennen, wordt er gesuggereerd dat ik dit werk geheel belangeloos doe. Ik wil de waardering die verpleegkundigen verdienen: een goed salaris, behoud van collega’s en veilige werkomstandigheden.
Oja, en het is verpleegKUNDIGE en geen verpleegster.
Iedereen (een) zorgjournalist
In het Vitaz-ziekenhuis zet zorgjournaliste Suzanne Gielis de medewerkers in zorgberoepen en hun patiënten positief in de kijker. Haar verhalen verschijnen op sociale en in andere media.
Als zorgjournalist heb ik een vrij unieke job, zowel in ons ziekenhuis, in de zorgsector als in de mediawereld. Het is heel zeldzaam dat iemand zich volledig mag toeleggen op positieve verhalen maken over de zorgberoepen. Enerzijds vind ik het geweldig dat ik dit mag doen. Anderzijds is het jammer dat niet meer organisaties hier op inzetten.
Het blijkt immers op zoveel manieren een meerwaarde. Samen met mij leert het grote publiek een brede waaier aan zorgberoepen (beter) kennen. Na meer dan twee jaar in de zorg leer ik nog voortdurend nieuwe functies kennen. Nog steeds verbaast het me hoeveel verschillende soorten jobs er zijn.
Bijvoorbeeld met een verpleegkundig diploma kan je tal van richtingen uit. Zo doet een verpleegkundige bij het geriatrisch supportteam iets helemaal anders dan een verpleegkundige bij intensieve zorgen. Bij geriatrie vinden ze soms de creatiefste manieren om te zorgen voor en contact te maken met personen met dementie. In hun vrije tijd breien ze zelfs snoezelmoffen. Op intensieve zorgen bouwen ze vooral met de families een band op.
Natuurlijk hebben ze ook veel gemeen. Allemaal vertellen mijn geïnterviewden vol passie over hun job en patiënten. Stuk voor stuk zijn het warme, lieve mensen. Die warmte typeert naar mijn gevoel ook de zorgsector. Dat zie ik onder meer op de sociale media. In een tijdperk waarin negatieve opmerkingen schering en inslag zijn, zie ik telkens weer een hele hoop fantastische, aanmoedigende, lieve reacties op mijn verhalen. Niet één negatieve opmerking. Straf.
De geïnterviewden krijgen nadien langs alle kanten felicitaties en complimentjes. Zelfs buiten de muren van ons ziekenhuis merken we het positieve effect. Andere zorgprofessionals en journalisten raken geïnspireerd en zoeken contact. Al dan niet met nieuwe samenwerkingen tot gevolg. We ontvangen ook vragen van lezers die voor de zorg willen kiezen. Sollicitanten geven soms aan dat de verhalen hen overtuigden om de stap te zetten. Die vonken hebben we meer dan ooit nodig.
In elke zorgorganisatie schuilen waardevolle verhalen die het verdienen om verteld te worden. Als journalist ben ik mij daarvan bewust. Helaas ontbreekt dit bewustzijn vaak nog op de werkvloer. Daarom moedig ik iedereen aan om naar buiten te treden met mooie verhalen. Want elk positief verhaal kan het verschil maken.
Misschien inspireer jij wel de volgende generatie om de stap naar de zorg te zetten. Wie weet stijgt het toenemende aantal (zij-)instromers door jou nog een beetje verder. Want jobs met een maatschappelijke meerwaarde spreken nu eenmaal aan. Elke avond naar huis gaan met het gevoel dat je werk ertoe heeft gedaan, daar kan niets aan tippen. Dat merk ik elke dag opnieuw.
Copyright foto: Jolien De Pauw
De nood aan intelligente data zonder overdaad
“Marcel, ik heb goed nieuws voor jou”, kondigt verpleegkundige Charlotte met enthousiasme van achter haar trolley met gemonteerde laptop aan. “Je mag naar huis!” Intussen typt ze nog naarstig over Marcels toestand. “De papieren komen later.” Met een dikke kaft onder zijn arm trok Marcel naar huis. Tussen de documenten stak een papieren voorschrift bestemd voor de thuisverpleegkundige met de instructie: ‘Wondzorg eenmaal per dag.’
Ondanks de vele registraties en een netjes aangelegd patiëntendossier in het ziekenhuis, ontbrak in de thuissituatie elke vorm van medische en contextuele informatie. De afwezigheid van een geïntegreerd patiëntendossier was de spelbreker. Thuisverpleegkundige Stefanie bevroeg Marcel opnieuw en registreerde plichtsgetrouw driekwart informatie die elders al beschikbaar is.
In België kennen we een legio aan initiatieven om data te verzamelen en te analyseren: de datahubs van de ziekenhuizen, BelRAI, Alivia voor zorgplanning, MijnGezondheid.be voor het patiëntendossier, het Vlaams Indicatorenproject (VIP²) voor het vergelijken van de zorgkwaliteit, het kankerregister, VaccinNet, de verplichte ziekteverzekering, … De overheid belast verpleegkundigen met heel wat registratie. Wat brengt ons deze oceaan aan data, behalve er te zijn?
Verpleegkundigen begrijpen als geen ander dat kwaliteitsvolle data van goudwaarde zijn op het vlak van de zorg aan de patiënt, wetenschappelijk onderzoek en de aansturing van de zorgorganisatie. Niet voor niets wordt Florence Nightingale niet enkel geroemd voor haar verpleegkundige werk. Zij is als het ware de bezielster van de statistische analyse in haar werkveld.[1] Zo ontwikkelde zij in 1858 de Rose Diagram, een geavanceerd taartdiagram dat de gezondheidsdata en haar onderzoeksresultaten toegankelijk moest weergeven.
Vandaag wordt veel verwacht van de zogenaamde big data. Machines die het menselijke intellect nabootsen om massa’s ongestructureerde gegevens om te zetten naar bruikbare resultaten voor de zorg. In de radiologie toont artificiële intelligentie (AI) zijn meerwaarde in het vroegtijdig opsporen van kankerletsels die het menselijke oog niet kan waarnemen. Dat staat in contrast tot de diepmenselijke relatie tussen een verpleegkundige en een patiënt. Een machine kan deze contextuele emotie niet vatten. Een AI-systeem kent niet de euforie of de somberheid bij het bericht wanneer men al dan niet naar huis mag.
Bovendien, voor het zover is, dient België zijn lappendeken aan registratiesystemen weg te werken. Dr. H. Plummer en zijn assistente Mabel Root demonstreerden dat belang in de Amerikaanse Mayo Clinic op 19 juli 1907 toen ze ‘patiënt 1’ in hun unieke systeem van gestructureerde patiëntenfiches opnamen.[2] De centraal opgeslagen fiches vormden een geïntegreerd, eenvoudig patiëntendossier toegankelijk voor elke zorgverstrekker. Vandaag, circa 10 miljoen patiënten later, is deze database hun fundament voor de organisatie van de patiëntenzorg en het wetenschappelijke onderzoek. Hoewel er al een lange weg is afgelegd, ontbreekt deze schakel in ons land nog steeds. Hopelijk brengt de Belgian Integrated Health Record (BIHR) voor Charlotte en haar 126.496 collega-verpleegkundigen actief op het terrein weldra soelaas.
Kortom, in afwachting van het tijdperk waarbij AI het gesprek tussen de patiënt en de verpleegkundige beluistert en automatisch in een geïntegreerd, gestructureerd verslag giet, zullen we zuinig moeten zijn op wat en waar we verpleegkundigen laten registeren. Geef hen bij het nemen van maatregelen meer tijd en ruimte voor zorg en onderzoek en minder administratie en registratie.
———–
Benoit Mores is expert bij de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen en onder meer lid van de Overeenkomstencommissie Thuisverpleegkunde. Daarnaast is hij editorial board member van de European Journal of Cardiovascular Nursing en lid-patiëntvertegenwoordiger bij het wetenschappelijk comité van de Association of Cardiovascular Nursing & Allied Professions (ACNAP).
[1] Meulemans H (1992), ‘Metingen van de behoeftegraad, Quetelet, Nightingale en Katz aan het woord’, Tijdschrift voor Thuisgezondheidszorg, 13, 50, 6-9.
[2] Nelson C W (1997), ’90th Anniversary of the Mayo Medical Records System’, Mayo Clinic Proceedings, 72, 8, 696.
Wat moet een hoofdverpleegkundige kunnen?
Marie Braet studeert de opleiding master of science in het management en het beleid van de gezondheidszorg aan de UGent. Onder supervisie van Lukas Billiau en Simon Malfait voert ze haar masterproef over de functie hoofdverpleegkundige. Lukas en Simon voeren samen onderzoek binnen het UZ Gent naar de veranderende rol van de hoofdverpleegkundige.
Wereldwijd zijn er ongeveer 28 miljoen verpleegkundigen actief, wat hen de grootste beroepsgroep in de zorgsector maakt (Van Merode et al., 2024). Toch voorspelt de Internationale Raad van Verpleegkundigen dat er nog eens 13 miljoen verpleegkundigen nodig zijn om de huidige personeelstekorten op te vangen (ICN, 2022). Het logische gevolg van de verpleegkundige schaarste is de verminderde instroom in de functie hoofdverpleegkundige. Concreet kampt Vlaanderen met een spanningsindicator van 0.15 voor de functie hoofdverpleegkundige, wat betekent dat er slechts 0.15 beschikbare werkzoekenden zijn per vacature van hoofdverpleegkundige. Hierdoor worden langdurig openstaande vacatures vaak ingevuld door pas afgestudeerde of minder geschikte personen. Bovendien accepteren verpleegkundigen de jobaanbieding passief door het idee dat anderen leiderschapspotentieel in hen zien, zelfs als ze de mogelijkheid om te solliciteren niet op voorhand hadden overwogen (Weaver et al., 2016). Ten slotte worden hoofdverpleegkundigen nog te vaak geselecteerd op basis van hun klinische expertise, dewelke bewezen werd in de rol van dagcoördinator, in plaats van hun leiderschaps- en managementvaardigheden (Moore et al., 2016; Weaver et al., 2016). Maar op basis van welke criteria kan een leidinggevende een sollicitant als minder geschikt inschatten in tijden van schaarste?
Uit ons onderzoek (Billiau et al., z.d.) blijkt dat hoofdverpleegkundigen een veelzijdig takenpakket hebben. Deze professionals moeten zowel instaan voor het operationele en personeelsbeheer, als voor patiëntenzorg en het ontwikkelen van een afdelingsspecifiek beleid. Ze worden verwacht om de rol van boegbeeld, leider, verbindingspersoon, toezichthouder, verspreider, woordvoerder, ondernemer, middelenverdeler en onderhandelaar op zich te nemen. De vraag dringt zich op of dit realistisch is, en bovenal, of de personen die beschikken over de nodige competenties voor deze rollen niet eerder zetelen in een topmanagementfunctie?
Braet et al. (2024) kon de kerncompetenties die nodig zijn voor een hoofdverpleegkundige blootleggen. Hieruit blijkt het belang dat hoofdverpleegkundigen communicatief en relationeel vaardig zijn. Daarnaast moeten hoofdverpleegkundigen over de competenties beschikken voor geldzaken, strategisch plannen en personeelsbeheer. Bovendien wordt het bezitten van klinische vaardigheden naar voren geschoven voor het verlenen van spoedeisende hulp en kritieke zorg, beheren van ziekenhuisrampen, casemanagement, infectiebeheersing en -preventie, en medicatiebeheer. Ten slotte moeten hoofdverpleegkundigen zich leiderschapsvaardigheden eigen maken, met oog voor veranderingsmanagement, belangenbehartiging, strategisch denken en beleidsontwikkeling.
Gezien het brede scala aan kerncompetenties pleiten wij dat leidinggevenden, vooraleer het selecteren van een hoofdverpleegkundige, zich bewust worden van de afdelingsspecifieke noden. Al mag er niet vergeten worden dat geschikte hoofdverpleegkundigen nog steeds nood hebben aan formeel leiderschap dat hen begeleidt en ondersteunt.
Een digitaal belletje doen rinkelen in de verpleegkunde
Benoit Mores is expert bij de Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen en lid van de Overeenkomstencommissie Thuisverpleegkunde. Daarnaast is hij editorial board member van de European Journal of Cardiovascular Nursing.
Vandaag kijken we met verstomming naar het slagveld in Oekraïne en de Krim. Deze plek was meermaals het slachtoffer van conflicten. In al die ellende brandt soms het licht van hoop en vooruitgang. Tijdens de Krimoorlog in de jaren 1850 bedacht Florence Nightingale er het vernuftige idee van de verpleegsterbel. Vandaag is het voorwerp een dagelijks gebruikt laagtechnologisch toestel op elke verpleegafdeling en in de thuiszorgsituatie.
De uitvinding van de grondlegster van de moderne verpleegkunde realiseerde de communicatie op afstand tussen de patiënt en de verpleegkundige. In heel de wereld nam het principe ingang. Niemand trok de meerwaarde van deze technologische innovatie in twijfel. De praktiserende verpleegkundigen begrepen onmiddellijk de meerwaarde voor de warme zorgrelatie met de patiënt. In zijn elektrische vorm droeg dit communicatiecircuit bij aan het prestige van de verpleegeenheid. Verpleegkundigen waren trots dat zij konden reageren op de noden van de patiënt zelfs al waren ze niet in zijn directe omgeving aanwezig.
Vandaag associëren we de oproep met de bel van een patiënt eerder met beelden aan het front. “Betty, die op kamer 248 is al 10 minuten aan het wachten. Ik zit hier met een bloedbad, want Marcel heeft zijn infuus uitgetrokken.” De hoopvolle associatie van weleer staat in schril contrast met de hedendaagse offensieve metafoor aan het bed van de patiënt. Onderbestaffing in zowel de intramurale verpleegeenheden als de thuisverpleegkunde zijn een deel van de verklaring. Onvoldoende investeringen in nieuwe communicatie en digitalisatie is dat evenzeer. Technologie omarmen zou nochtans kunnen bijdragen in meer tijd voor de zorg bij de patiënt.
Sinds de introductie van de verpleegsterbel en de technologische vooruitgang, wint zorg en communicatie op afstand exponentieel aan belang. De opvolging van een patiënt met diabetes is daarvan het voorbeeld bij uitstek. De grote investeringen in de ziekteverzekering hebben enorm geloond. De verpleger speelt een cruciale rol. Hij of zij leidt de patiënt geduldig op. De patiënt kan voor zichzelf zorgen. De verpleegkundige krijgt meer tijd voor andere patiënten. Op basis van datastromen kunnen verpleegkundigen vanop afstand veel sneller ingrijpen. Complicaties worden vermeden. De patiënt ervaart een autonomer en meer kwaliteitsvol leven.
De gedigitaliseerde toepassingen in de communicatierelatie tussen de verpleegkundige en de patiënt zijn intussen legio. Op basis van telemonitoring bespreekt verpleegkundige Hilde met haar patiënt een aantal vreemde episodes uit zijn pacemakerdata. Zorgcoördinator Jef analyseert sensorresultaten en besluit dat bij Suzanne dringend een extra thuisbezoek nodig is. Ook de elektronische sprekende ‘bloempotbot’ Tessa houdt de patiënt op de hoogte van zijn medicatieschema en de thuisverpleegkundige begeleidt waar nodig.
Kortom, de verpleegkundige en de patiënt zijn al dagelijks aan de slag met de nieuwe technologie. Net als in de diabeteszorg groeit digitale zorg op afstand ook in andere zorgdomeinen. De actieve verpleegkundige begrijpt dat net als de verpleegsterbel, de gedigitaliseerde zorg op afstand geen bedreiging maar net een springplank naar een warme zorgrelatie is. Nu moeten ook de regelgeving en de financieringsmodellen volgen. Laat ons 150 jaar na de bel niet wachten op nieuwe conflicten noch crisissen om voor onze patiënten en verpleegkundigen in de mogelijkheden van warme menselijke communicatie, digitalisatie en educatie te investeren.
Mijn laatste werkdag
Yvette H. werkte tijdens haar volledige loopbaan op de dienst geriatrie van het AZ Diest. 30 juni 2024 was haar laatste werkdag. Vandaag geniet ze van haar pensioen, maar niet zonder afscheid te nemen van haar collega’s met deze pakkende brief.
Als het werk een spel was, startte ik nu aan het laatste level. Ik wil wel doorwerken, maar dat kan mijn baas niet betalen. Ik ben volledig klaar voor het volgende, laatste hoofdstuk van mijn leven.
Beste collega’s,
Als jullie deze brief vinden, zullen sommigen niet verrast zijn. Mijn allerlaatste, want nu scheiden onze wegen. Ik wilde niet zomaar verdwijnen zonder een boodschap na te laten. Ik wil jullie wat richtlijnen meegeven om mij met de allerbeste zorgen te omringen wanneer dat ooit nodig zou zijn. Dus hou hem heel goed bij en – beter nog – bewaar hem in de kluis, en haal hem te gepasten tijde van onder het stof.
- Schud regelmatig mijn kussens op.
- Laat pyjamabroek aan want anders is het te koud.
- Bedsokjes aan in de winter.
- Absoluut geen fixatie.
- Niet wassen voor negen uur.
- Wassen met lekker warm water en zeep, geen opgewarmde washandjes.
- Kijk erop toe dat ik niet geobstipeerd geraak, want lavementen zijn vervelend.
- Leg mij op een privékamer zodat ik rustig tv kan kijken en zet de koers op.
- Praat tegen mij en maak grapjes ook al weet ik het niet meer.
- Verleng mijn leven op het einde niet nodeloos.
- Laat mij niet lijden voor al het onrecht dat ik jullie heb aangedaan.
Dan zeg ik nu al ‘bedankt’. Want ik laat jullie achter met een hart vol dankbaarheid. Voor alle momenten met een traan, maar vooral die met een brede glimlach om de gekste dingen. Ik neem een koffer vol herinneringen mee.
Lieve collega’s, steun elkaar in goede, maar vooral in slechte tijden Dat is hard nodig om dit zware beroep vol te houden. Het is soms leuk en interessant, soms spannend en uitdagend, en ook zeer vermoeiend. Waardeer de kleine dingen, zoals een glimlach of een dankjewel. Deel jullie kennis, want die is er om te delen. Vergeef, want iedereen maakt fouten en dat is oké. Zorg voor elkaar, zoals we voor onze patiënten zorgen.
Bedankt voor de steun, de vriendschap en de onvergetelijke momenten. Ik wens jullie tot slot nog heel veel succes met het vinden van een nieuwe collega die net zo leuk is als ik.
Het ga jullie goed, dierbare collega’s.
Nog een laatste warme knuffel en ik … ik ga met PENSIOEN!
Yvette H.
Stop met rebelleren
Ruth Ieven is sinds kort verpleegkundig coördinator binnen het Universitair Psychiatrisch Centrum Z.org KU Leuven. Daarnaast is ze verbonden aan de UCLL als docent en onderzoeker verpleegkunde. Binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE is ze een van de voorzitters van de werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg en lid van de raad van bestuur.
Het is tegenwoordig sexy om te rebelleren. Thought leaders in de verpleegkunde moedigen ons aan om opstandig te zijn. Tegendraads. Rebels.
Dat bekt lekker. Moedigt aan om te lezen ook, de veelvuldige blogs, artikels en LinkedInposts die eraan gewijd zijn. “De verpleegkundige moet durven rebelleren,” poneren ze. Onze innerlijke verzetsstrijder voelt het vuur branden en repliceert: “Neer met het systeem! Rieken! Fakkels! Lang leve de verpleegkundige!”
Ik ben zelf niet vies van een beetje rebellie. Ik ben een van die mensen die aan het einde van het etentje op de vraag “Was alles naar wens?” durft antwoorden met “De soep was een beetje flauw”. Dus ik ga gretig aan het lezen als er nog eens een artikel over rebellie in de verpleegkunde voorbijkomt. Maar voorbij de slogan, de platgetreden leuze, wringt voor mij de sneaker. Want achter de façade van het woord rebels, schuilt voor mij een ontzettende vanzelfsprekendheid. En dat is een contradictie.
Sta me toe in te gaan op de semantiek. Een rebel is iemand die zich verzet tegen wat gangbaar is. Iemand die buiten de lijnen kleurt, die tegen de stroom ingaat. Iemand die zich onder lot- of vakgenoten onderscheidt door iets te doen wat de massa niet doet.
Als ik lees waarvoor de rebelse verpleegkundige zou moeten staan, word ik door droefheid overmand als ik me bedenk dat die verpleegkundige de uitzondering zou zijn, en niet de regel. Zijn we rebels wanneer we kritisch nadenken over ons klinisch handelen? Zijn we tegendraads als we onze stem laten horen op beleidsniveau? Zijn we baanbrekend door evidencebased te werken? Of doen we dan simpelweg wat de norm zou moeten zijn voor ambitieuze en gedreven professionals?
De vraag stellen is ze beantwoorden. Jij, beste lezer, voelt ook dat die dingen niet rebels zouden mogen zijn. En waarschijnlijk doe je ze al in je dagelijkse praktijk. Beschouw je jezelf daarom als rebels?
Wat me nog dieper bedroeft, is welke visie op de hedendaagse verpleegkunde het gebruik van de term rebels noodzakelijk impliceert. Als de kritische verpleegkundige de uitzondering is, dan is de slaafse verpleegkundige de norm. Als de evidencebased werkende verpleegkundige tegendraads is, dan moddert de grote meute van verpleegkundigen zomaar wat aan.
Dat klopt niet. Dat weten jij en ik allebei. Door de positieve uitzondering te bevestigen, versterken we de negatieve impasse. Als we het dan hebben over de aantrekkelijkheid van ons beroep en het behouden van verpleegkundigen voor het vak, lijkt dat niet het beste discours om te voeren.
En last but not least, wekt het rebelse identiteitskarakter de indruk dat opstandig gedrag nodig is vooraleer naar onze beroepsgroep wordt geluisterd. Is dat zo? En willen we werkelijk spreken vanuit een wij-versus-zij-verhaal, terwijl onze doelstelling is om gezamenlijk de kwaliteit van de gezondheidszorg te optimaliseren?
Dus hier mijn pleidooi. Stop met het vragen of verlangen van toestemming om rebels gedrag te mogen stellen, daar waar het evident is dat je in dialoog gaat. Stop met rebelleren. Of stop alleszins met het woord te gebruiken wanneer het over professioneel gedrag gaat dat de norm zou moeten zijn. Dat de norm is. Een sterke, kritische, evidencebased werkende en inspirerende verpleegkundige is geen rebel. Geen uitzondering op de regel. Ze bestaan. Ze zijn talrijk. En daar waar het echt nodig is, zullen ze zeker en vast rebelleren.
“Goh, ik weet het niet”
Ruth Ieven is als docent en onderzoeker verpleegkunde verbonden aan UCLL (Leuven). Voordien werkte ze als hoofdverpleegkundige binnen de dienst Kinder- en Jeugdpsychiatrie van het UPC Z.org KU Leuven. Binnen NETWERK VERPLEEGKUNDE is zij een van de voorzitters van de werkgroep Geestelijke Gezondheidszorg.
De jonge vrouw die tegenover mij zit, kruipt net niet helemaal onder tafel. Een schril contrast met het enthousiasme waarmee ze zichzelf net voorstelde en sprak over vorige stageplaatsen. Maar als ik vraag hoe ze uitkijkt naar haar stage in de psychiatrie, dan verdwijnt al het zelfvertrouwen uit de ogen van deze studente verpleegkunde. “Goh, ik weet het niet. Ga ik daar wel verpleegkundig werk kunnen doen?”
Ik kan het haar niet kwalijk nemen. Toen ze aan haar opleiding begon, had ze een heel duidelijk beeld voor ogen van wat verpleegkunde betekent. Hetzelfde beeld dat de maatschappij heeft. Dat van een vrouw in het witte pak die de temperatuur komt meten, bloed komt afnemen, pilletjes en zoutloze boterhammen komt brengen. Belangrijk beroep, daar is iedereen het over eens. De ruggengraat van de zorg. Maar dat de verpleegkundige veel meer is dan een nobel werkpaard dat orders volgt, veel meer kan en moet zijn, dat weet de maatschappij niet. Dat moet ook deze studente nog ontdekken.
Als docenten proberen we haar dat mee te geven. Ik heb dit gesprek intussen tientallen keren gevoerd, maar het blijft een uitdaging. In één voorbereidend stagegesprek krijg ik niet uitgelegd hoe de moderne verpleegkundige zich onderscheidt van het klassieke beeld. Laat staan hoe dat zich vertaalt naar de geestelijke gezondheidszorg. Ik focus me maar op dat laatste, in de hoop dat ik nog voldoende tijd overhoud om de stagedocumenten te overlopen. Vooral in de hoop dat ik haar enigszins geruststel, en ja, zelfs enthousiasmeer.
Ik vertel haar hoe de verpleegkundige in de geestelijke gezondheidszorg ‘er is’, in connectie met de patiënt. Hoe die connectie zich niet in een louter therapeutische context situeert, als in een uurtje op de sofa. Maar hoe die connectie is gegrond in de dagelijkse realiteit. Hoe je meer dan eender waar verbinding maakt met een patiënt in de frigo van de Colruyt, vergeefs op zoek naar zure room. Hoe je in diezelfde frigo een levensverhaal mee kan krijgen van iemand die liever kookt dan praat.
Als verpleegkundigen krijgen we de kans om de patiënt te zien wanneer die zichzelf is, in zijn eigen habitat en gewoontes. In het willen begrijpen van de ander, zijn we in de eerste plaats twee mensen die met elkaar spreken. Mens-zijn is wat ons verbindt, niet de zorgrelatie.
Wat de verpleegkundige uniek maakt, is dat we vanuit die menselijke connectie – door middel van klinisch redeneren – de vertaling maken naar concrete zorghandelingen. Het menselijke gedrag is voor ons de basis, niet de beperkte noemer ‘patiënt’. Ook als menselijk gedrag wordt veroorzaakt door psychiatrische problematiek en wordt bestempeld als ‘vreemd’, ‘gevaarlijk’ of ‘gek’. Het is een voorrecht om de context van patiënten mee te krijgen en van daaruit erkenning, steun en advies te geven.
In mijn pleidooi aan deze studente blijf ik met praktijkvoorbeelden komen. Voorbeelden die ikzelf heb mogen meemaken, laten en zien gebeuren. Bij elk voorbeeld wordt de glimlach op haar gezicht iets duidelijker gedefinieerd. Ik heb de gewoonte bij elke zin wat vuriger te worden als ik het heb over mijn vak, zo beschrijft mijn man het als ik hem nog eens bombardeer bij het avondeten. Maar het werkt. Ik heb een barstje in de muur gebeiteld, een stukje onzekerheid weggenomen en een kleine opening gecreëerd voor deze studente om met een ontvankelijke blik haar stage in te stappen.
Is ze niet meer bang? Natuurlijk wel. Dat mag ook. Een beetje gezonde stress, zoals ze dat dan noemen. Ik weet ook hoe dit afloopt, als we na haar stage het slotgesprek voeren. Tenminste: ik weet dat er twee mogelijke aflopen zijn. De ene student heeft beseft dat psychiatrie echt niet zijn ding is. Perfect, ook daarvoor dienen stages. Maar die andere? Die heeft een nieuwe wereld ontdekt. Een nieuw beroep. Een nieuwe toekomst. En misschien zit die andere binnen tien jaar tegenover een student, klaar om in te gaan op dat veelgehoorde mantra ‘Goh, ik weet het niet’.
Red de verpleegkundige
Lotte Debrouwere is columniste bij Het Nieuwsblad. Ze schrijft wisselcolumns over de actualiteit met Nico Dijkshoorn en een weekendcolumn over het leven met haar dochter. Ze bracht ook het boek ‘Slaap kindje slaap verdomme’ uit.
Een op de negen verpleegkundigen valt uit. Nou, wat wil je? Dat draagt zowat de hele zieke mensheid. Letterlijk dan. Uit bed, in bed. En figuurlijk. Dat helpt je door de meest donkere dagen van je leven. Je wil daar niet liggen. Je bent nukkig, lastig, triestig en in volle pijn. Je wil naar huis. Je wil geen ziekenhuisboterhammen met zielige confituur. Geen plasbuis of bedpan.
Je hebt zeer hier, je voelt je niet lekker daar. Je bent ongerust, bang en al je menselijke kleinigheden worden uitvergroot. Je bent ontpeld van je status. Van alle franje en alle schone schijn. Je schuurt aan het randje van de eigen waardigheid, daar halfnaakt, in peignoir of witte schort onder die stijve lakens.
Kortom, je bent de lelijkste versie van jezelf. De meest hulpeloze. En toch dragen zij jou. Zij zorgen dat je schoon blijft. Dat je het volhoudt. Dat jouw lijf zijn pillen krijgt. Dat jouw lijf zijn munitie ontvangt om jou erdoorheen te sleuren. Dat heft je op en laat je niet vallen. Dat noteert, informeert, controleert en kalmeert. Nochtans is er geen tijd. Dat moet jakkeren tussen sondes en katheters, tussen verslagen en verwondingen. Dat gaat door. Altijd maar door. Spurten door de witte gangen als opgejaagde beesten. Met vijanden als lumbago, hernia en burn-out die vervaarlijk om de hoek loeren.
Verplegers en verpleegsters. Dat heeft immer en altijd te veel te doen voor te weinig handen. Kamer binnen, kamer buiten. Courage hier, sterkte daar. Voor een loon dat nog altijd schandalig blijft. Ondertussen kloppen ze uren. Veel uren. Vroege diensten, late diensten, weekenddiensten. En vervangen ze de medestrijders die uitvallen. Dus nog meer vroege diensten, late diensten en weekenddiensten. Overuren à volonté. Ze zijn met te weinig. Veel te weinig. Dat is een gapende wonde van de maatschappij, die zij zelf niet kunnen stelpen.
Een op de negen verpleegkundigen valt uit. Verzorg hen, want zij verzorgen ons. Hef hen op alsjeblieft. Als zij vallen, vallen wij mee.
Foto: copyright Ivan Put
Is er een verband tussen overbelasting, opleidingsniveau en de kwaliteit van de zorg?
Dr. Yannis Léon Bakhouche is huisarts en schrijft regelmatig opiniestukken en columns voor magazines in de gezondheidszorg. Voor Netwerk Verpleegkunde geeft hij zijn visie op het verpleegkundig beroep.
De vraag om verpleegkunde te erkennen als zwaar beroep neemt toe. Dat leunt op vier criteria: de werkomstandigheden, de organisatie van werk, de veiligheidsrisico’s en de emotionele en mentale belasting. We zouden allemaal voorstander moeten zijn van de zware aspecten die bij de job van verpleegkundigen en zorgkundigen komen kijken, zowel in de publieke als in de privésector. Hierdoor kunnen verpleegkundigen ofwel met vervroegd pensioen gaan, ofwel blijven werken en een verhoogd pensioen ontvangen.
Overbelasting door het werk blijkt namelijk een verband te houden met burn-out. Ook het niveau van opleiding speelt mee. Kunnen de recente en voorgestelde hervormingen dan bijdragen om de werkomstandigheden te verbeteren en het risico op burn-out te verminderen? Volgens studies is burn-out sterk verbonden met de werkdruk. Er is de laatste jaren veel onderzoek naar gedaan, vooral op medisch en verpleegkundig gebied. Verpleegkundigen hebben dan ook te maken met onder meer specifieke roosterbeperkingen zoals onregelmatige uren, nacht- en weekenddiensten, vroege ochtenden, late avonden, … Dit beïnvloedt hun persoonlijke leven vaak op een negatieve manier. Die arbeidstijdproblemen worden nog verergerd in combinatie met fysieke, mentale en psychologische overbelasting.
Daarom stip ik burn-out aan, omdat het een rol speelt in hoe we verpleegkundigen aan het werk kunnen houden. Net zoals we verpleegkundigen kunnen motiveren door de taakverdeling te herzien. Administratieve taken en het opnemen van vitale parameters kunnen ook door andere zorgberoepen gebeuren, zodat verpleegkundigen zich kunnen concentreren op de organisatie en kwaliteit van zorg, net zoals op de meer complexe handelingen.
Want ook de vergrijzing stelt de zorg voor grote uitdagingen. Volgens het Federaal Kenniscentrum van de Gezondheidszorg zal het aantal Belgen ouder dan 65 jaar in 2025 stijgen tot 21 procent van de bevolking en tegen 2050 tot 26 procent. Het percentage 85-plussers gaat nog sterker omhoog. Dat heeft onbetwistbaar een impact op de zorg en verpleegkundigen moeten zich aanpassen aan deze nieuwe realiteit. Daarom geloof ik sterk in de samenwerking tussen huisartsen en verpleegkundigen in de eerste lijn, ook in de vorm van de praktijkassistent en verpleegkundige consultaties. Huisartsen zullen de coördinatoren van chronische zorg worden, waarbij verpleegkundigen in de eerste lijn een nog prominentere rol zullen spelen in het uitvoeren van deze zorgen.
Toch is de gezondheidszorg in ons land te gefragmenteerd en gericht op het genezen van acute problemen waarvoor zorg in een ziekenhuis nodig is. Chronische zorg vraagt een andere aanpak, in lijn met de behoeften van de patiënt. De rol en de kennis van de verpleegkundige is daarin essentieel, om de patiënt en zijn familie bij te staan, te ondersteunen, te motiveren en op te leiden.
Is het geen idee om een nationaal college van verpleegkundigen op te richten? Een plek waar alle ontwikkelingen op het vlak van kwaliteit, deontologie en ethiek van de verpleegkundige zorg opgenomen worden. Zo kunnen we samen de waarden en eisen van de sector behartigen.