Arrest van Grondwettelijk Hof over aanpassing WUG
Het Grondwettelijk Hof deed een uitspraak (arrest 24/2025) over het aangetekende beroep van de AUVB (Algemene Unie der Verpleegkundigen van België) tegen de wet van 28 juni 2023, die de regelgeving rond de gezondheidszorgberoepen (WUG 2015) aanpast.
Deze wet verduidelijkt de titel van verpleegkundige volgens de Europese richtlijn 2005/36/EG en voegt de basisverpleegkundige en de klinisch verpleegkundig onderzoeker toe (artikel 2 en artikel 3, 7°). Met dit beroep wilde de AUVB de regering aansporen de wet te verduidelijken met een veiligheidskader voor de functie van de basisverpleegkundige. Zo wil de overkoepelende vereniging die de Nederlands-, Frans- en Duitstalige beroepsorganisaties van het verpleegkundige beroep de kwaliteit van verpleegkundige zorg en de veiligheid van zorgvragers en verpleegkundigen waarborgen. Ze zijn van oordeel dat de “wetgeving voor interpretatie vatbaar is (…) en dit onzekerheid creëert over de verantwoordelijkheden en beperkingen voor de verpleegkundigen.” Het beroep van de AUVB is door het Grondwettelijk Hof verworpen.
Reprint in European Journal of Cardiovascular Nursing
Mogen we toch heel even fier zijn over wat we met Netwerk Verpleegkunde magazine allemaal bereiken? Zo komt de column van Benoit Mores uit nummer 9 van 2024 met als titel ‘Een digitaal belletje doen rinkelen in de verpleegkunde’ in aanmerking voor een reprint in de European Journal of Cardiovascular Nursing. Op het moment van schrijven stond het manuscript al online. De publicatie en een toewijzing aan een volume en issue van het wetenschappelijke tijdschrift volgen in een latere fase.
Benoit Mores zijn column nog eens lezen? Dat kan hier.
Vroedkundigen trekken aan de alarmbel
De Vlaamse Beroepsorganisatie van Vroedvrouwen trekt in een opiniestuk in Knack aan de alarmbel. “Het huidige beleid duwt vroedvrouwen naar de uitgang”, klinkt het. “Absurde regels dwingen hen te kiezen tussen passie en bestaanszekerheid.”
In Antwerpse ziekenhuizen dreigen negentien vroedkundigen hun job te verliezen. Elders in Vlaanderen zullen misschien nog vroedkundigen volgen. In het ziekenhuis werken ze namelijk in loondienst, voor hun zelfstandige praktijk kozen ze recent om te deconventioneren. Waarom? Omdat hun geconventioneerde loon amper leefbaar is. De helft van de geconventioneerde zelfstandige vroedkundigen gaf in september 2024 aan minder dan 30.000 euro bruto per jaar te verdienen. In het opiniestuk roept de beroepsorganisatie op om aandacht te besteden aan dit probleem en om de falende nomenclatuur dringend aan te pakken.
Raadpleeg het opiniestuk hier.
Erkenningscommissie registratie zorgkundigen
De leden van de erkenningscommissie voor de registratie als zorgkundige bij het departement Zorg zijn benoemd. NETWERK VERPLEEGKUNDE, de Belgische federatie voor zorgkundigen en de Vlaamse Hogescholenraad droegen leden voor. Twee personen beschikken over een definitieve registratie als zorgkundige: Dany Heinderson en Ann Van Coile. De drie andere leden zijn Patricia Bousery, Eva Van der Linden en Sam Cordyn. Sam is voor onze beroepsorganisatie mandataris in het RIZIV.
Miss Travestie 2025 is een verpleegkundige
Joanne Grace is Miss Travestie 2025. Zij is het alter ego van Sean Van Diest uit Drongen. Dragqueen en diva op het podium in het weekend, directeur van woonzorgcentrum Kapelleveld in Sint-Katherina-Lombeek tijdens de week. Sean behaalde zijn bachelordiploma verpleegkunde aan de UCLL en werkte vervolgens als zelfstandig verpleegkundige, op de dienst neurologie van het UZ Leuven en op palliatieve zorgen in het Heilig Hart Leuven.
“Mijn collega’s wisten al een tijdje dat ik optredens geef als dragqueen, maar de bewoners van het rusthuis kwamen het pas enkele weken geleden te weten”, vertelt Sean aan vrtnws. “Ik heb geen enkele negatieve reactie gekregen.” Integendeel, heel wat collega’s kwamen Sean tijdens de verkiezingen aanmoedigen. En met succes. Proficiat, Joanne Grace met je kroontje!
Copyright foto: Jan Vens
De toekomst van de HBO5-opleiding in de Franse Gemeenschap
In Vlaanderen zijn de nodige stappen gezet om de HBO5-opleiding verpleegkunde uit te doven en sinds september 2024 de driejarige opleiding basisverpleegkunde op te starten. In de Franse Gemeenschap staat die HBO5-opleiding op een cruciaal keerpunt. Hoewel de driejarige opleiding op HBO5-niveau al decennialang een vaste waarde is binnen de Belgische gezondheidszorg, worden er steeds meer vragen gesteld over de toekomst ervan binnen de Franse Gemeenschap. In welke context zitten we en wat zijn de uitdagingen en mogelijke oplossingen? We gaan dieper in op een rapport van de Franstalige collega’s van FASD (Fédération de l’Aide et des Soins à Domicile).
De wetgeving uit 2023 is zeer duidelijk: de HBO5-opleiding moet voortaan leiden tot basisverpleegkundigen in Vlaanderen en ‘assistants en soins infirmier’ in de Franse Gemeenschap. Twee verschillende termen over de taalgrenzen heen voor eenzelfde functie of gezondheidszorgberoep: we leven in België, zoveel is duidelijk.
Waar de HBO5-opleiding in Vlaanderen sinds 2024 vervangen wordt door die van basisverpleegkunde, wordt in de Franse Gemeenschap de HBO5-opleiding van 3,5 jaar die leidt tot het diploma ‘infirmier hospitalier’ niet aangepast naar ‘assistant en soins infirmier’ op drie jaar. Dit is een bewuste keuze die de toenmalige bevoegde Franstalige ministers in 2024 maakten en waarbij het op vandaag niet duidelijk is of er in deze beleidskeuze verandering zal komen.
Bijkomend stelt zich de vraag of de opleiding tot ‘infirmier hospitalier’ op 3,5 jaar door Europa zal worden erkend als een gelijkgestelde aan de VVAZ. De Europese Commissie deed hierover nog geen officiële uitspraak. Dat maakt dat in de Franse Gemeenschap vandaag twee opleidingen – HBO5 en bachelor – mogelijks leiden tot de titel van VVAZ, en dat de HBO5-opleiding tot basisverpleegkundige of ‘assistant en soins infirmier’ onbestaande is.
Waarom 3,5 jaar?
De Europese richtlijn 2005/36/CE, die de minimale opleidingsvereisten voor verpleegkundigen vastlegt, stelde bijkomende eisen. In 2013 werd de richtlijn aangepast, waardoor de opleiding tot verpleegkundige minimaal 4.600 uur en drie studiejaren moesten omvatten. Dit zette druk op de Belgische regelgeving, omdat de HBO5-opleiding in de Franse Gemeenschap, maar ook in Vlaanderen niet volledig voldeed aan deze criteria.
Over de taalgrens besliste men daarom in 2016 om de HBO5-opleiding op te trekken naar 3,5 jaar: een verlening met zes maanden dus. Door de jaren heen evolueerde de HBO5-opleiding in de Franse Gemeenschap, maar fundamentele structurele problemen blijven bestaan.
Twee profielen op niveau vijf
Het federale regeerakkoord van 2020-2024 probeerde een duidelijke functieverdeling te creëren tussen de bachelor- en de HBO5-opleiding verpleegkunde. Enerzijds om tegemoet te komen aan de eisen van Europa, anderzijds om de aantrekkelijkheid van beide functies te verhogen en de doorgroeimogelijkheden beter in de verf te zetten. Op niveau vier vind je de zorgkundige, op niveau zes de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) en op niveau vijf de basisverpleegkundige. In de Franse Gemeenschap valt deze laatste onder de noemer ‘assistant en soins infirmier’.
Toch bestaat over de taalgrens nog steeds de ‘infirmier hospitalier’, de 3,5-jarige HBO5-opleiding. De Franse Gemeenschap besliste om deze opleiding te behouden. Als de Europese Commissie beslist dat de opleiding tot ‘infirmier hospitalier’ op 3,5 jaar niet voldoet aan de richtlijn, dan kunnen studenten die sinds september 2023 de studie startten, mogelijks aan het einde van hun opleiding geen visum krijgen om als verpleegkundige te werken. Ook in andere Europese landen zullen ze dan geen automatische erkenning krijgen.
Taken en cijfers
In de praktijk heerst grote onduidelijkheid over de precieze verantwoordelijkheden en competenties van de huidige ‘infirmier hospitalier’. Zorginstellingen worstelen met welke rol ze deze verpleegkundigen zullen geven binnen hun team, en welke taken en verantwoordelijkheden ze op zich mogen nemen. Het rapport van de FASD stelt dat er een aanzienlijke kloof is tussen de competenties van de ‘infirmier hospitalier’ en de vaardigheden die het werkveld verwacht. De VVAZ (bachelordiploma verpleegkunde) heeft een breder theoretisch kader en neemt complexere taken op zich. Dat kan na de 3,5-jarige opleiding tot ‘infirmier hospitalier’ niet. Daarom merkt de FASD dat sommige zorginstellingen eerder terughoudend zijn de ‘infirmier hospitalier’ in te schakelen.
Dat is niet de enige uitdaging. Er is ook een daling van het aantal inschrijvingen. Tussen 2012 en 2023 gaat het in totaal om 34 procent. Meer dan 67 procent van de studenten is niet-Belg. Het grootste deel (55,2 procent) komt uit Frankrijk. Slechts veertien procent van die buitenlandse studenten gaat aan de slag in de Belgische zorgsector, wat de investering in de opleiding allerminst rendabel en te verantwoorden maakt.
Overgang voorzien
Al deze aspecten maken dat de FASD ervoor pleit dat de 3,5-jarige opleiding tot ‘infirmier hospitalier’ net zoals in Vlaanderen omgezet wordt in die van niveau vijf uit de nieuwe functieladder: die van ‘assistant en soins infirmier’. Zo is de opleiding juridisch conform en is de afgestudeerde zeker van een verpleegkundig visum. Het biedt ook duidelijkheid op het vlak van functieomschrijving, zowel voor studenten als voor werkgevers. Bovendien maakt een heldere functieladder het eenvoudiger om door te groeien naar hogere verpleegkundige functies. Dat brengt een verbeterde instroom met zich mee in de opleidingen.
Om dit te stimuleren stelt de FASD voor dat de federale overheid investeert in een brugopleiding, om bestaande HBO5-verpleegkundigen de kans te geven door te stromen naar het bachelorniveau. De organisatie vindt ook dat er nood is aan betere communicatie over de precieze taken en verantwoordelijkheden van ‘assistant en soins infirmiers’. Werkgevers, zorginstellingen en onderwijsinstellingen zouden gezamenlijke richtlijnen kunnen ontwikkelen die de professionele rol van deze verpleegkundigen duidelijker omschrijven en in lijn brengen met de reële behoeften van de sector.
Et maintenant?
De toekomst van de HBO5-opleiding ‘assistant en soins infirmiers’ wordt door het niet nemen van beleidsbeslissingen in Wallonië onzeker gemaakt. Een structurele hervorming, waarbij de opleiding wordt omgezet naar die van de basisverpleegkundige of ‘assistant en soins infirmiers’, lijkt de beste oplossing om te voldoen aan de regelgeving en tegelijkertijd een duurzame oplossing te bieden voor de zorgsector. Maar ook om de verschillen in ons land weg te werken. Om dit succesvol te implementeren, is een samenwerkingsverband nodig tussen beleidsmakers, onderwijsinstellingen en de gezondheidszorgsector. Alleen zo kan worden gewaarborgd dat de hervorming wettelijk conform is. Tot slot is het essentieel dat studenten en werkenden in de zorg de nodige ondersteuning krijgen bij deze overgang, zodat hun carrièremogelijkheden niet beperkt, maar net versterkt worden door de aanpassingen in de opleiding en de functieladder. ///
Even terug naar het begin
De rol van HBO5-verpleegkundigen in België is al een tijdje in beweging. Al jarenlang was er onduidelijkheid over hun positie binnen het zorgsysteem, deels omdat hun opleiding niet volledig aansloot op de Europese regelgeving en deels omdat de takenverdeling binnen de verpleegkunde evolueerde. De goedkeuring van het wetsontwerp ‘basisverpleegkundige’ door het federaal parlement bracht duidelijkheid. Vanaf het academiejaar 2023-2024 kwam er voor deze nieuwe functie een apart functieprofiel binnen de Wet op de Uitoefening van de Gezondheidszorgberoepen (WUG).
Deze hervorming kwam er niet toevallig. Europa had België al langer in gebreke gesteld omdat de HBO5-opleiding niet voldeed aan de minimale opleidingsvereisten voor verpleegkundigen. Tegelijkertijd stond de positie van HBO5-verpleegkundigen onder druk in een zorgsector die steeds complexer wordt. De functie werd door sommigen als ‘tussenin’ beschouwd: breder dan die van een zorgkundige, maar niet gelijkgesteld aan de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ). Met de invoering van de basisverpleegkundige werd die schemerzone weggewerkt en krijgt zowel de functie als de opleiding een welverdiende helder afgebakende plaats binnen het zorglandschap.
Duidelijkheid in een versnipperd zorgsysteem
Dat een herstructurering zich opdrong, blijkt ook uit de realiteit op het terrein. De werkdruk in de zorg is hoog en de instroom van nieuwe verpleegkundigen is onvoldoende om de stijgende zorgvraag op te vangen. Tegelijkertijd bleek de uitval in verpleegkundige opleidingen groot: veel studenten begonnen vol goede moed, maar haakten voortijdig af. De hervorming speelt hierop in door de opleiding doelgerichter en toegankelijker te maken, zonder in te boeten op kwaliteit.
Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke ziet de invoering van de basisverpleegkundige als een kans om de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten. Een duidelijk functieprofiel en doorgroeimogelijkheden binnen de zorg moeten ertoe leiden dat meer jongeren hun studies voltooien en daadwerkelijk in de sector aan de slag gaan.
Een antwoord op de zorgnoden van morgen
Naast de hervorming van de HBO5-opleiding kadert deze wijziging binnen een bredere transformatie van de verpleegkundige beroepen. De zorgsector staat voor grote uitdagingen: door de vergrijzing stijgt de zorgbehoefte sneller dan het aantal beschikbare zorgverleners. De oplossing ligt in een efficiëntere organisatie en een heldere afbakening van taken, van zorgkundigen en basisverpleegkundigen tot gespecialiseerde verpleegkundigen en verpleegkundig specialisten.
De invoering van de basisverpleegkundige vormt een belangrijk puzzelstuk in dit veranderingsproces. Door een logische functieladder te creëren, worden verantwoordelijkheden beter verdeeld en wordt de doorstroming binnen de zorgsector gestroomlijnd. Dit komt niet alleen de zorgverleners ten goede, maar ook de patiënten, die zo op een duurzamere en efficiëntere manier geholpen zullen worden.
Dat deze hervorming uitrollen in de praktijk de nodige drempels kent, is niet verwonderlijk. Toch is het noodzakelijk dat de verschillende regio’s in ons land dezelfde weg volgen. Want één ding is zeker: de nood aan een duidelijke structuur binnen de verpleegkunde was groot, en deze hervorming is een belangrijke stap in de goede richting.
Vier vestigingen Vesalius Verpleegkunde sluiten de deuren
Op 1 september 2025 sluit scholengroep Vesalius Verpleegkunde vier vestigingen. Het gaat om de locaties in Sint-Niklaas, Brugge, Ronse en Deinze. Vesalius Verpleegkunde biedt de HBO5-opleidingen aan en zou normaal binnenkort ook starten met de nieuwe opleiding basisverpleegkunde. Dat zal zich nu beperken tot de andere campussen in Oostende, Gent, Kortrijk en Aalst.
CareAIgent: hoe AI de zorgverlener versterkt
De Hogeschool PXL lanceert het project CareAIgent, over hoe artificiële intelligentie (AI) een hulpmiddel kan zijn om zorgverleners te ondersteunen in administratieve taken. Dat project zou in oktober 2025 van start gaan en ook NETWERK VEPRLEEGKUNDE neemt met de werkgroep Hoofdverpleegkundigen deel. Via CareAIgent wil PXL met fictieve data het elektronische patiëntendossier vereenvoudigen en inzetten op spraaktechnologie. De best practices uit het project kunnen verder geconcretiseerd en uitgewerkt worden. Netwerk Verpleegkunde houdt je op de hoogte.
Wat is complexe zorg?
De recente wetswijzigingen en nieuwe verpleegkundige profielen veroorzaakten heel wat verschuivingen en riepen vragen op. Zo kan een verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) niet-complexe zorgtaken delegeren aan de basisverpleegkundige, die deze zorgtaken vervolgens autonoom kan uitoefenen. Maar wat is complexe zorg en hoe wordt beoordeeld wat wel of niet complex is? Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke vroeg de Federale Raad voor Verpleegkunde om advies.
We frissen je geheugen even op. De wijziging van de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUG) op 28 juni 2023 bracht een nieuw verpleegkundig profiel met zich mee: de basisverpleegkundige. Welke verpleegkundige handelingen de basisverpleegkundige mag uitoefenen zijn bepaald in het KB van 20 september 2023. Die lijst met handelingen kwam tot stand na een brede bevraging in het hele land en werd afgestemd bij het ruime werkveld, gevolgd door een bespreking en advies bij de Technische Commissie voor Verpleegkunde en de Federale Raad voor Verpleegkunde.
De basisverpleegkundige heeft een opleiding van ten minste drie studiejaren achter de rug, met minstens 3.800 uur theoretisch en klinisch onderwijs. Hij of zij is een beoefenaar van de verpleegkunde die autonoom kan handelen in minder complexe situaties. In complexe situaties werkt hij of zij binnen een gestructureerd zorgteam met een arts of een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ). De inschatting van die complexiteit gebeurt door de arts of door de VVAZ. De basisverpleegkundige kan, gebaseerd op de gezondheidstoestand en de zorgcontext van de patiënt de zorg opstarten aan de hand van een standaardverpleegplan en zonder initiële evaluatie door een arts of de VVAZ. Die evaluatie volgt wel zo snel mogelijk. Daarnaast geeft de basisverpleegkundige ook aan wanneer noodzakelijke zorg niet binnen zijn of haar bevoegdheid valt, zodat een herevaluatie kan plaatsvinden.
Waar knelt het schoentje?
NETWERK VERPLEEGKUNDE was meteen overtuigd van de meerwaarde van de basisverpleegkundige als schakel in het gestructureerde zorgteam. Maar al snel rees de vraag bij onze leden en in het ruimere werkveld wat gedefinieerd wordt als al dan niet complexe zorg en welke richtlijnen de VVAZ of arts moet volgen bij de inschatting van die complexiteit. Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke schreef daarop een adviesvraag uit aan de Federale Raad voor Verpleegkunde (FRV).
Het was niet de eerste keer dat FRV zich over het gegeven van complexe zorg boog. In een gezamenlijk advies met de Technische Commissie voor Verpleegkunde boog de FRV zich over de zorg- en leerladder in de verpleegkunde[1]. In dat advies staat dat de bepaling van de complexiteit van de situatie – en dus de bepaling of een basisverpleegkundige al dan niet autonoom mag handelen – gebeurt op basis van het klinisch oordeel van de VVAZ of de arts. Daarbij raadde de FRV aan om verpleegkundig specialisten en klinisch verpleegkundige onderzoekers aanvullend onderzoek te laten opstarten op zoek naar instrumenten die toelaten de complexe situaties in de verschillende praktijkomgevingen te omschrijven. Of een situatie al dan niet complex is hangt namelijk af van heel wat factoren. Denk maar aan de complexiteit van de zorg an sich, maar ook aan patiënteigenschappen, de teamsamenstelling, en de planbaarheid en voorspelbaarheid van zorg. Bovendien is de complexiteit van een situatie of van zorgen niet gebonden aan een sector of zorgsetting.
Van wet naar richtlijn
In een poging een richtlijn uit te werken waar de VVAZ, artsen en basisverpleegkundigen naar terug kunnen grijpen om de complexiteit van een situatie in te schatten, raadpleegde de FRV verschillende schalen. Zo is er het Europese Kwalificatiekader (EKK). Dat schrijft voor dat personen opgeleid op niveau 6 over gevorderde vaardigheden beschikken en over het vermogen om complexe of onvoorspelbare problemen in een gespecialiseerd werk- of studiegebied op te lossen, net zoals ze complexe technische of beroepsactiviteiten en projecten kunnen managen. Dat laatste wordt binnen het EKK ook verwacht van wie een opleiding op niveau 7 behaalde. Samen met andere bestaande schalen vond de FRV geen enkele wetenschappelijk gevalideerde schaal die het toelaat om de inschatting van de complexiteit van zorg objectief aan een bepaald zorgprofiel toe te kennen. Nochtans is dit cruciaal om de verdere uitrol van de leerladder en het gestructureerde zorgteam mogelijk te maken.
De FRV raadt de minister dan ook aan om hier een wetenschappelijk onderzoek naar te starten. Het doel: een complexiteitsschaal van verpleegkundige zorg ontwikkelen om de zorg voor patiënten te definiëren volgens het niveau van beroepen of functies, van de zorgkundige tot de verpleegkundig specialist. Daarbij moet ook de complexiteit van de situatie voor verpleegkundige zorg in acht genomen worden.
Ondersteunende handvaten
In afwachting van die wetenschappelijke schaal is de VVAZ aangewezen op zijn of haar klinische vermogen om de initiële inschatting of herevaluatie van de complexiteitsgraad van zorg te maken. Al doet de FRV wel enkele aanbevelingen. Zo moet – in het kader van zorgkwaliteit en veiligheid – de evaluatie van de complexiteit rekening houden met de mogelijke interactie tussen de zorgdomeinen. Daarbij moet uitgegaan worden van een holistische visie op de persoon en zijn specifieke kenmerken en niet alleen van het medische aspect. De VVAZ die de complexiteit evalueert moet de context in overweging nemen. Wat is de situatie op de zorglocatie? Zijn referentiepersonen beschikbaar? Wat is de eigen ervaring of kennis van de VVAZ? Zo kan de inschatting van de complexiteit beter afgesteld worden.
De FRV voegde bij het advies ook een lijst met elementen toe (zie kader) die de VVAZ kunnen ondersteunen in het klinisch redeneren en om te bepalen of de basisverpleegkundige de verpleegkundige zorg in kwestie autonoom mag uitvoeren. Die lijst is niet bedoeld als wetenschappelijke schaal en is niet exhaustief, het is louter een leidraad ter ondersteuning van de VVAZ. Tot slot vindt de FRV dat bij de basisverpleegkundige en andere gezondheidszorgbeoefenaars een plicht rust om op basis van de voorgestelde criteria na te denken over de grenzen van hun competenties en zo de kwaliteit en veiligheid van verpleegkundige zorg mee te waarborgen.
[1] FRV-TCV/2023-01
Houvast bij klinisch redeneren
Deze lijst met elementen ondersteunen de VVAZ in het klinisch redeneren over de complexiteit van zorg.
Elementen gerelateerd aan de patiënt
- Polypathologieën: aanwezigheid van meerdere chronische of acute aandoeningen die elkaar beïnvloeden.
- Comorbiditeiten: het bestaan van gelijktijdige medische aandoeningen die de behandeling bemoeilijken.
- Kwetsbaarheid: fysieke of mentale kwetsbaarheid, leeftijd, handicap, sociale en financiële kwetsbaarheid, mate van autonomie en capaciteit voor empowerment.
Elementen gerelateerd aan de behandeling
- Multimodale behandelingen: gelijktijdig gebruik van meerdere soorten therapieën (medisch, chirurgisch, psychologisch).
- Geneesmiddelinteracties: hoge risico’s op interacties tussen meerdere medicijnen.
- Hoog risico op complicaties: verwachting van complicaties als gevolg van de behandeling of de toestand van de patiënt.
Organisatorische elementen
- Coördinatie van zorg: betrokkenheid/noodzaak van coördinatie tussen verschillende gezondheidszorgprofessionals of -diensten.
- Continuïteit van zorg: moeilijkheden bij het beheren van het verloop van zorg, overgangen tussen verschillende zorgniveaus.
- Zorgvoorzieningen: aanwezigheid van competente professionals voor het gebruik van complexe technologieën (beademing, dialyse, …) of innovatieve apparatuur (robotica, e-gezondheid, slimme sensoren en monitoring, …).
Relationele elementen
- Conflicten of meningsverschillen: aanwezigheid van onenigheden tussen gezondheidszorgprofessionals, de patiënt of de familie over therapeutische keuzes.
- Culturele en linguïstische diversiteit: moeilijkheden door taal-, culturele of spirituele barrières.
- Besluitvorming: ethische of juridische moeilijkheden bij de besluitvorming, vooral aan het einde van het leven.
- Communicatieproblemen: moeilijkheden gerelateerd aan de gezondheidskennis van de patiënt/cliënt of aan cognitieve barrières.
Psychosociale elementen
- Sociale omgeving: aan- of afwezigheid van de gezinsleden, een sociale of professionele context die de zorgverlening belemmert/bemoeilijkt.
- Psychologische ondersteuning: behoefte aan psychologische ondersteuning voor de patiënt of zijn familie door stress, angst of depressie.
- Therapietrouw: moeilijkheden om de therapietrouw van de patiënt te verkrijgen.
Contextuele elementen
- Omgeving: zorg in een context van rampen, pandemieën of in oorlogsgebieden.
- Beperkte middelen: gebrek aan toegang tot essentiële medische middelen zoals geneesmiddelen, personeel of apparatuur.
Elementen gerelateerd aan een onzekere evolutie
- Voorzichtige prognose: onzekerheid over het verloop van de ziekte of de effectiviteit van de behandeling.
- Onvoorspelbaarheid van zorg: de noodzaak van frequente herbeoordeling en aanpassing van het verpleegzorgplan.
Walter Sermeus genomineerd voor ‘Nobelprijs van de verpleegkunde’
De Florence Nightingale medaille is de hoogste internationale onderscheiding voor verpleegkundigen en wordt daarom ook wel de ‘Nobelprijs voor verpleegkunde’ genoemd. De medaille werd kort na het overlijden van Florence Nightingale in het leven geroepen door het Internationale Rode Kruiscomité en voor het eerst uitgereikt in 1920. Bedoeling van deze tweejaarlijkse prijs is om verpleegkundigen te onderscheiden die bijzondere prestaties hebben geleverd in het verpleegkundig onderwijs of de zorg, of die in oorlogen of rampen uitzonderlijke moed aan de dag hebben gelegd.
In het verleden ontvingen 21 Belgische verpleegkundigen de medaille. Daarbij was ook Jeanne Hellemans, de eerste voorzitster van de voorloper van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Intussen is het al van 1967 geleden dat een Belgische verpleegkundige de onderscheiding behaalde.
Op initiatief van de werkgroep Geschiedenis Verpleegkunde diende NETWERK VERPLEEGKUNDE daarom opnieuw een kandidatuur in bij het Rode Kruis. Als kandidaat werd Walter Sermeus voorgesteld. Hij behaalde in 1979 het diploma van verpleegkundige aan de Sint-Elisabethschool in Leuven, werd in 1992 doctor in de gezondheidswetenschappen aan de KU Leuven en is sinds 1999 hoogleraar aan het Leuvens Instituut voor Gezondheidsbeleid. Walter Sermeus is onder meer de ‘geestelijke vader’ van de Minimale Verpleegkundige Gegevens (MVG), vandaag de Verpleegkundige Gegevens van de Minimale Ziekenhuis Gegevens (VG-MZG).
Op 12 mei 2025 – de Internationale Dag van de Verpleegkundigen – maakt het Internationale Rode Kruiscomité bekend of België na achtenvijftig jaar al dan niet opnieuw een ‘Nobelprijs voor de verpleegkunde’ ontvangt.