Departement Zorg stimuleert samenwerking zorg en welzijn

Sinds 1 juni 2023 is het Departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin gefusioneerd met het Agentschap Zorg en Gezondheid. Beide overheidsdiensten vormen nu samen het Departement Zorg, bevoegd voor zorg en welzijn, met 800 medewerkers en een budget van zo’n 7 miljard euro.

Zo moet samenwerking over disciplines en sectoren heen gestimuleerd worden en moet gezondheidszorg een tandem vormen met welzijnswerk. “Chronische ziektes, meervoudige pathologieën, multimorbiditeit, langdurige zorg, … maken van geïntegreerde zorg de uitdaging van de toekomst”, zegt secretaris-generaal van het Departement Zorg Karine Moykens. “Met deze fusie geven we het goede voorbeeld. Zo kunnen we flexibel inspelen op de variatie aan zorgvragen. De bevoegdheden van het Agentschap Zorg en Gezondheid over financiering, zorgberoepen, de Vlaamse Sociale Bescherming, kwaliteit en organisatie van zorg en over gezondheidsbevordering en -bescherming komen in het Departement Zorg samen met beleidsontwikkeling, kennis en onderzoek, databeleid, Zorginspectie, het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA), lokaal sociaal beleid, armoedebestrijding en welzijnswerk.”

Concreet is het Departement Zorg verantwoordelijk voor:

  • Beleidsvoorbereiding, beleidsontwikkeling, monitoring en opvolging van de beleidsdomeinen welzijn, volksgezondheid en gezin
  • Erkennen, financieren, inspecteren en de kwaliteit bevorderen en bewaken van de Vlaamse zorg- en welzijnsaanbieders
  • Infrastructuursubsidiëring
  • De organisatie van de Vlaamse sociale bescherming
  • De erkenning van gezondheidszorgberoepen
  • Het bevorderen en bewaken van een gezonde levensstijl en leefomgeving
  • Infectieziektes bestrijden en vaccinatieprogramma’s uitrollen


Verpleegkundige wordt nieuwe directrice-generaal van DGGS

Sabine Stordeur is vanaf 1 september de nieuwe directrice-generaal van DGGS. Ze vervangt daarmee Annick Poncé die de functie drie jaar lang in moeilijke omstandigheden ad interim uitvoerde.

Tijdens de eerste vier jaar van haar carrière werkte Sabine Stordeur als verpleegkundige op de afdeling cardiovasculaire chirurgie in het Universitair Ziekenhuis Saint-Luc. Daarna startte haar academische loopbaan aan de UCLouvain met een doctoraat in volksgezondheid. Daar geeft ze vandaag nog altijd les in gezondheidsbeleid. In 2007 werd ze expert bij het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) en in november 2020 werd ze projectmanager van de Task Force Vaccinatie voor COVID-19. Vandaag engageert ze haar voor de volksgezondheid als directrice-generaal van DGGS. Door haar ervaring beschikt ze over onmisbare inzichten die de strategische lijnen en een coherente visie en structuur kunnen uitzetten om de ambitieuze plannen binnen de FOD Volksgezondheid te bereiken.


Nieuw boek rampengeneeskunde 2023

Het Tijdschrift voor Geneeskunde en Gezondheidszorg bracht eerder in 2023 al een themanummer uit over de voorbereiding op rampen. Daarin werden de paraatheid van onze zorg onderzocht en voorstellen geformuleerd voor de toekomst. Die inzichten zijn nu gebundeld in een handig e-book. Het functioneren van onze eerstelijnszorg op kritieke momenten wordt bekeken, maar ook de verschillen en gelijkenissen tussen ons land en Nederland op vlak van beleidscoördinatie en operationele structuur bij rampen worden uit de doeken gedaan. Daarnaast komen de risico’s van overstromingen van zorginfrastructuur door de klimaatverandering aan bod en gaat een origineel onderzoek op zoek naar een antwoord op de vraag: had ons ons gezondheidssysteem voldoende capaciteit om tijdens de piek van de pandemie ook de terreuraanslagen in Zaventem en Maalbeek het hoofd te bieden?

Het boek kost 14,95 euro en kan je downloaden via tvgg-ebooks.be/product/rampengeneeskunde-uitgave-2023. Voor TVGG-abonnees is dit gratis.


Update rond wetgeving bekwame helper

Met de introductie van de basisverpleegkundige, maar ook door de nood aan duidelijke richtlijnen, is de wettelijke verankering van de positie van de bekwame helper intussen een feit. NETWERK VERPLEEGKUNDE gaf vanuit de Werkgroep Gehandicaptenzorg mee vorm aan de adviezen voor deze wetgeving.

De bekwame helper is iedere begeleider of coördinator die een basisvorming verpleegkundige handelingen volgde en aan wie de verpleegkundige enkele handelingen delegeert. Deze taken neemt de bekwame helper vrijwilliger op zich en bij twijfel of onduidelijkheid wordt meteen de hulp van een verpleegkundige of arts ingeroepen. Pas na een opleiding heeft de bekwame helper nu de toelating om bij een welbepaalde patiënt technische verstrekkingen uit te oefenen. Die opleiding gebeurt door een arts, een verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of een basisverpleegkundige. Zij stellen ook eventuele bijkomende voorwaarden en waarschuwingscriteria op waar de bekwame helper alert voor moet zijn. Een regelmatige herevaluatie van de situatie en de gezondheidstoestand van de patiënt gebeurt ook door de arts, verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg of basisverpleegkundige die de opleiding aan de bekwame helper gaf, rekening houdend met ieders bevoegdheid.

Een document bepaalt de concrete modaliteiten van wat de bekwame helper al dan niet mag doen: welke technische verstrekkingen, onder welke voorwaarden, hoelang en met welke instructie- of opleidingsvoorwaarden. Daarin staat ook de identiteit van de patiënt, de identiteit van de bekwame helper die toelating krijgt en hoe het overleg tussen alle partijen moet verlopen. De patiënt geeft steeds schriftelijke toestemming.

“De wet zal bij veel scholen en voorzieningen de rechtsonzekerheid wegnemen”, zegt Griet Pitteljon, voorzitter van de Commissie Verpleegkundige Handelingen Vlaams Welzijnsverbond. Al ligt het in de praktijk moeilijk dat de gedelegeerde handelingen slechts aan één persoon worden toegekend. In organisaties die met leefgroepen werken is het beter om die toe te wijzen aan een groep van personen. “Ook de administratie moet eenvoudiger, zeker wanneer het gaat over het verplichte overleg. De arts of verpleegkundige stelt vandaag een document op waarin beschreven staat hoe het overleg tussen de bekwame helper en de arts of verpleegkundige zal plaatsvinden. Dat kan makkelijker. Laat, net zoals een regelmatige herevaluatie, het initiatief tot overleg over aan de arts of verpleegkundige, afhankelijk van de complexiteit van de gedelegeerde handeling. Voor het geven van basismedicatie of het aandoen van compressiekousen zijn minder overlegmomenten nodig dan voor het toedienen van sondevoeding.”


ZoekGezond in de plaats van dokter Google

Om medische informatie correct en betrouwbaar weer te geven bestaat al jaar en dag de website Gezondheid en Wetenschap. Die is er nu ook in smartphone formaat, in de nieuwe app ZoekGezond. In plaats van te googelen naar symptomen en ziektebeelden hoopt initiatiefnemer Cebam dat mensen voortaan via de app naar informatie zullen zoeken. Alle teksten in de app en op de website zijn gebaseerd op wetenschappelijke bewijzen en door Cebam omgezet en actueel gehouden in toegankelijke taal voor burgers en patiënten.


Finaal rapport taakdifferentiatie, taakdelegatie en taakverschuiving bij minister

De werkgroep taakdifferentiatie, taakdelegatie en taakverschuiving leverden eind april hun finale rapport af op het kabinet van Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke. In de werkgroep zaten vertegenwoordigers van verpleegkundigen (HBO5, bachelor en specialisten), zorgkundigen en artsen. Ook NETWERK VERPLEEGKUNDE werkte actief mee.

De opdracht bestond erin kritisch en out of the box na te denken over welke aanpassingen op de Wet op de Uitoefening van de Gezondheidsberoepen noodzakelijk en wenselijk zijn om tot een passende taakverschuiving, taakdelegatie en taakdifferentiatie voor verpleegkundigen te komen. Zo wil de minister toewerken naar kwaliteitsvolle, toegankelijke, werkbare, efficiënte en leefbare zorg die rekening houdt met de tekorten in de zorgsector.

In drie delen geeft het rapport weer waarom verpleegkundigen nog te vaak niet-verpleegkundige taken opnemen en suggereert het oplossingen met duidelijke randvoorwaarden om niet-verpleegkundige taken te identificeren en zo te delegeren. Daartoe werd een uitvoerige lijst opgesteld van (niet-)delegeerbare taken.

Daarnaast wordt ook het gestructureerd zorgteam beschreven, met coördinatie van verpleegkundige zorgen. Er zijn ook voorstellen in verwerkt over hoe de taakverschuiving tussen verpleegkundigen en artsen er uit kan zien en onder welke voorwaarden dit kan gebeuren. De minister noemt het verslag in een persbericht “bijzonder technisch, maar van onschatbare waarde om verder werk te kunnen maken van de noodzakelijke hervormingen. Het geeft de richting aan die we moeten bewandelen.”

Je kan het rapport hier raadplegen.


EU-richtlijn veilig beheer van gevaarlijke geneesmiddelen

Gezonde en veilige arbeidsomstandigheden zijn een voorwaarde voor gezonde en productieve arbeidskrachten. De EU-wetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk is essentieel om de gezondheid en veiligheid van de bijna 170 miljoen werknemers in de EU te beschermen. Daartoe ontwikkelde Europa een richtlijn voor het veilig beheer van gevaarlijke geneesmiddelen en voor gezondheidswerkers die blootgesteld worden aan deze medicatie. Zij moeten beschermd worden. De richtlijn is gebaseerd op uitgebreide studies en gesprekken met experts en belanghebbenden. Een nood aan verdere opleiding, instructies en richtlijnen was al snel duidelijk, samen met een bindende wetgeving. Het resultaat is nu een breed en praktisch advies over het gebruik van gevaarlijke geneesmiddelen, dat op een eenvoudige en toegankelijke manier wordt weergegeven. Dit document is niet-bindend, maar is wel een handvat voor werknemers en werkgevers.

Je raadpleegt het op netwerkverpleegkunde.be.


“Als we moeten shiften in budget, dan is het geen shift naar de ziekenhuiszorg, maar naar de eerste lijn”

Na zijn job als coronacommissaris ging Pedro Facon terug aan de slag bij het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsuitkering (RIZIV). Geen onbekend terrein aangezien hij er tussen 2005 en 2013 al werkte. Als adjunct-administrateur-generaal staat hij evenwel voor een grote reeks uitdagingen binnen het huidige zorglandschap. Met zijn rijke ervaring binnen verschillende overheidsadministraties, zoals Volksgezondheid, brengt hij de nodige bagage om de toekomstige krijtlijnen van het RIZIV uit te tekenen. Al stopt het voor Facon niet enkel bij deze dienst. Een geïntegreerde zorgaanpak is voor hem noodzakelijk om vooruitgang te boeken in de complexe dossiers die nu op tafel liggen.

Midden 2022 verhuisde het RIZIV naar een gebouw waar ook de FOD Volksgezondheid en het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG) zitten. Een goede stap voorwaarts aangezien het de wisselwerking tussen de verschillende diensten bevordert. Hoe verloopt die transitie?

Pedro Facon: “Ik pleit al langer voor een nauwere samenwerking tussen de federale administraties. Zo hebben we indertijd projecten met geïntegreerde teams en stuurgroepen opgezet rond bepaalde thema’s, zoals de ziekenhuishervorming, de kwaliteitswet of de strijd tegen antimicrobiële resistentie. De recente verhuis versnelt deze integratie. In het nieuwe gebouw zitten de diensten voor gezondheidszorg van het RIZIV en de FOD bewust thematisch samen, en niet per instantie. Ook het management van het RIZIV, de FOD en het FAGG zit vlak bij elkaar. Dat laat veel meer spontane interactie toe tussen alle lagen van de organisaties.”

De uitdagingen in het zorglandschap zijn niet min. Denk aan meer geïntegreerde zorg, de hervorming van de ziekenhuizen en van de financieringssystemen, e-gezondheid, de modernisering van de gezondheidsberoepen en het verbeteren van doelmatigheid. Hoe kijkt het RIZIV hiernaar?

“Volgens mij is de samenwerking daarom een noodzakelijke evolutie. Al die grote thema’s staan in de beleidsnota’s van de regeringen en komen voort uit de reflectie-oefeningen van de sector. Geen enkele daarvan kan gedragen worden door één enkele administratie. Het heeft veel tijd gevraagd om die scheidingslijnen te overschrijden, maar de drive is er om dit nu gezamenlijk op te nemen.”

Het overlegmodel binnen het RIZIV is historisch gegroeid. De creatie van technische raden, overeenkomsten- en akkoordencommissies dateert uit een tijd waar de uitdagingen van geïntegreerde zorg en geïntegreerde financieringssystemen daarrond veel minder aan de orde waren. Hoe rijmen we dat aan de huidige noden in de zorg?

“Beslissingen werden vooral van onderuit genomen, met te weinig geïntegreerde sturing van bovenaf. Door de jaren heen zijn het gezondheidszorgsysteem, de noden van de samenleving en ook de relaties tussen de actoren veranderd. Zo is de rol van de algemene raad en het verzekeringscomité binnen het RIZIV stelselmatig versterkt, om een meer coherent beleid te voeren, de algemene beleidslijnen te bepalen en te garanderen dat de maatregelen over de verschillende sectoren elkaar niet tegenspreken. Ook de politieke sturing is groter geworden, onder andere omdat de politiek een heel belangrijke rol speelt in het bepalen van het budget.”

Is de volgende stap dan om het beleid nog meer te laten functioneren op basis van duidelijke gezondheidsdoelstellingen, die gestoeld zijn op wetenschappelijke input?

“Deze beweging is al aan de gang, maar het vergt tijd en inspanning. De initiatieven die nu worden voorgesteld, moeten binnen een bepaalde visie van het gezondheidszorgsysteem passen. Daarnaast werken de organen steeds meer op basis van evidentie en gezondheidsdoelstellingen. En er is meer oog voor evaluatie van de genomen maatregelen. Dit sluit allemaal aan bij kosteneffectief denken. Toch blijft het voor velen moeilijk om boven hun eigen domein uit te stijgen, en bevoegdheden en budgetten delen creëert vaak onrust. Er is dus nog wel werk aan de winkel.”

Hoewel de diensten onderling beter samenwerken, duurt het soms lang om veranderingen door te voeren, zoals het implementeren van de nieuwe wondzorgnomenclatuur dat vier jaar in beslag nam. Is het huidig systeem wel flexibel genoeg om de noodzakelijke wijzigingen snel genoeg te implementeren en zo de toekomstige noden het hoofd te bieden?

“De lange doorlooptijd is het gevolg van het beslissingsproces. Alles begint bij het bepalen van de juiste prioriteiten en het aantonen van de opportuniteit van een bepaalde wijziging. Dat alleen kost al veel tijd. Verder zijn budgetten nodig, want we werken niet met een ongelimiteerd, open budget. Vervolgens moet een koninklijk besluit worden opgesteld en goedgekeurd door de regering en de Raad van State. Tegen de uiteindelijke publicatie van het KB heeft dat vaak al een heel lang proces achter de rug. Toch moeten we hierbij ook erkennen dat dit in twee richtingen werkt. Nieuwe prestaties vragen tijd om terugbetaald te worden, maar het duurt ook lang om prestaties die niet meer relevant zijn, uit het systeem te halen. Deze aanpak verander je niet van vandaag op morgen, maar wel stapsgewijs en dat doen we door om te schakelen naar een beleidsvisie als basis en te werken met gezondheidsdoelstellingen en vanuit de evidentie.”

NETWERK VERPLEEGKUNDE pleit voor het meer inzetten van bachelorverpleegkundigen in de zorgcoördinatie en voor minder focus op het uitvoerende, zoals de ADL-zorg. Welke rol is in de toekomst weggelegd voor de verpleegkundigen?

“Het idee dat op tafel ligt, gaat in de richting van een rol voor de verpleegkundige die niet alleen technische prestaties uitvoert, maar ook de zorgprocessen coördineert met de patiënt en zijn omgeving, en kijkt hoe het zorgsysteem zo goed mogelijk in te zetten zodat het aangepast is aan de noden en doelstellingen van die patiënt. Dit is cruciaal in een context waar we meer nood hebben aan zorg voor chronisch zieken en meer geïntegreerde zorg.”

Dus we zitten met een overlapping van heel wat verschillende discussies die moeten samengevoegd worden?

“Dat klopt. We kunnen de zorgcoördinatie en het casemanagement niet los van elkaar bekijken. Er is nood aan actoren die zich inzetten voor de zorgcoördinatie, voor het bepalen van de doelstellingen van een zorgproces en voor het linken van de verschillende zorgverstrekkers, de patiënt en de omgeving van de patiënt. Hierbij moeten we absoluut een coherente aanpak vooropstellen. De bachelorverpleegkundigen kunnen hierin een belangrijke rol opnemen.”

Is functiedifferentiatie dan niet noodzakelijk om de job van verpleegkundige aantrekkelijk te houden?

“We hebben een tekort aan voldoende competente verpleegkundige handen in de zorg. We willen hen complexere rollen geven en hun plaats in het zorgsysteem versterken. Dat staat in contrast met het feit dat we zien dat verpleegkundigen taken uitvoeren die eigenlijk niet door hen zouden moeten gebeuren, bijvoorbeeld inzake thuiszorg. Maar om taken over te hevelen naar anderen, moeten de ‘overkant’, in dit geval de deelstaten, dit kunnen overnemen. Zaken uit de nomenclatuur halen zonder meer lost het probleem niet op. Ook de werkgever heeft een verantwoordelijkheid om de jobinhoud van de verpleegkundige zo in te vullen dat het in lijn ligt met de competenties van dat profiel.”

Binnen de verpleegkunde, zoals in andere sectoren, zien we een omschakeling naar een zelfstandig statuut of naar projectverpleegkunde. Dit creëert een zekere bezorgdheid over een te grote concurrentieslag door de meer welvarende instellingen. Wat is het standpunt van het RIZIV hierover?

“Voor mij is een eerste belangrijk element dat we moeten vrijwaren dat voldoende mensen worden opgeleid en dat we die mensen ook in de sector kunnen houden. De vraag is natuurlijk waarom verpleegkundigen ervoor kiezen hun loontrekkendenstatuut te verlaten. Wat is daar de oorzaak van en op welke manier kan je daar aan tegemoet komen? De verloning van verpleegkundigen binnen een ziekenhuisomgeving ligt absoluut niet laag in vergelijking met het gemiddelde inkomen in België of met de andere OESO-landen, dat blijkt uit de Health at a Glance-rapporten van de OESO. Heeft het dan te maken met werkcondities? Met flexibiliteit? Er is meer analyse nodig om dit te begrijpen. Hoe kan je ervoor zorgen dat je de noden van een werknemer, een werkgever en de maatschappij in evenwicht brengt? We zien dat jongere generaties op zoek zijn naar meer autonomie en zelfstandigheid, naar een ander evenwicht tussen arbeid, persoonlijke ontwikkeling, gezin en sociale engagementen. Hierdoor wordt de organisatie van werk moeilijker voor de werkgever en tegelijk wordt de werktijd gereduceerd. We moeten hier een iets breder maatschappelijk debat over hebben.”

Hoe kaderen de verschillende opleidingsniveaus daarin?

“Het hele future of nursing-verhaal blijft relevant. De kwaliteit van de opleiding, het inzetten van bachelors en het verbreden van bevoegdheden is een weg waar we op willen voortgaan. We zitten natuurlijk met een bepaalde realiteit en HBO5-verpleegkundingen moeten ook hun plaats krijgen binnen het zorglandschap. Dit kan passen binnen de gestructureerde zorgequipe, die een bepaalde complementariteit en bepaalde competenties vraagt. We moeten pragmatisch zijn en kunnen ons niet permitteren om sommige verpleegkundigen niet te valoriseren.”

We zien heel wat bewegen rond BelRAI© op Vlaams niveau. Hoe zit dit federaal?

“De projecten in Vlaanderen kaderen in een goede interfederale aanpak. Het is dus niet enkel een BelRAI©-Vlaanderen concept. De voorbije twintig jaar is er ontzettend veel geïnvesteerd in BelRAI©. Er ligt veel klaar om te integreren in de zorgpraktijk. Dat biedt een enorm potentieel om een betere organisatie en planning van de zorg te realiseren en vervolgens een stuk te koppelen aan het opnemen en openen van bepaalde rechten voor patiënten. Maar de eerste toegevoegde waarde die dit instrument kan creëren, is om de zorgplanning grondig te verbeteren en ons zorgsysteem daarin efficiënt in te zetten.”

In de Vlaamse gehandicaptenzorg en woonzorgcentra zien we dat er meer gefinancierd wordt vanuit federaal budget. Wil het RIZIV dit ook in de toekomst ondersteunen?

“We zijn al een tijdje in debat – ook in de vorige legislatuur – over wat wij de rizivisering van de zorg in de deelstaten noemen. Woonzorgcentra zijn een stuk medisch begeleide omgevingen, waar een bezoek van een huisarts of kinesitherapeut mogelijk is. We hebben geen intentie om die deur te sluiten. Waar we wel aandachtig voor willen zijn in een aantal zorgsettings, zoals de scholengeneeskunde, de zorg voor gehandicapten en ook in de woonzorgcentra, is dat de bestuursniveaus kosten niet naar elkaar doorschuiven. Ik verwacht dat iedereen zijn verantwoordelijkheid neemt. Het RIZIV vertrekt altijd vanuit het belang van de sociaalverzekerde en de patiënt. De ziekteverzekering heeft schaarse middelen en de uitdagingen die op ons afkomen zijn gigantisch. Als kosten worden doorgeschoven naar het RIZIV, dan vertaalt dat zich naar minder middelen voor andere zaken. Tijdens de pandemie hebben we bewezen dat we in staat zijn om zeer grote hoeveelheden van budgetten op ons te nemen, zoals de vaccinatie- en testingcampagne en de algemene financiering van de crisiszorg. We zijn daar pragmatisch in, maar het federaal niveau is armlastiger dan de deelstaten.”

Er zijn studies geweest over de remgelden in de thuisverpleegkunde, ook door het KCE. Het huidige systeem blijft zeer complex, ondanks de vereenvoudigingen die in de vorige legislatuur werden doorgevoerd. Hoe staat het RIZIV tegenover remgeld in de eerste lijn?

“Het debat daarover moet gevoerd worden binnen het overlegmodel. Ik ben persoonlijk voorstander om remgeld te voorzien voor verpleegkundige zorg in de eerste lijn en dat dan ook te innen. Al mag dit niet te hoog liggen, want we willen de toegankelijkheid van patiënten tot de zorg niet beperken, en al zeker niet in de eerste lijn. Als de patiënt toch een klein bedrag betaalt, erkent hij dat hij deel uitmaakt van een zorgverzekeringssysteem waar iedereen binnen zijn draagkracht een bijdrage aan levert.”

De pilootprojecten voor thuishospitalisatie rond antibioticatherapie en chemotherapie zijn afgerond. Hoe moet volgens het RIZIV de switch naar thuishospitalisatie verlopen?

“Daar komt nu een meer gestructureerd kader voor en dus ook financiering. Ik hoop dat dit helpt om toekomstige debatten op een betere manier aan te pakken, zoals rond negatievedruktherapie. Ondertussen zijn de ziekenhuizen zich aan het transformeren met een kortere ligduur en meer daghospitalisatie. Ze proberen steeds meer zaken niet in het ziekenhuis te behandelen. Dit leidt tot discussies over budgetten en of er eventuele verschuivingen mogelijk zijn. Ziekenhuizen geven aan dat ze ondergefinancierd zijn en het geld dus niet kunnen vrijgeven. Toch is budget nodig als we meer ambulante zorg en thuishospitalisatie op een kwalitatieve manier willen organiseren. Ik denk dat in eerste instantie een meer rationele organisatie van het ziekenhuissysteem en meer transparantie over afdrachten en hun gebruik ervan nodig zijn. In vergelijking met andere OESO-landen besteedt België een groter deel aan ziekenhuiszorg. Als we moeten shiften, dan is het geen shift naar de ziekenhuiszorg, maar naar de eerste lijn, een stuk vanuit de ziekteverzekering, en naar welzijn, een stuk vanuit de deelstaten. Daar moet de focus liggen. We kunnen geen schokken teweeg brengen, maar als de nieuwe budgetten op tafel liggen, moeten deze zaken zeker in de gaten gehouden worden.”


Hervorming verpleegkunde: wetsontwerpen naar het parlement

Er komt licht aan het einde van de tunnel. Minister Vandenbroucke maakte de drie wetsontwerpen over de basisverpleegkundige, de bekwame helper en de klinisch verpleegkundig onderzoeker over aan het parlement. Ondanks de miljarden euro’s aan investeringen in de zorg, is de nood aan een allesomvattend plan om de zorgberoepen aantrekkelijker te maken zeer hoog. Dat laat de minister in een persbericht weten.

Om de duurzaamheid van gezondheidszorg te waarborgen vindt minister Vandenbroucke het belangrijk om te bekijken of zorgpersoneel adequaat wordt ingezet. Waar schuilen mogelijkheden om zorg anders te organiseren en taken te herverdelen? Hoe werken we toe naar geïntegreerde zorg? Hoe delen we knowhow in een multidisciplinair team? Als belangrijke stap kijkt de minister daarvoor naar een brede hervorming van het verpleegkundig beroep, dat nog onvoldoende naar waarde wordt ingezet.

“Als we hoogstaande zorg in ons land willen blijven verzekeren, moeten we niet alleen volop blijven investeren in onze gezondheidszorg, maar ook de inzet van ons zorgpersoneel herbekijken”, laat hij in een persbericht weten. “Zo is een brede hervorming van onze verpleegkundige zorg nodig om iedereen klaar te stomen voor de toekomst en de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen. Dit wil zeggen dat we niet alleen de verpleegkundige profielen, maar ook verpleegkundige handelingen in hun geheel onder de loep nemen en dit met één doel: alle verpleegkundigen in de praktijk naar waarde inzetten.”

De nieuwe zorgladder in de verpleegkundige is een toekomstgericht functiemodel waarbinnen ieder verpleegkundig profiel een plaats heeft. Met duidelijke verschillen, maar ook met haalbare doorgroeimogelijkheden. Eind 2023 worden de resultaten uit de Kamer verwacht. Ook aan de bekwame helper is gedacht, met een duidelijk statuut die de kwaliteit van leven van patiënten en van wie zorg geeft garandeert. Daarover moet eind september 2023 een beslissing vallen.


Aandachtspunten bij de hervorming Wet Patiëntenrechten

Na twintig jaar is de Wet Patiëntenrechten aan een update toe. Daar wordt momenteel hard aan gewerkt. In een communicatie naar Minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke en professor Tom Goffin onderstreept NETWERK VERPLEEGKUNDE enkele belangrijke aandachtspunten in de toepassing van de huidige wet.

De actuele Wet Patiëntenrechten is nog niet door alle zorgberoepen even goed gekend en wordt dus niet even consequent toegepast. Zo zijn we met NETWERK VERPLEEGKUNDE van mening dat de wet geldt voor iedere persoon die deelneemt aan de gezondheidszorg. Niet alleen zorgverleners, maar ook ondersteunende medewerkers zoals maatschappelijk werkers en de (toekomstige) bekwame helpers. Gelet op de invoering van de gestructureerde equipe voor de verpleegkundige zorgen, is dit een belangrijk aandachtspunt.

Daarnaast is NETWERK VERPLEEGKUNDE van mening dat de verplichting om alle informatie schriftelijk te verstrekken niet nodig is wanneer de zorgverlener correct en professioneel met de zorgvrager en diens omgeving communiceert. Dit wil zeggen dat het patiëntendossier tijdig en zorgvuldig aangevuld en gedeeld wordt. De zorgvrager kan een schriftelijke bevestiging vragen, maar dit verplichten verhoogt de werkdruk nog meer en staat haaks op het beleid dat vandaag gevoerd wordt. Deze formaliteiten creëren ook meer afstand tussen zorgverlener en zorgvrager en bevorderen geen empathische communicatie.