Zevende leerjaar Verzorgende/Zorgkundige start op 1 september 2025
Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt leverde aan Vlaams minister van Onderwijs Zuhal Demir een eindverslag af over de analyse van de zorgopleidingen in het secundair onderwijs. Daaruit blijkt dat een wijziging van het opleidingsaanbod momenteel niet tegemoetkomt aan de bezorgheden van alle partners en dat op 1 september 2025 het nieuwe zevende leerjaar Verzorgende/Zorgkundige, gericht op de instroom naar de arbeidsmarkt, van start gaat. De onderliggende opleiding blijft het vijfde en zesde leerjaar Basiszorg en Ondersteuning. Uit het verslag komt ook het belang van een permanente monitoring en evaluatie van de zorgopleidingen naar voren. Bekijk meer over dit dossier.
Nog steeds jongeren opgevangen in ziekenhuizen
Uit het jaarverslag van het Kinderrechtencommissariaat blijkt dat kinderen en jongeren nog vaak terechtkomen in (psychiatrische) ziekenhuizen door een gebrek aan opvang. De jeugdrechter wijst hen dan toe aan de zorginstelling, al dan niet in gedwongen opname, zodat de jongere zeker een onderdak heeft en in professionele handen is. “Ziekenhuizen doen wat ze kunnen, maar bieden niet de pedagogische omkadering die de jongeren wel ontvangen in een jeugd- of VAPH-voorziening”, staat in het rapport. Het Kinderrechtencommissariaat gaat in gesprek met een aantal ziekenhuizen om de problematiek beter in kaart te brengen. Raadpleeg het jaarverslag.
Wat zegt het regeerakkoord over de zorg?
Ons land heeft een nieuwe federale regering en daar hoort een regeerakkoord bij. Het uitgangspunt: “Zorg moet voor iedereen betaalbaar, effectief beschikbaar en van topkwaliteit zijn.” En dat rekening houdend met de maatschappelijke context en de specifieke uitdagingen waar de zorgsector voor staat. Daarnaast wil de regering de versnippering van de bevoegdheden voor gezondheid aanpakken om de doeltreffendheid en kwaliteit van zorg te vergroten.
Het federale regeerakkoord telt twintig bladzijden over zorg. Zo wil de federale regering investeren en hervormen op basis van gezondheidszorgdoelstellingen en zorg laten evolueren richting geïntegreerde zorg. Daarnaast wil de overheid de ziekenhuisfinanciering en nomenclatuur herzien om de samenwerking in en tussen ziekenhuizen en andere zorgactoren te bevorderen, maar ook om zorgkwaliteit boven kwantiteit te plaatsen. Voor de ziekenhuizen voorziet de regering een transparante, pathologie-gestuurde basisfinanciering, samen met een pay-for-perfomancebudget en een som voor innovatie. Wat de nomenclatuur betreft, volgt een hervorming om de organisatie en financiering van de thuisverpleging doelmatiger te maken en de arbeidskrapte aan te pakken. De administratieve lasten worden verminderd, er wordt ingezet op samenwerking en op een sociaal statuut bij conventionering op het niveau van gelijkaardige zorgberoepen.
“Een hart voor onze zorgverleners”
Naast voldoende toegang tot zorg zet de overheid de patiënt en de betaalbaarheid voor de patiënt centraal. Maar er wordt ook naar de zorgverleners gekeken. Het regeerakkoord noemt hen “de motor van de gezondheidszorg” en de tekorten moeten aangepakt worden, door de aantrekkelijkheid van het beroep te verhogen en in te zetten op een retentiebeleid, in het bijzonder voor verpleegkundigen. Samen met de deelstaten willen ze de drempels wegwerken via het statuut verpleegkundige in opleiding zodat studenten verpleegkunde in het vierde jaar een onkostenvergoeding kunnen ontvangen.
De verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) zal versterkt worden in zijn of haar rol door de VVAZ nieuwe verantwoordelijken toe te vertrouwen. Zo wordt het verschil met de basisverpleegkundige duidelijker, zonder de rol van de basisverpleegkundige te devalueren. Ook “het fenomeen waarbij zorgkundigen en verpleegkundigen zichzelf via een zelfstandig of interim contract opnieuw aanbieden bij hun werkgever via bijvoorbeeld een nietafwervingsbeding” zal bestreden worden, net zoals “de oneigenlijk inzet van project sourcing in de zorg.” Daarom voert de overheid de defiscalisatie van de overuren in de zorg in.
Mentale weerbaarheid
Het regeerakkoord bevat op het vlak van zorg een groot luik over mentale weerbaarheid, op het vlak van geestelijke gezondheidszorg voor ouderen, jongeren en personen met een verslaving. Daarnaast behandelt het nog de thema’s voldoende en betaalbare geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, snellere diagnose en behandeling voor een betere volksgezondheid, gezond leven en het zorglandschap. Er is ook ruimte voor technologische vooruitgang en voor het verbeteren van de gegevensdeling. Daarnaast moeten de middelen voor zorg zinvol en efficiënter ingezet worden.
Sterven we morgen niet meer aan kanker?
De Stichting tegen Kanker investeerde in 2024 een recordbedrag van 35 miljoen euro in wetenschappelijk onderzoek. Het doel? Toewerken naar een wereld waarin kanker niet langer een doodvonnis betekent.
Het voorbije jaar ondersteunde de Stichting tegen Kanker maar liefst 68 wetenschappelijke projecten in de strijd tegen kanker. Een van die projecten is dat van professor Diether Lambrechts (KU Leuven) die met zijn team werkt aan een gepersonaliseerd mRNA-vaccin tegen leverkanker. Dit therapeutische kankervaccin is een doorbraak die hoop biedt voor patiënten. Deze behandeling is niet volledig nieuw. In de Verenigde Staten investeren de overheid en softwarebedrijf Oracle 500 biljoen dollar in onderzoek naar de inzet van artificiële intelligentie om kanker aan te pakken. Een vijfde van dat budget gaat naar kankerdetectie gekoppeld aan mRNA-vaccinatie.
Het project van professor Lambrechts levert een bijdrage aan iets waar wereldwijd aan gewerkt wordt. Het omvat twee luiken. Enerzijds is er de ontwikkeling van het vaccin zelf. Dat gebeurt door kleine mRNA-fragmenten te isoleren en tot expressie te brengen in de cellen. Zo wordt gekeken welke mRNA-delen herkend worden en toegepast kunnen worden in het vaccin. Daarvoor werkt de KU Leuven samen met de UGent, het UZ Gent en het UZ Leuven. In Leuven worden de antigenen geïdentificeerd, in Gent wordt het vaccin ontwikkeld en in UZ Leuven loopt vervolgens de klinische studie TWISTVAX-01 bij patiënten met leverkanker. Het tweede deel van het project heet TWISTAR en bekijkt de specifieke activatie van CD4+T-cellen om het effect van een mRNA-vaccin te versterken.
Podcast Bloed, zweet en afhaken
In een nieuwe podcast Bloed, zweet en afhaken praten drie laatstejaarsstudenten verpleegkunde aan de Odisee hogeschool in Aalst over waarom studenten de opleiding verlaten. Verspreid over vijf afleveringen gaan ze in gesprek met docenten, zorgprofessionals en studenten. Ook Robbe Van Leemput, voorzitter van de werkgroep Studenten Verpleegkunde, komt aan het woord. Het doel van de podcast? Anderen inspireren met inzichten, tips en gesprekken om zo de uitstroom te verlagen. Je beluistert de podcast via Spotify.
NETWERK VERPLEEGKUNDE neemt afstand van X
NETWERK VERPLEEGKUNDE neemt afstand van X
Net zoals heel wat andere partijen en media neemt ook NETWERK VERPLEEGKUNDE afstand van het socialenetwerkplatform X. Ons profiel en de berichten zal je blijven terugvinden, maar voortaan zullen geen nieuwe tweets de wereld ingestuurd worden. Die keuze maken we, ondanks onze uitgebreide lijst aan volgers, zeer bewust. Het platform is in strijd met onze eigen waarden. Er moet ruimte zijn voor discussie en voor gesprek, maar dat moet altijd gebaseerd zijn op feiten. Het stimuleren van fake news en het verspreiden van desinformatie zijn in strijd met waar we als beroepsorganisatie en als beroepsgroep voor staan. Je kan ons altijd blijven bereiken via onze website en via andere kanalen.
Drie nieuwe adviezen van de FRV
Drie nieuwe adviezen van de Federale Raad voor Verpleegkunde
De Federale Raad voor Verpleegkunde (FRV) publiceerde aan het begin van 2025 drie nieuwe adviezen voor de minister van Volksgezondheid. Het gaat concreet over het beroeps- en competentieprofiel van zowel de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) en de verpleegkundig specialist, als een advies over de beoordeling van de complexiteitsgraad van verpleegkundige zorg.
Het eerste advies van de FRV rond het beroeps- en competentieprofiel van de VVAZ stelt aanpassingen voor aan de deelcompetenties en gedragsindicatoren met betrekking tot geneesmiddelen en gezondheidsproducten voorschrijven; laboratoriumanalyse, bloedafname of staalafneming en collectie van secreties voorschrijven; de delegatie van verpleegkundige activiteiten aan de zorgkundige; de samenwerking met de basisverpleegkundige; de delegatie van de technisch-verpleegkundige verstrekkingen aan een gezondheidszorgberoep in het kader van een gestructureerd zorgteam en de toestemming om technisch verpleegkundige verstrekkingen aan een mantelzorger of een bekwame helper te geven.
Door de recente wijzigingen aan de wetgeving mag de basisverpleegkundige minder complexe zorgen toedienen binnen het gestructureerde zorgteam, in samenwerking met de VVAZ. Die VVAZ maakt de initiële inschatting over wat als complexe zorg beschouwd kan worden. De FRV formuleert nu een concreet advies over wat complexe zorgen zijn en wat niet. Ze vragen dat de minister van Volksgezondheid daarvoor het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) inschakelt om een complexiteitschaal van verpleegkundige zorg op te stellen zodat zorg voor patiënten gedefinieerd kan worden volgens het niveau van de beroepen of functies en de mate van complexiteit van de situatie voor verpleegkundige zorg. In afwachting van die schaal wijst de FRV op het belang van het klinische oordeel van de VVAZ. De FRV voorziet wel in een lijst die de VVAZ hierbij ondersteunt. Die lees je in het advies.
Tot slot is er het beroeps- en competentieprofiel van de verpleegkundig specialist, dat het goedgekeurde profiel van 2017 en 2018 vervangt. Een erkenning als verpleegkundig specialist ontvang je op basis van algemene criteria: een diploma of titel als VVAZ, een masterdiploma in de verplegingswetenschap en een bewijs van tewerkstelling de laatste vijf jaren voorafgaand aan de datum van de erkenningsaanvraag voor minstens 3.000 effectieve uren binnen een bepaalde zorgcontext of specialisatie als VVAZ in de verpleegkundige zorg.
Het volledige advies over de VVAZ raadpleeg je hier. Het advies over de beoordeling van de complexiteitsgraad van verpleegkundige zorg vind je hier. Je leest hier het advies over het functie- en competentieprofiel van de verpleegkundig specialist.
Nieuw rapport: Verpleegkundigen op de arbeidsmarkt 2022
Nieuw rapport: Verpleegkundigen op de arbeidsmarkt 2022
De Planningscommissie Medisch Aanbod geeft een nieuw rapport vrij over verpleegkundigen op de arbeidsmarkt in 2022. Dit verslag analyseert de resultaten van de gegevenskoppeling met verschillende bronnen: de federale databank van de beoefenaars van de gezondheidszorgberoepen (Kadaster), het RIZIV en het Datawarehouse arbeidsmarkt en sociale bescherming. Zo geeft het meer inzicht in de activiteit van verpleegkundigen in 2022, met een gedetailleerde beschrijving van hun leeftijd, geslacht, gewest, gemeenschap, diploma, sector, beroepsstatus, …
In 2022 bedroeg het aantal beroepsbeoefenaars in totaal 228.251 verpleegkundigen. Daarvan was 86 procent vrouw. Het totaal is een lichte stijging van twee procent ten opzichte van 2021, maar niet voldoende om het aantal verpleegkundigen te compenseren die dat jaar de zorgsector verlieten. Kijken we naar het aantal actieve beroepsbeoefenaars, dan komen we uit op 154.010 verpleegkundigen in België tijdens 2022. Dat is een zeer kleine toename van 0,6 procent ten opzichte van het vorige jaar. Zo’n 78 procent werkte in 2022 als loontrekkende, 13 procent als zelfstandige en 10 procent combineerde beide statuten. In de Belgische gezondheidszorgsector waren dat jaar 134.496 verpleegkundigen actief. De meeste daarvan (78.286) in ziekenhuizen, 25.256 verpleegkundigen in de thuiszorg, 23.307 in de rust- en verzorgingstehuizen en 14.285 verpleegkundigen in de sector maatschappij en gezondheid. Per 10.000 inwoners waren er 115 verpleegkundigen beschikbaar. Dit cijfer daalt voor het tweede jaar op rij.
Waarom het verpleegkundige departement in handen moet zijn en blijven van verpleegkundigen
Veranderingen zijn soms noodzakelijk. Alvorens ze te ontwerpen en toe te passen is het van belang te weten hoe zaken in het verleden zijn gegroeid tot wat ze vandaag zijn. Het geeft ons inzichten en kennis om de slaagkansen van eventuele actualisaties en veranderingen te vergroten. Daarom vroeg Netwerk Verpleegkunde aan Anita Simoens-DeSmet haar inzichten en kennis te delen.
Op 20 december 2024 was het vijftig jaar geleden dat de wet op de uitoefening van de verpleegkunde unaniem werd gestemd in het federaal parlement. Het gaf verpleegkundigen een eigen statuut, met waardering voor hun beroep en autonomie ten opzichte van andere gezondheidszorgberoepen. Bovendien bouwde de wetgever voorwaarden in deze regelgeving in als kwaliteitswaarborg voor de zorg. Vandaag ligt een advies op de tafel van de Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) die dat statuut dreigt te ondermijnen.
Anita Simoens-DeSmet is verpleegkundige van opleiding, maar mag zich ere-adviseur-generaal bij de FOD Volksgezondheid noemen na een lange en impactvolle carrière bij diezelfde overheidsdienst. Zo bouwde ze de fundamenten van wat verpleegkunde vandaag wettelijk en inhoudelijk Is. “Ik startte in 1967 als ambtenaar bij het Ministerie van Volksgezondheid, vandaag heet dat de FOD. Ze brachten mij met mijn verpleegkundige kwalificatie onder bij het bestuur van de verzorgingsinstellingen om onder meer het tekort aan verpleegkundigen aan te pakken”, vertelt Anita Simoens-DeSmet “Dat tekort is mijn volledige loopbaan lang een actueel thema geweest.” De toenmalige minister van Volksgezondheid wilde in 1967 via een volmachtwet de uitoefening van de geneeskunde, de artsenijbereidkunde en de gezondheidszorgberoepen regelen. Dat werd gepubliceerd in het koninklijk besluit 78, goedgekeurd op 10 november 1967. In dat KB werden de gezondheidszorgberoepen: de kinesitherapeuten, diëtisten, logopediste, ergotherapeuten en ook de verpleegkundigen tot één groep geclusterd. Aan deze cluster wilde de minister de Hoge Raad voor de paramedische beroepen koppelen, waarin van elke beroepsgroep één vertegenwoordiger aanwezig zou zijn. Verpleegkundigen waren op dat ogenblik, zoals nu, in aantal de grootste groep en zouden op die manier ondervertegenwoordigd zijn. Verder kregen verpleegkundigen door deze cluster ook geen enkele autonomie in hun eigenheid ten opzichte van anderen, waaronder artsen, toegekend. Dit lokte een hevige en terechte reactie uit bij de beroepsorganisaties van verpleegkundigen verenigd in de AUVB. De artsen hadden zelf geen bezwaar tegen deze cluster omdat ze op die manier hun exclusieve bevoegdheid voor de totaliteit van alle zorgverlening bekrachtigd zagen. Dat de paramedici inclusief de verpleegkundigen in de Hoge Raad voor de paramedische beroepen onderling hun belangen moesten uitvechten werd door hen niet erkend als een toekomstig probleemgebied. Verpleegkundigen zagen op dat moment heel duidelijk in dat zij werden beschouwd als een ondergeschikte hulp en niet als een waardevolle partner in de zorg. Het KB 78 versterkte deze visie.
Een sterker verpleegkundig korps
Het goedkeuren van het KB 78 was buiten de moed en de werklust van vier clevere dames gerekend. “Dat waren vertegenwoordigsters van de beroepsorganisaties ACN, FNIB, NVBV en het toenmalige NVKVV met Ghislaine Van Massenhove. Na de publicatie van het KB 78 verzetten deze voorzitsters in gemeenschappelijk overleg bergen werk, met onderhandelingen om deze regelgeving een halt toe te roepen. Voor de verpleegkundige component wilden ze een waardig en verantwoord alternatief in het voordeel van de verpleegkundige zorgverlening aan de bevolking uitwerken. Het valt te beklemtonen dat de diploma’s in de verpleegkunde vanaf 1957 volledig geïntegreerd waren in het schoolse systeem, hetgeen een bijkomende kwalitatieve waarborg gaf en een meetpunt van wat het niveau en de inhoud van de opleidingen gaf ten opzichte van andere en soortgelijke opleidingen”, zegt Anita Simoens-DeSmet. “Voordien stond het verpleegkundige onderwijs onder de bevoegdheid van volksgezondheid en niet van onderwijs. Dat wil zeggen dat vanaf 1957 de eerste studenten verpleegkunde hun opleiding startten in opleidingsinstituten erkend door het departement Onderwijs. Dat gaf de verpleegkundige diploma’s een schoolse waarde, belangrijk in het kader van aanvullende opleidingen op het hoogste onderwijsniveau. Dat bracht meteen een kentering mee. Het verpleegkundige korps werd inhoudelijk sterker, het aantal werd selectief gekozen vanuit een minimale schoolse vooropleiding en verpleegkundigen profileerden zich als sterk geschoolde helpers van de artsen.”
Er volgden jaren van hard werk voor en achter de schermen om deze erkenning te beitelen in een nieuwe wet. Met dat doel werden verpleegkundigen gemobiliseerd om zich te verenigen. Hun labeur wierp vruchten af, want de wet van 1974 kreeg een unanieme goedkeuring in het parlement. “Op dat moment had vooral de bevolking heel veel sympathie voor verpleegkundigen. Een beetje zoals wij recent meemaakten met de coronapandemie. In de loop van de geschiedenis stellen we vast dat in de naoorlogs periodes wereldwijd er altijd veel respect wordt opgebracht voor wat verpleegkundigen doen in extreem moeilijke situaties. Dat is goed, want verpleegkunde is nog steeds een beroep met hoofdzakelijk vrouwen. Zij hebben van nature minder neiging om zichzelf te profileren. Zij maken zichzelf onvoldoende zichtbaar, zowel in het verleden als in het heden.” Net daarom benadrukt Anita Simoens-De Smet het belang van de wet van 1974. “Het geeft ons een statuut, niet als erkenning voor onszelf, wel om beter ons werk te kunnen doen. De wet omschrijft de verpleegkunde in drie luiken, met als eerste de basiszorg en de knowhow van elke verpleegkundige. Daarnaast heb je de verpleegtechnische handelingen of B-handelingen die eigen zijn aan het verpleegkundige beroep. Tot slot zijn er de medisch-toevertrouwde handelingen, op voorschrift van een arts. Die kennen we vandaag nog steeds als de C-handelingen.”
Van verpleegkunst naar verpleegkunde
Even belangrijk als het statuut van verpleegkunde in de wet van 20 december 1974 is de evolutie van verpleegkunst naar verpleegkunde. “Kunst is geëvolueerd naar kunde. Je maakt een shift van denken dat je het goed doet naar goed doen op basis van wetenschappelijke evidentie”, licht Anita toe. “Daarnaast staat in de wet dat je een diploma en dus bekwaamheid nodig hebt om dit te doen. Ook deden erkenningen zoals de bijzondere beroepstitels en beroepskwalificaties hun intrede, net zoals de MVG’s of de Minimale Verpleegkundige Gegevens, nu een onderdeel van de ziekenhuisgegevens. De workload van verpleegkundigen werd zo duidelijker weergegeven en kon zo ook geëvalueerd en verantwoord worden. Er kwamen daarnaast officiële organen eigen aan de verpleegkunde zoals de Federale Raad voor Verpleegkunde en de Technische Commissie Verpleegkunde om het beroep te vertegenwoordigen en te bepalen wat exact nodig is om de verpleegkunde kwalitatief uit te oefenen.”
Zo komen we bij wat vandaag op tafel ligt. Ook voor de ziekenhuizen bestaat er een Federale Raad om de minister te adviseren in beleidskeuzes. De Federale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen (FRZV) formuleerde in 2024 een advies over de erkenning van de verpleegkundige structuur als onderdeel van een globale adviesvraag over “erkenningen in cascade”. Het doel van dit advies is onder meer om de normen binnen het verpleegkundige departement flexibeler te omschrijven, formuleringen te actualiseren en verantwoordelijkheden duidelijker te benoemen. Daarbij wordt gesteld dat een “verpleegkundig directeur” ook “directeur patiëntenzorg” zou kunnen worden genoemd. Maar ook dat de functies van verpleegkundig diensthoofd en hoofdverpleegkundige ingevuld kunnen worden door iemand die “qua profiel en bijhorende diploma(s), mits motivatie, afwijkend kan zijn van deze van een verpleegkundige”.
Kan en is dit wenselijk? Ziekenhuizen moeten naast de kwalitatieve patiëntenzorg oog hebben voor hun bedrijfsmatigheid. Een gezond principe dat voortdurend uitnodigt tot nadenken over o.m. nieuwe werkmethodes en –vormen. Het verpleegkundig departement is één van de belangrijkste kostenplaats in het kader van de ligdagprijs. Dat op dat vlak nieuwe ideeën opduiken lijkt een normale zaak maar willen ze een waardig alternatief zijn dan zal dat nog moeten blijken uit verder onderzoek en een toets aan de huidige wetgeving conform de beroepsnoden. Terloops maar niet onbelangrijk staat op dat vlak België model voor andere landen die benijdenswaardig kijken naar de structuren en verpleegkundige processen die maken dat we aan de professionele top staan. Bovendien grijpt de WHO graag naar het Belgisch model als voorbeeld van hoe het zou moeten.
Vertrekken vanuit de basis
Vanuit de wet op de uitoefening van de verpleegkunde van 1974 groeide later een aanpassing van de ziekenhuiswet die vervolledigd werd met een hoofdstuk over de structuur van het verpleegkundige departement, met onder meer duiding van de verpleegkundige kaders en de functieomschrijving van de verpleegkundige titularissen. Dit hoofdstuk loopt evenwijdig met de structurering van het medische departement. Het hoeft geen betoog dat het medische en het verpleegkundige departement, afzonderlijk en in onderlinge samenwerking, pijlers zijn en blijven voor een kwalitatieve zorgverlening zelfs als er in cascade gewerkt zou worden.
“Ik mocht in samenwerking met het toenmalige kabinet van de minister van Volksgezondheid meehelpen aan de totstandkoming van deze wetgeving”, zegt Anita Simoens-DeSmet. “Als ik vandaag de situatie van de verpleegkunde bekijk tegenover aan de start van mijn loopbaan dan zie ik een duidelijk verschil. In 1970 was er een algemeen tekort aan verpleegkundigen ter hoogte van de diverse geledingen, gaande van directeurs verpleegkunde tot op de werkvloer. Vandaag ligt dat totaal anders. Door de voortgezette schoolse opleidingen beschikken we over goed opgeleide leidinggevende verpleegkundigen met bekwaamheden in hun leidinggevende verpleegkundige functies. Spijtig genoeg worden zij te vaak en vooral onterecht ingezet voor administratieve functies die niet tot de hoofdverpleegkundige competenties behoren, met alle gevolgen van dien. Hierover is voldoende wetenschappelijke literatuur beschikbaar. Dit is volgens mij ook het inhoudelijke luik dat in het advies van de FRZV ontbreekt.”
Of het werken in cascade ons naar de integratie van houders van andere diploma’s – al dan niet in de gezondheidszorg – binnen de functie van de hoofdverpleegkundige en de verpleegkundige diensthoofden moet leiden, kan in vraag gesteld worden. “Er is mij daarover geen wetenschappelijke evidentie bekend. Integendeel, de WHO en de Magnet-ziekenhuizen zien de verpleegkundige als coördinator van de totaalzorg door de permanente aanwezigheid bij de patiënt, 24 uur per dag en zeven dagen op zeven. Of de integratie moet gebeuren in het kader van het verpleegkundige departement en of de outcome ervan een economische en kwalitatieve meerwaarde zal betekenen, moet onderzocht worden. Zeker ook in het licht van het huidige juridische gegeven dat verpleegkunde een beschermd beroep is dat zich verantwoord via diverse instrumenten. Verpleegkundige directies zijn dermate breed opgeleid dat dit hen in staat stelt zelfs leiding te geven aan niet-verpleegkundigen als dit de kwaliteit van de verpleegkundige zorg dient.”
Niet nodeloos veranderen
Dat we in een complexe maatschappij en in een even ingewikkeld zorglandschap zitten, hoeven we niet langer te vertellen. Dat de energie van de verpleegkundigen vooral moet ingezet worden waar die nodig is, des te meer. Anita Simoens-DeSmet: “Je hebt hiervoor drie zaken nodig: structuur, processen en attitudes. De wetgeving is er, die biedt structuur en een houvast voor iedereen dus waarom zou daar moeten aan gesleuteld worden? Het proces wordt voortdurend bewaakt en desgewenst bijgestuurd via wetenschappelijke bevindingen voor zover dit noodzakelijk is. De attitude om zich te verantwoorden is er en de houding om eraan te werken en te actualiseren op basis van nieuwe managementvormen behoort zeker tot de mogelijkheden, maar dan in het respect van de wettelijke en professionele rol van de verpleegkundigen in het kader van de eigenheid van dat beroep.”
Verduidelijkende tabel voor verpleegkundige leerladder
De FOD Volksgezondheid publiceerde een overzichtsdocument met een tabel waarin de activiteiten van de zorgkundige, de basisverpleegkundige, de verpleegkundige verantwoordelijk voor algemene zorg en de verpleegkundig specialist duidelijk opgesomd worden. Deze worden gekoppeld aan een heldere en juridisch correcte uitleg over hoe deze zorgprofielen zich ten opzichte van elkaar verhouden. Je raadpleegt het document hier.