Driedaagse opleiding infectiepreventie gaat van start

Deze maand starten de eerste opleidingsdagen voor referenten infectiepreventie. Deze opleiding is het resultaat van de samenwerking tussen de Werkgroep Infectiebeheersing (WIN) van NETWERK VERPLEEGKUNDE en IPC professionals uit verschillende zorginstellingen, leden van het Hospital Outbreak Support Team (HOST) en medewerkers van het Departement Zorg.  

In 2024 startte het BAPCOC Support Team (Belgische Commissie voor de Coördinatie van het Antibioticabeleid) een evaluatieproject, in het kader van het Nationaal Actieplan Antimicrobiële Resistentie (NAP AMR). Het doel van deze evaluatie is om onderbouwde aanbevelingen te formuleren voor de optimalisatie van het nationale Infection Prevention and Control (IPC)-programma. Om opportuniteiten te detecteren is een goed zicht op de huidige situatie essentieel. Om dit mogelijk te maken werd er als onderdeel van de evaluatie een uitgebreide enquête gebruikt. Deze enquête werd ontworpen in samenwerking met de drie beroepsassociaties: de Werkgroep Infectiebeheersing van NETWERK VERPLEEGKUNDE (WIN), de Association Belge des Infirmiers en Hygiène Hospitalière (ABIHH) en de Belgian Infection Control Society (BICS).  Deze enquête was opgebouwd om de personeelsbezetting en de activiteiten van IPC-teams in de Belgische ziekenhuiscontexten in kaart te brengen, samen met bestaande noden en knelpunten.

Referenten infectiepreventie

De enquête behaalde een responsgraad van 87 procent (op een totaal van 104 ziekenhuizen). We zoomen hierbij graag in op het onderdeel rond de situatie van de referenten infectiepreventie. “De meerderheid van deze referenten had een verpleegkundige achtergrond. In zeven centra ging het om verpleegkundigen met een HBO5-opleiding. Een aantal zorginstellingen had dan weer referenten die uit andere disciplines komen, zoals de paramedische sector, logistiek, radiologie of de verloskunde”, schetst Camelia Bogaert, voorzitter van de WIN, de resultaten.

Naast de achtergrond van de referenten infectiepreventie werd er ook naar de huidige en wenselijke takenverdeling, en naar het opleidingstraject dat ze doorliepen gevraagd. Uit de resultaten bleek dat de opleidingstrajecten sterk verschillend zijn. Naast interne opleidingen, zoals e-learningmodules en workshops, volgden sommige referenten externe vormingen, zoals de opleiding voor ‘Referent in infectiepreventie’ aan de Erasmus Hogeschool. Opvallend genoeg stelden zeven respondenten dat er voor de referenten binnen hun instelling geen formele opleiding werd voorzien. De nood aan een uniform opleidingsbeleid was duidelijk, zowel inhoudelijk als wat het aantal voorziene opleidingsuren betreft.”

Naar een gefundeerde basisopleiding

De WIN organiseerde in het verleden al opleidingen voor referenten infectiepreventie, zowel centraal in Brussel als lokaal in ziekenhuizen en woonzorgcentra. Tijdens de covidpandemie kwam dit aanbod echter stil te liggen. De daaropvolgende jaren kwamen er vanuit verschillende hoeken herhaaldelijk vragen om de opleiding opnieuw op te starten.

Op basis van de recente bevraging nam de WIN het initiatief om een vernieuwde basisopleiding te ontwikkelen. In januari 2024 startte Camelia een overleg met infectiepreventie-experten uit diverse zorginstellingen en HOST-netwerken (Hospital Outbreak Support Team, nvdr.). In een latere fase zijn medewerkers van het Departement Zorg uitgenodigd om mee het concept vorm te geven. “Door al die experten samen te zetten en de nieuwe opleiding vanuit verschillende perspectieven te bekijken, zijn we erin geslaagd een breed gedragen programma op te stellen waarmee we hopen te voldoen aan de noden van de referenten infectiepreventie”, benadrukt Camelia.

Het opleidingsconcept werd grondig uitgewerkt. Naast regelmatige overlegmomenten boden zowel een vragenlijst – die organisatorische knelpunten in kaart bracht – als de feedback van deelnemers aan de studiedag voor referenten tijdens de Week van de Verpleegkunde waardevolle input voor het verder verfijnen van de nieuwe opleiding.

Drie opleidingsdagen, in een haalbaar tempo

Het resultaat van deze denkoefening is een driedaagse basisopleiding, verspreid over drie maanden. Door de opleidingsdagen te spreiden, komt de WIN tegemoet aan de bezorgdheid van zorginstellingen over de haalbaarheid van langere opleidingen, zeker in tijden van personeelstekorten. Een halve terugkomdag op ziekenhuisniveau is optioneel.

Naast referenten uit acute ziekenhuizen richt deze opleiding zich ook naar referenten uit woonzorgcentra. Rekening houdend met de verschillen tussen deze twee doelgroepen zullen bepaalde onderwerpen in parallelle sessies aangeboden worden om beter in te spelen op hun respectieve noden.

De opleiding wordt georganiseerd op provinciaal niveau, om de lokale expertise te benutten en de continuïteit te garanderen. Op deze manier is deze opleiding ook gemakkelijk bereikbaar voor de deelnemers. “Samenwerking is een kernwoord”, zegt Camelia. “Indien nodig kunnen lesgevers vanuit nabijgelegen provincies ondersteuning geven. Zo combineren we efficiëntie met duurzaamheid en versterken we tegelijk het IPC-netwerk in Vlaanderen. De samenwerking uit zich ook in een gedeelde digitale map, waarin alle opleidingsmaterialen zullen gebundeld worden. Met deze aanpak zetten we samen een belangrijke stap voor de gestandaardiseerde en kwalitatieve opleiding voor referenten infectiepreventie.”


Nieuwe wetgeving dringt functiedifferentiatie op

Hoe kunnen we de zorg beter organiseren en verpleegkundigen optimaal inzetten volgens hun competenties? Deze vragen bepaalden mee de contouren van de nieuwe visie op verpleegkunde, die oproept tot functiedifferentiatie. Wij spraken met Solange Indenkleef, directeur zorg van het Wit-Gele Kruis Limburg en provinciaal coördinator van het consortium Limburg, over de impact van de nieuwe wetgeving op de thuisverpleegkunde. Samen met het Wit-Gele Kruis Limburg zette ze een systeem met wijkteams op poten om in te spelen op het bewegende zorglandschap. “Er zijn al mooie stappen gezet, maar we zijn er nog niet.”

Het consortium Limburg ontstond tijdens de coronacrisis als een samenwerking tussen acht zorgorganisaties. Wat begon als een ad hoc-oplossing van de overheid om de zorg draaiende te houden, groeide uit tot een structureel model. “De crisis was slechts een katalysator. De onderliggende problematieken, zoals personeelstekorten en complexe regelgeving, bleven bestaan. Reden te meer om de krachten te blijven bundelen”, zegt Solange.

Een belangrijk speerpunt van het consortium is kennisoverdracht. Zo merkten ze dat nieuwe beleidsinformatie moeilijk doorstroomde naar de grote groep thuisverpleegkundigen. Via opleidingen en webinars bereikt die informatie de doelgroep nu wel. Bovendien kijkt het consortium niet alleen naar de uitdagingen van nu, maar ook naar die van de toekomst. “We voerden al hervormingen door op basis van de noden binnen het netwerk Limburg. Aan ons nu om de nieuwe regelgeving in dit nieuwe model in te passen.”

De functieladder: een nieuwe kijk op totaalzorg

“Al zolang ik me herinner staat de taakverdeling tussen HBO5- en bachelorverpleegkundigen ter discussie”, begint Solange. “In de praktijk voeren ze vaak dezelfde handelingen uit, ondanks hun verschillende statuut. De functieladder brengt daar nu verandering in. Voor het eerst is er een strikter onderscheid tussen de basisverpleegkundige en de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ).” Daar waar de VVAZ autonoom mag handelen in complexe situaties, kan de basisverpleegkundige dat niet langer. Concreet betekent dit dat de basisverpleegkundige alle C-handelingen nu aan de VVAZ moet overlaten. Bovendien zijn bepaalde handelingen, zoals intermittent sonderen, voor een basisverpleegkundige een B2-handeling en voor een VVAZ een B1-handeling. “De rol van de basisverpleegkundige wordt ingeperkt, waardoor die altijd zal moeten samenwerken met een VVAZ of arts in complexe situaties.”

Tegelijkertijd opent de functieladder nieuwe deuren. Zorgkundigen kunnen thuisverpleegkundigen voortaan ondersteunen bij alledaagse taken zoals hygiënische zorgen, wat ademruimte biedt. “Toch zullen we als thuisverpleegkundigen moeten leren loslaten”, waarschuwt de coördinator. “We zijn het gewoon om alles voor de zorgvrager te doen en dat siert ons. Dit is dan ook geen pleidooi tegen totaalzorg. Alleen hoeven we niet alle zorgen zelf uit te voeren.” Daarnaast creëert de introductie van de verpleegkundig specialist (masterniveau) en de klinisch verpleegkundig onderzoeker (doctoraatsniveau) nieuwe carrièremogelijkheden binnen de verpleegkunde. Zo worden talenten en competenties optimaal ingezet. “Je kan de functieladder opklimmen. De juiste persoon op de juiste plaats.”

Hoewel de ladder tal van opportuniteiten brengt, vraagt die tegelijk om een doordachte organisatie en nauwe samenwerking. Door de nieuwe regelgeving dringt een herstructurering zich op. Het Wit-Gele Kruis Limburg gaf alvast het goede voorbeeld met de introductie van wijkteams, een eerste poging om tot een gedifferentieerde en nauwere samenwerking met alle zorgorganisaties te komen. Solange: “Eén wijkteam bestaat uit zeven à acht verpleegkundigen die verantwoordelijk zijn voor honderd patiënten. Elke cluster van drie wijkteams wordt aangestuurd door een VVAZ-verpleegkundige, in de rol van wijkteamcoach. Deze coach heeft zowel een coördinerende als een klinische functie: die evalueert complexe zorgsituaties, begeleidt het team in de zorgverlening en garandeert een vlotte communicatie. Na een succesvolle testfase is dit model inmiddels uitgerold in alle afdelingen van het Wit-Gele Kruis Limburg. De evaluaties zijn bijzonder hoopgevend.”

Een wettelijk kader voor ADL en bekwame helper

Naast de functieladder schept de WUG-wetgeving nu ook een wettelijk kader voor assistenten bij Activiteiten uit het Dagelijkse Leven (ADL). “Wat in de praktijk al gebeurde, wordt nu eindelijk bij wet vastgelegd”, stelt Solange. Ondersteuners zonder medische achtergrond mogen nu in niet-complexe situaties basiszorg verlenen. Dit omvat onder andere medicatietoediening, hygiënische zorg en metingen. “Met andere woorden: de buurvrouw mag nu wel medicatie geven aan mijn zieke moeder zonder tussenkomst van een thuisverpleegkundige.”

Vooral in woonzorgcentra, waar het personeelstekort nijpend is, brengt deze maatregel verlichting. Toch blijft kwaliteitsbewaking een belangrijk aandachtspunt. “Je kan wel iemand aanleren hoe die een patiënt hygiënisch verzorgt, maar als verpleegkundige grijp je zo’n momenten aan om de gezondheidstoestand van de patiënt te screenen. Die klinische blik ontbreekt vaak bij ADL-ondersteuners. De uitdaging ligt in het garanderen van de zorgkwaliteit zonder de autonomie van deze zorgondersteuners te ondermijnen.”

De bekwame helper wordt eveneens verankerd. Dit koninklijk besluit stelt niet-gezondheidszorgbeoefenaars in staat om één specifieke verpleegkundige taak uit te voeren bij één specifieke persoon in een vaste context. Denk aan een leerkracht die insuline toedient aan een leerling. “Zo hoeft een thuisverpleegkundige niet speciaal tijdens de schoolpauzes langs te komen”, verduidelijkt Solange. Dit vereist extra opleiding en ondersteuning. “De zorgkwaliteit moet altijd gewaarborgd blijven. De taken verschuiven, maar de verantwoordelijkheid niet”, drukt ze op het hart. Het consortium ziet dit als een kans om de druk op de zorg te verlichten en de competenties van verpleegkundigen optimaal in te zetten. Tegelijkertijd benadrukt het de noodzaak van een duidelijke afbakening van verantwoordelijkheden en opleidingstrajecten.

Iedereen mee op de kar krijgen

De grootste uitdaging? “De thuisverpleegkundigen meekrijgen in dit verhaal”, zegt Solange resoluut. “Waarom veranderen als het systeem prima werkt? Maar als de context verandert en je blijft vastklampen aan oude gewoontes, loopt het mis. Helaas moeten ze dat vaak eerst zelf ervaren vooraleer ze ervoor openstaan.” Het Wit-Gele Kruis Limburg is daar het beste bewijs van.  Daar was de schaarste bij het zorgpersoneel zo groot dat de wijkteams met open armen ontvangen werden. De sleutel tot succes ligt volgens Solange in goede begeleiding en opleiding om de transitie te laten slagen. “Investeren is de boodschap, maar daar wringt in België nog te vaak het schoentje. We moeten deze uitdaging aangaan en durven springen. Hopelijk volgen de middelen ook.”

Verder blijft de definitie van complexe zorg een heikel punt. “Wat is complex en wat niet? Daar is nog veel onduidelijkheid over. En ik mis soms de onderbouwing waarom bepaalde handelingen onder B1 of B2 vallen. Sommige classificaties doen mijn wenkbrauwen fronsen”, zegt Solange. Tot slot is de samenwerking tussen het RIZIV en de overheid een voortdurende uitdaging. “Voor B2-handelingen is een voorschrift nodig, maar voor B1 niet. Zolang voorschriften nodig zijn voor terugbetalingen, moeten die twee instanties blijven overleggen.”

Voor Solange is het duidelijk: de drempels moeten overal omlaag. “Anders krijg je thuisverpleegkundigen onmogelijk mee op de kar. De nieuwigheden in de wetgeving zijn een grote stap vooruit, maar de echte uitdaging ligt in de implementatie ervan.”

De functieladder

  • Niveau 4: zorgkundigen
  • Niveau 5: basisverpleegkundigen
  • Niveau 6: verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg (VVAZ)
  • Niveau 6: gespecialiseerde verpleegkundigen
  • Niveau 7: verpleegkundig specialisten
  • Niveau 8: klinisch verpleegkundig onderzoeker

Wat is het Consortium Thuisverpleging Limburg?

Tijdens de coronacrisis bundelden verschillende thuisorganisaties in Limburg hun krachten binnen het Consortium Thuisverpleging Limburg om cohortzorg te organiseren en triage- en vaccinatiecentra te ondersteunen.

Nu zetten ze deze samenwerking verder onder de vlag van het NPTV ( Nederlandstalig Platform voor Thuisverpleegkundigen). Het Consortium streeft naar een efficiënte informatiedoorstroming, maximale ondersteuning voor thuisverpleegkundigen en een signaalfunctie voor noden in de sector. Zo organiseerden ze een webinar over de nomenclatuur wondzorg, tweemaal een HomeCARE-event en opleidingen rond thuishospitalisatie.

Elke eerstelijnszone (ELZ) heeft een verantwoordelijke die in contact staat met de zorgraad, wat de samenwerking versterkt. Deelnemende partners zijn Altrio, Care-Support, CT-Paramedics & Zorgconnect, i-Mens, Mederi, OptiCare, VP Plus en Wit-Gele Kruis Limburg.  Voor vragen kan je terecht bij provinciaal coördinator Solange Indenkleef via solange.indenkleef@limburg.wgk.be .


Hoe vertaalsoftware een doorbraak betekent voor anderstalige thuisverpleegkundigen

Kunnen vertaalsoftware en het snelle 5G-netwerk meer arbeidsmogelijkheden creëren voor anderstalige thuisverpleegkundigen? Dat onderzocht zorgorganisatie i-mens samen met Orange en imec-SMIT van de VUB. De eerste resultaten zijn alvast veelbelovend.  

Communicatie binnen de zorg is cruciaal. Zeker bij thuisverpleegkundigen. Maar wat als de taalbarrière te groot is? Bij i-mens werken 10.000 mensen, waarvan 600 anderstaligen die geen gemeenschappelijke taal delen met hun leidinggevende of klanten. Net omdat i-mens inclusie en welbevinden hoog in het vaandel draagt, ging de zorgorganisatie op zoek naar een oplossing. Niet alleen voor de huidige anderstalige medewerkers, ook voor potentiële kandidaten. Want het aantal anderstaligen binnen de organisatie (4 procent) ligt nog altijd een stuk lager dan het Belgische gemiddelde (15 procent) bij de beroepsactieve bevolking. Werk aan de winkel, dus. Zeker met het oog op de krappe arbeidsmarkt.

Technologie met maatschappelijke impact

I-mens sloeg de handen in elkaar met Orange en met imec SMIT – VUB Brussel. Samen ontwikkelden ze vertaalsoftware die meer doet dan enkel simultaan vertalen. Wat deze tool anders maakt dan andere vertaalapps? Door de 5G-technologie kan er een onderscheid gemaakt worden tussen soorten internetverkeer en wordt er voorrang gegeven aan een prioriteitsoproep.

Evelyn De Kesel, expert innovatie bij i-mens, licht toe: “Onlangs had één van onze poetshulpen een auto-ongeluk op weg naar haar klant. Om de verzekeringspapieren en het aanrijdingsformulier in te vullen, kon ze vlot via videocall communiceren met haar leidinggevende en snel handelen.” Door de simultaanvertaling vormt taal geen barrière meer. Zo voelt de medewerker zich geconnecteerd met de leidinggevende en dat verhoogt het veiligheidsgevoel. Tegelijk kan de medewerker de live tool gebruiken in het contact met de klant. De eerste resultaten tonen vooruitgang op verschillende vlakken. “Door de app kan ik opnieuw zelfstandiger communiceren”, zegt ook Aleksandra, poetshulp bij i-mens.

Meer diversiteit op de werkvloer

De positieve impact van spraaktechnologie reikt verder dan enkel de werkvloer. De vertaalsoftware wordt nu ingezet bij sollicitatiegesprekken, waardoor het criterium om Nederlands te spreken voor bepaalde functies is weggevallen. Dit opent de deur voor een bredere instroom van anderstalige zorgverleners en draagt bij aan een meer inclusieve en diverse sector. “We hopen dat mensen die een andere taal spreken zich sneller welkom voelen en dat we elkaar, ondersteund door technologie, vlotter begrijpen”, zegt Evelyn De Kesel.

De toekomst van zorg en communicatie

Hoewel vertaaltechnologie geen wondermiddel is, bewijst dit project dat het een krachtig hulpmiddel kan zijn om communicatiebarrières in de zorgsector te doorbreken. De groeiende ervaring met obstakels en best practices helpt i-mens en andere zorgorganisaties om de inzet van vertaalsoftware verder te optimaliseren.

Hoe dan ook: voor de zorgsector betekent dit een wereld van verschil. Niet alleen kunnen anderstalige medewerkers efficiënter communiceren met patiënten en met collega’s, ze brengen ook diverse achtergronden mee in het team. De toekomst van de zorg is digitaler en inclusiever dan ooit.


Bijscholing voor toegankelijke thuiszorg, met financiële compensatie

In hun ‘Health Professionals Report: Capacity, Accessibility and Production’ brengt het RIZIV het landschap van de verpleegkundigen in België in kaart. Het rapport analyseert onder meer de geografische toegankelijkheid en betaalbaarheid van verpleegkundige zorg. Een van de heldere conclusies: door zich te blijven bijscholen dragen thuisverpleegkundigen bij aan toegankelijke en kwalitatieve zorg in de thuiscontext. Het RIZIV zet er meteen ook een jaarlijkse bijdrage van 175 euro tegenover.

Het rapport is gebaseerd op cijfers en statistieken uit de periode 2013 tot 2023. In die tijdsspanne van tien jaar tekenden zich enkele opvallende tendensen af. In 2023 telde ons land 21.850 verpleegkundige FTE’s. Met 86 procent vrouwen blijft het een hoofdzakelijk vrouwelijk beroep. De densiteit was in Brussel het laagst, met 6,56 verpleegkundigen per 10.000 inwoners. Koploper Limburg telde dan weer ruim 33 verpleegkundigen per 10.000 inwoners, vijf keer zoveel als in de hoofdstad. In alle gewesten is de densiteit over de onderzoeksperiode wel aanzienlijk toegenomen.

Indicatoren voor toegankelijke zorg

De geografische spreiding van verpleegkundigen over België is een belangrijke factor, in het bijzonder voor de thuisverpleegkunde. Een ongelijke verdeling kan de toegankelijkheid en kwaliteit van de thuiszorg in bepaalde regio’s onder druk zetten. Extra aandacht voor de toegankelijkheid in minder dense verpleegkundige gebieden – met Brussel als koploper, gevolgd door Waals-Brabant en Antwerpen – is dus wenselijk. Ook de analyse van demografische gegevens zoals de leeftijden en genderverdeling binnen het verpleegkundige beroep biedt relevante inzichten voor een goede, duurzame planning en organisatie van de thuisverpleegkunde.

Blijven leren en evolueren

Eeuwig leren zit verpleegkundigen in het bloed. Ook als thuisverpleegkundige school je je het best regelmatig bij. Zo waarborg je mee de zorgkwaliteit in de thuisomgeving van je patiënten en speel je in op hun evoluerende behoeftes. Het RIZIV erkent het belang van bijscholing en biedt daarom een financiële vergoeding voor verpleegkundigen die opleidingen volgen. Jaarlijks kan je daarom zo 175 euro van je leerbudget terugkrijgen. Om recht te hebben op deze vergoeding moet je aan enkele voorwaarden voldoen, onder meer het ontvangen van de telematicapremie en het volgen van minimaal vijf uur erkende bijscholing per jaar.

Individuele of groepsvergoeding

Je vraagt de financiële vergoeding voor bijscholing uiterlijk op 15 september aan voor opleidingen in het voorgaande jaar. Was je in dat jaar geen lid van een dienst voor thuisverpleegkunde en had je een uniek derdebetalersnummer? Dan kan je een individuele vergoeding aanvragen. Was je wel aangesloten bij een dienst? Dan vraagt de verantwoordelijke van de dienst een groepsvergoeding aan voor de leden. De aanvraagprocedure verloopt via de webtoepassing ‘PremieAanvragen’ op ProGezondheid.

Weten of jij recht hebt op de bijscholingspremie? Ontdek het hier.


Een goede verzekering voor verpleegkundigen: geen overbodige luxe

Als verpleegkundige draag je dagelijks zorg voor anderen. Maar wat als er iets misgaat? Een fout in de medicatie, een juridisch geschil over een behandeling of zelf kampen met een langdurige arbeidsongeschiktheid kunnen grote gevolgen hebben, niet alleen voor je patiënt, ook voor jou persoonlijk. Een goede beroepsaansprakelijkheidsverzekering (BA) is daarom essentieel.

NETWERK VERPLEEGKUNDE biedt haar leden een uitgebreide BA-verzekering aan een voordelig tarief. Die dekt zowel schadeclaims als juridische bijstand. Het grote voordeel ten opzichte van andere verzekeringen? Geen vrijstelling, lage premies en maximale bescherming. Naast de BA-verzekering zijn er voor zelfstandige thuisverpleegkundigen extra voordelen, zoals een verzekerd inkomen bij arbeidsongeschiktheid en een jaarlijkse RIZIV-toelage.

Extra risico’s als zelfstandige

Zelfstandige thuisverpleegkundigen kunnen te maken krijgen met extra risico’s. Je werkt alleen, zonder directe collega’s om op terug te vallen en je hebt nauw contact met patiënten en hun familie. Dat maakt de kans op schadeclaims en juridische problemen groter. Daarnaast is er een financieel risico: als je zelf ziek wordt of een ongeval krijgt, heeft dit een impact op je inkomen. Zonder bescherming kan dit grote gevolgen hebben. Daarom biedt NETWERK VERPLEEGKUNDE niet alleen een BA-verzekering, maar ook een gewaarborgd inkomen-verzekering waarmee je jouw toekomst veiligstelt.

Uit de praktijk

Sophie is een ervaren thuisverpleegkundige. Tijdens een drukke ochtendronde verwisselt ze per ongeluk twee medicatiedosissen. Haar patiënt krijgt een te hoge dosis, met ernstige gevolgen. De familie dient een klacht in en eist een schadevergoeding. Haar BA-verzekering via NETWERK VERPLEEGKUNDE dekt deze juridische kosten en schadeclaim volledig. Sophie hoeft zelfs geen vrijstelling te betalen waardoor ze niet met bijkomende kosten hoeft af te rekenen.

Wat dan als je zelf uitvalt? Peter, een zelfstandige thuisverpleegkundige, kreeg plots af te rekenen met een hernia. Daardoor was hij enkele maanden arbeidsongeschikt en had hij geen inkomen. Hij dreigde in financiële problemen te komen. Gelukkig kon hij terugvallen op zijn gewaarborgd inkomen-verzekering. Daarmee kreeg hij een uitkering van 60 euro per dag. Dit gaf hem de tijd om te herstellen zonder financiële kopzorgen.

Slim gebruikmaken van de RIZIV-toelage

Naast de BA-verzekering en de gewaarborgd inkomen-verzekering reken je via NETWERK VERPLEEGKUNDE ook op een jaarlijkse RIZIV-toelage van 629,34 euro. Hiervoor moeten zelfstandige thuisverpleegkundigen toegetreden zijn tot de nationale overeenkomst, voldoende prestaties aanrekenen en in hoofdberoep werken. Dit bedrag kan dienen als pensioenopbouw, spaargeld met gegarandeerde rente of extra sociale zekerheid. Bovendien is er voor leden van de beroepsorganisatie een verlaagde instapkost van 1,5 procent in plaats van 4 procent, waardoor je meer overhoudt van je toelage.

Zoek je meer informatie over de verzekeringen van NETWERK VERPLEEGKUNDE? Of wil je weten welke voordelen we nog voor onze leden in petto hebben? Je vindt alle informatie hier.


Nood aan geïntegreerd zorgpad voor jongdementie

Voor thuisverpleegkundigen is het soms moeilijk om de juiste ondersteuning te bieden aangepast aan de medische noden en de levensfase waarin personen met jongdementie zich bevinden. Uit een recent rapport van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) blijkt dat een coherent zorgpad voor deze mensen ontbreekt, en dat er een tekort is aan specifieke expertise binnen de eerstelijnszorg. De onderzoekers formuleren aanbevelingen voor een betere omkadering.

Wanneer dementie optreedt voor het 65ste levensjaar, spreken we van jongdementie. De ziekte verloopt vaak vergelijkbaar met dementie op oudere leeftijd, maar brengt specifieke uitdagingen met zich mee op sociaal, financieel en professioneel vlak. Door de specifieke kenmerken van jongdementie is het relevant om voor deze aandoening een specifiek zorgpad te ontwikkelen. Met zowat 7.300 personen met jongdementie (ongeveer 4 procent van de totale groep van personen met dementie) in ons land en elk jaar ongeveer 800 nieuwe diagnoses is de bijzondere aandacht voor deze populatie zeker waardevol. In mei 2022 keurde de Kamer van Volksvertegenwoordigers een resolutie goed om zo’n zorgpad uit te werken op basis van een analyse van best practices. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) bracht de behoeften van mensen met jongdementie in kaart en definieerde de hiaten in het huidige zorgaanbod[1].

Het goede nieuws: vergeleken met de andere deelstaten heeft Vlaanderen al mooie stappen gezet op het vlak van (jong)dementiebeleid, zoals het dementieplan, dat een aantal acties voor personen met jongdementie bevat. Toch is de ondersteuning algemeen genomen erg verspreid over diverse domeinen en op verschillende niveaus. “Zodra de diagnose is gesteld, is de ondersteuning voor patiënten met jongdementie vaak versnipperd over gezondheidszorg, ouderenzorg en sociale hulp”, zo kadert het KCE de grote lijnen van de problematiek in haar rapport. “Belangrijk is dat deze personen een gecoördineerde, gepersonaliseerde zorg krijgen die gericht is op hun behoeften en problemen, en die hun actieve deelname aan de samenleving zoveel mogelijk in stand houdt.” Die zorg moet bovendien continu en aangepast zijn, en onder meer een vroegtijdige zorgplanning van het levenseinde voorzien.

De rol van mantelzorgers thuis en daar buiten

Zodra de diagnose is gesteld, is de zorg erop gericht om de autonomie en levenskwaliteit van mensen met jongdementie zo lang mogelijk te behouden. Daarom is het belangrijk dat deze personen in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven wonen. Mantelzorgers zijn in dat ideale scenario vaak een onmisbare schakel. Het hebben van een ‘ziekte voor ouderen’ die niet past bij de leeftijd en levensfase resulteert in een zware emotionele, sociale en praktische belasting voor de patiënten zelf en hun mantelzorgers/zorgverleners. Daarom is – zo stelt het KCE – het van groot belang dat het grote publiek zich bewust wordt van de ziekte en er de mogelijkheid is om in contact te komen met andere patiënten/mantelzorgers, bijvoorbeeld via zelfhulpgroepen.

“Het belang van lotgenotencontact is zowel voor de mantelzorgers als voor de personen met dementie zeer belangrijk”, pikt Jolien Van Bever in. Zij is stafmedewerker verpleegkunde verantwoordelijk voor het domein geestelijke gezondheidszorg en dementie binnen het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen en lid van de werkgroep Praktische Ethiek. “Dat komt ook naar voor uit onderzoek naar beleving van mantelzorgers en personen met dementie. Organisaties zoals het Ventiel in West-Vlaanderen en de Companjong in het Waasland zijn in het leven geroepen door gebrek aan gepaste activiteiten en nood aan lotgenotencontact voor personen met jongdementie. Het belang van deze organisaties komt naar ons gevoel te weinig aan bod in het rapport. Ze zijn nochtans fundamenteel voor het zorgpad bij jongdementie. Net zoals de stem van de personen met deze aandoening en hun omgeving. Zo is er de Vlaamse werkgroep van personen met dementie en ook een Vlaamse werkgroep van mantelzorgers van personen met dementie. Zulke werkgroepen moeten een meer vaste plaats krijgen in het beleid voor jongdementie.” Het is één van de belangrijke stappen op weg naar een geïntegreerd zorgpad voor jongdementie, dat vroegtijdige detectie mogelijk maakt, de autonomie van patiënten maximaal stimuleert en in kwalitatieve, residentiële zorg voorziet.

Raadpleeg het volledige rapport hier.

[1] Roberfroid Dominique, Christiaens Wendy, Detollenaere Jens, De Jaeger Mats, Kohn Laurence, Vos Bénédicte. Jongdementie: uitstippelen van een zorgpad in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Expertisecentrum voor Gezondheidszorg (KCE). 2025. KCE Reports 395AS.


Grotere rol voor thuisverpleegkundigen door kortere ziekenhuisopnames

De Europese gezondheidszorg kampt met structurele problemen. Het rapport Health at a Glance: Europe 2024 analyseert deze uitdagingen en vergelijkt de situatie in verschillende Europese landen. Een belangrijke bevinding is het groeiende tekort aan verpleegkundigen door vergrijzing, een stijgende zorgvraag en de uitstroom van zorgpersoneel. Hoewel België relatief goede lonen biedt, neemt de aantrekkelijkheid van het beroep af door de hoge werkdruk en beperkte loopbaanperspectieven.

De druk op zorgsystemen neemt in heel Europa toe. In 2022 was er een tekort van 1,2 miljoen zorgverleners in de EU (p. 13). Dit probleem verergert door de dubbele vergrijzing: een oudere bevolking heeft meer zorgnoden, terwijl ook het zorgpersoneel zelf veroudert en op pensioen gaat. In België is meer dan een kwart van de verpleegkundigen ouder dan 55 jaar, wat de komende jaren tot een grotere uitstroom zal leiden.

Daarnaast stijgt het aantal chronische aandoeningen en de zorgvraag. Meer dan 40 procent van de 65-plussers in Europa heeft minstens twee chronische ziekten (p. 58). Tegelijk groeit de mentale belasting bij verschillende bevolkingsgroepen. Zo stegen de stress- en angstklachten bij tieners van 42 naar 52 procent in vijf jaar tijd (p. 110), wat de druk op de geestelijke gezondheidszorg verhoogt.

Verloning versus zorgkwaliteit

Uit de nieuwste cijfers blijkt dat Belgische ziekenhuisverpleegkundigen gemiddeld 1,6 keer het nationale gemiddelde loon verdienen. In 2021 lag dit nog op 1,5 keer. Tegelijkertijd is de verloning van arts-specialisten gestegen van 4,2 keer het gemiddelde loon in 2021, naar 4,5 keer in 2022 (zie p. 190). Dit betekent dat de loonkloof tussen verpleegkundigen en artsen in België is vergroot, wat een invloed heeft op de status en aantrekkelijkheid van het verpleegkundige beroep.

Hoewel België goede lonen biedt, verdienen verpleegkundigen in Luxemburg, in verhouding tot hun koopkracht, nog meer. Dit leidt tot een migratie van zorgpersoneel, zonder de fundamentele tekorten op te lossen. Daarnaast hebben veel verpleegkundigen last van koopkrachtverlies door inflatie. Hierdoor biedt een nominale loonsverhoging niet altijd financiële vooruitgang, wat extra druk zet op de sector.

Werkdruk en uitstroom

Een grote uitdaging blijft de enorme werkdruk. Dit maakt het beroep minder aantrekkelijk en leidt tot een negatieve spiraal: ervaren verpleegkundigen verlaten de sector terwijl de instroom van jongeren achterblijft.

Daarnaast verschuift zorg steeds meer naar de eerste lijn en thuiszorg. Door kortere ziekenhuisopnames hebben patiënten thuis meer zorg nodig, waardoor thuisverpleegkundigen een grotere rol krijgen. Dit vraagt om nieuwe vaardigheden, meer autonomie en een aangepaste financieringsstructuur. Overheden en zorginstellingen moeten deze evolutie ondersteunen om de zorgkwaliteit te waarborgen.

Grensarbeid en migratie

Een opvallende trend is de verplaatsing van zorgpersoneel tussen landen. België trekt verpleegkundigen aan uit landen met lagere lonen, zoals Portugal en Slowakije, maar verliest personeel aan beter betalende landen zoals buurland Luxemburg. Dit leidt tot constante migratie zonder structurele oplossing. Om uitstroom te verminderen, moet België inzetten op betere werkomstandigheden en hervormingen. Structurele maatregelen zijn nodig om verpleegkundigen in de sector te laten blijven. Een reeks aanbevelingen uit het METEOR-project (p. 42) zijn onder andere meer professionele en persoonlijke ondersteuning bieden, interprofessionele samenwerking bevorderen, flexibele werkschema’s ondersteunen, de taakverdeling en het inzetten van zorgassistenten bevorderen zodat verpleegkundigen zich kunnen concentreren op hun kerntaken met betrekking tot de patiënt, een stabiele en ondersteunende

omgeving creëren en psychologische ondersteuningsdiensten opzetten. Ook digitale innovaties, zoals artificiële intelligentie en e-health, helpen om administratieve lasten te verlagen. In 2023 investeerden EU-landen fors in nationale toegang tot EHR’s, waardoor de gemiddelde beschikbaarheid van online digitale gezondheidsdiensten sterk steeg (p. 218).

Lonen moeten niet alleen stijgen, maar ook aangepast worden aan de inflatie. Zo werden de lonen in België de afgelopen jaren verschillende keren automatisch geïndexeerd. Extra investeringen in de eerste lijn en thuiszorg zijn noodzakelijk om de veranderende zorgvraag en de grotere rol voor thuisverpleegkundigen door kortere ziekenhuisopnames op te vangen. Thuisverpleegkundigen moeten beter ondersteund en opgeleid worden. Loopbaanperspectieven kunnen de sector aantrekkelijker maken. Specialisaties en geavanceerde verpleegkundige rollen moeten financieel erkend en gestimuleerd worden. Door verpleegkundigen carrièreperspectief te bieden, kan de uitstroom worden afgeremd.

Investeren in verpleegkundigen is investeren in de toekomst

De cijfers uit Health at a Glance: Europe 2024 tonen aan dat de Belgische zorgsector voor grote uitdagingen staat. Hoewel de lonen relatief hoog zijn, leiden koopkrachtverlies, werkdruk en beperkte loopbaanontwikkeling tot minder aantrekkelijkheid. Migratie van verpleegkundigen biedt geen structurele oplossing. Om de zorgsector toekomstbestendig te maken, moet België investeren in eerlijke lonen, minder administratieve last, een betere verdeling van zorgpersoneel en extra middelen voor de eerstelijnszorg. Alleen structurele verbeteringen kunnen verpleegkundigen in de sector houden en kwaliteitsvolle zorg garanderen.

Wat is Health at a Glance?

Health at a Glance: Europe 20241 is een rapport van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) en de Europese Commissie. Het rapport verschijnt tweejaarlijks en biedt een uitgebreide analyse van de gezondheidssystemen in Europese landen. Die heeft als doel beleidsmakers, zorgprofessionals en onderzoekers te voorzien van data en inzichten over de prestaties van gezondheidszorgsystemen in de EU. De informatie uit het rapport helpt landen om sterke en zwakke punten te identificeren en onderbouwde beleidskeuzes te maken.

1 OECD/European Commission (2024), Health at a Glance: Europe 2024: State of Health in the EU Cycle, OECD Publishing, Paris


Naar een nieuw beleid voor respiratoire virussen

Door Caroline Weltjens

Naar aanleiding van de SARS-CoV-2-pandemie werd wereldwijd onderzoek uitgevoerd naar de overdrachtswegen van respiratoire virussen. Dat bracht belangrijke nieuwe inzichten met zich mee. In januari 2023 startte de dienst Infectiepreventie van het Ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) met een project om het isolatiebeleid bij patiënten voor een respiratoir virus positief te hervormen.

Het doel van dit project bij ZOL was om de huidige procedures kritisch te bekijken en om een evidencebased beleid op te stellen, met uniformiteit voor alle respiratoire virussen. Er werd ook gekeken naar de praktische haalbaarheid van de maatregelen, aangezien onrealistische maatregelen leiden tot lagere compliantie.

Zowel internationale als nationale richtlijnen, en bijgevolg ook interne procedures, beschreven verschillende isolatievormen, isolatieduren en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Voor het influenzavirus werden de patiënten in een druppelisolatie verzorgd, met vijf dagen isolatie en een chirurgisch masker en oogbescherming als PBM. Bij de contact-druppelisolatie voor RSV werd als isolatieduur ‘tot het einde van de symptomen’ gehanteerd met een schort, handschoenen, chirurgisch mondmasker en oogbescherming als PBM. Tot slot werden patiënten besmet met het SARS-CoV-2-virus geïsoleerd in contact-druppel-luchtisolatie gedurende tien dagen en diende een schort, handschoenen, FFP2-masker en oogbescherming gedragen te worden. Deze wildgroei aan maatregelen leidde tot verwarring op de werkvloer.

Evidence als basis

Recente literatuur ontkrachtte de hypothese dat virussen vooral via druppels worden overgedragen en buiten de afstand van anderhalve meter niet worden overgedragen. Een druppel deelt zich snel tot kleine aerosolen en verspreidt zich meters verder door de lucht. Ook de overdracht via contact werd gerelativeerd. Het risico om besmet te worden met een respiratoir virus via contact met materialen is kleiner dan eerder gedacht.

Met deze nieuwe inzichten startte ZOL aan een nieuw beleid. Twee grote paradigmashifts werden geïntroduceerd. Enerzijds op het vlak van persoonlijke beschermingsmiddelen, anders voor de aandacht voor lucht.  Wat de PBM betreft lag de focus op strikte maskerdracht en oogbescherming. Het standaard dragen van handschoenen en schort werd verlaten. Helemaal nieuw is luchtzuivering. Voor elke patiënt in isolatie voor respiratoire virussen zet het ziekenhuis een mobiel luchtzuiveringstoestel in om de virale lading in de kamer te reduceren en de kamerdeur van de patiëntenkamer open te kunnen laten. Zo heeft de zorgverlener een beter zicht op de patiënt en is de patiënt minder eenzaam.

Opleiden en bijsturen

Na een lange voorbereiding waarbij de procedures, het digitale patiëntendossier, isolatiefiches, … werden aangepast, volgde de implementatie. Het was een grote verandering voor de zorgafdelingen om de persoonlijke beschermingsmiddelen bij SARS-CoV-2 af te schalen naar enkel een bril en een chirurgisch mondmasker. De eerste maanden na de implementatie werd elke afdeling met patiënten in respiratoir-virusisolatie intensief bezocht door de verpleegkundigen van de dienst infectiepreventie voor on site teaching en bijsturing. Ook werden veel vormingen gegeven over de nieuwe werkwijze.

Zorgmedewerkers zijn positief en geven aan dat de zorgzwaarte sterk verminderde door de aanpassing van de PBM. Men geeft aan zich veiliger te voelen door verbeterde luchtzuiverheid. De afspraken rond verdeling van de luchtzuiveringstoestellen werden verschillende keren bijgesteld om te komen tot evenwicht tussen snelheid van levering en logistieke haalbaarheid.

Lessons learned

Het nieuwe beleid leidde niet tot een toename in aantal uitbraken, wat aantoont dat versoepeling van contactisolatiemaatregelen in combinatie met verhoogde luchtzuivering effectief en veilig is. Een succesvolle implementatie van een veranderingstraject in een ziekenhuis vereist een grondige voorbereiding. Het is essentieel om alle betrokkenen actief bij het proces te betrekken om een breed draagvlak en efficiënte uitvoering te realiseren.

Daarnaast is het van belang om duidelijke informatie te verstrekken over de noodzaak en de voordelen van de verandering, aan het personeel en aan de zorgvragers, in combinatie met voldoende vorming en training. Tot slot is een goede opvolging cruciaal: kort op de bal spelen, problemen snel signaleren en bijsturen waar nodig. Dit garandeert een optimaal verloop van het traject en een blijvende verbetering in de zorgkwaliteit.


Meerwaarde van valuebased psoriasiszorg staven met data

In het UZ Gent kunnen patiënten met psoriasis al ruim tien jaar terecht bij PsoPlus, een consultatie op maat van deze aandoening. Via waardegedreven zorg zoekt het zorgteam er naar de best mogelijke uitkomst voor de patiënt met de best mogelijke zorg. “Waardegedreven zorg vraagt veel middelen. Data verzamelen en analyseren is dan ook cruciaal om de meerwaarde van deze extra inspanningen en budgetten te verantwoorden”, zegt PsoVOS-coördinator Emma Vyvey.

Psoriasis komt vaak voor – naar schatting zo’n drie procent van de Belgen heeft deze aandoening – en heeft een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit van de patiënten. Voor de behandeling van de symptomen zijn intussen diverse medicijnen, van lokale crèmes tot pillen en de zogenaamde biologicals. De juiste behandeling, op maat van de persoon met psoriasis, aanverwante aandoeningen en diens levensstijl, maakt een wereld van verschil. “We weten dat een holistische aanpak van aanverwante aandoeningen en levensstijl een belangrijke factor is”, benadrukt Emma Vyvey. “Bijvoorbeeld heeft ongeveer twintig procent van onze patiënten obesitas. Het is dus zeker nuttig om hierop in te zetten, maar wat haal je dan uit dergelijke aanpak? Die uitkomsten in kaart brengen en evalueren ten opzichte van de middelen die in het behandeltraject gaan is een complexe maar noodzakelijke oefening. We zien bijvoorbeeld dat mensen met obesitas hogere dosissen nodig hebben van dure medicijnen, zoals biologicals. Door verder te kijken dan de huid, kunnen we samen met de patiënt werken naar een effectievere behandeling.”

Belangrijke rol voor de verpleegkundige

Bij PsoPlus is de verpleegkundige een gekend gezicht en een vertrouwenspersoon. De patiënten worden telkens warm onthaald door de verpleegkundige, die luistert hoe het gaat, open communiceert en hen op hun gemak stelt. “In IPU’s (Integrated Practice Units) zoals PsoPlus is de zorg georganiseerd rond het ziektebeeld en alles wat eraan vasthangt”, legt Emma uit. “De verpleegkundige legt de behandeling uit, maar heeft ook aandacht voor de psychosociale aspecten en voor de levensstijl. Net dat brede kader maakt deze benadering zo waardevol. Lang niet enkel voor psoriasiszorg trouwens. In Nederland is er bijvoorbeeld ook al waardegedreven zorg voor borstkanker. Een slimme keuze van de zorgsector, want door te doen wat meerwaarde creëert voor de patiënt krijgt die de beste zorg. En als verpleegkundige komt er tijd vrij om deze patiënt de nodige tijd en aandacht te geven.”

Een PsoPlus-consult

Een consultatie bij PsoPlus begint nog voor je het UZ Gent binnengaat. Drie weken op voorhand vult de patiënt online vragenlijsten in om uitkomsten die belangrijk zijn te verzamelen en gaat de patiënt langs bij de huisarts voor een bloedafname en urineonderzoek. Bij aanvang van het PsoPlus-consult doet een verpleegkundige de anamnese van de patiënt en zijn historiek, overloopt ze de vragenlijsten en schenkt aandacht aan psychosociale factoren. Bij een nieuwe patiënt duurt dit een uurtje, daarna zijn de afspraken wat korter. Tijdens de eerste kennismaking zoomt het team namelijk uitgebreid in op de vorige zorg en wat belangrijke uitkomsten zijn van zorg voor de patiënt. Dit om de toestand van de patiënt goed te schetsen. Emma: “Het zorgteam en de persoon met psoriasis stellen samen concrete doelen. Die houden we steeds in gedachten en we sturen de behandeling waar nodig bij in functie van die doelen.”

Wetenschappelijke studie

Sinds januari 2023 heeft PsoPlus een klinische studie opgestart, de ‘Value in psoriasis (IRIS) trial: implementing value-based healthcare in psoriasis management’. In dat traject wil het zorgteam zijn aanpak en de meerwaarde ervan aantonen. Daarnaast zal het team enkele aanbevelingen doen voor de psoriasiszorg. “We hopen onder meer dat de terugbetaling van geneesmiddelen niet langer enkel door de zichtbare ernst van de psoriasis zal worden bepaald, maar dat er ook aandacht is voor de impact op de psychosociale uitkomsten. Heeft een persoon deze aandoening bijvoorbeeld in een mildere vorm aan de handen of in het gezicht, dan kan het gebruik van deze dure medicijnen toch aangewezen zijn. Ook dat soort nuances ondersteunt duidelijke data van waardegedreven zorg.”


Infectiepreventie bij bekwame helpers: een gedeelde verantwoordelijkheid

Sinds 2024 erkent de wet het statuut van de bekwame helper. Hierdoor mag een niet-verpleegkundige, na grondige opleiding en uit vrije wil, toch bepaalde medische handelingen uitvoeren bij een vaste zorgvrager. Dit garandeert de continuïteit van de zorg in het dagelijkse leven van de patiënt zonder tussenkomst van het overbevraagde zorgpersoneel. Hoe wordt gewaakt over infectiepreventie bij bekwame helpers? Het Vlaams Welzijnsverbond ondersteunt organisaties met de implementatie van de bekwame helper. Via hen kregen we de kans te spreken met zorgmedewerkers uit de gehandicaptenzorg en jeugdhulp, die in nauw contact staan met bekwame helpers.

Insuline injecteren, een stoma verzorgen, steunkousen helpen aantrekken of medicatie toedienen: het zijn slechts enkele voorbeelden van dagelijkse verpleegkundige handelingen die voorheen exclusief door verpleegkundigen uitgevoerd mochten worden. Jarenlang trok NETWERK VERPLEEGKUNDE mee aan de kar om de bekwame helper wettelijk te verankeren. Dat is sinds vorig jaar een feit. Na een gerichte opleiding of instructie mogen bekwame helpers bepaalde verpleegkundige handelingen stellen voor een vaste zorgvrager, zoals een familielid, een leerling of een andere persoon in hun omgeving, na een opleiding door de verpleegkundige en als alle betrokken partijen hiervoor toestemming geven. Maar zorg verlenen betekent ook risico’s beheersen. Bij bekwame helpers is dat in de vorm van infectiepreventie. Wij spraken met Veronique Van den Abbeele en Sabine Buntinx. Veronique is coördinator van de verpleegkundige dienst bij Sint Oda, een zorginstelling voor personen met een handicap. Sabine is zorgdirecteur bij jeugdzorginstelling KiJoCo.

(Hand)hygiëne

Infectiepreventie, op welk zorgniveau dan ook, begint bij schone handen. Veronique: “We raken met onze handen de hele dag van alles aan zonder het te beseffen. Als verpleegkundigen krijgen we dit al in de opleiding ingeprent, maar bij bekwame helpers hameren we hier extra op: voor en na elke handeling moeten de handen grondig gewassen en ontsmet worden. Daarnaast rekenen we op het gezonde verstand. Bij koorts verwachten we van onze medewerkers dat ze thuis blijven, bij luchtweginfecties en verkoudheden dat ze een mondmasker dragen en bij afwijkende stoelgang dat ze handschoenen en ontsmettingsgel in de aanslag houden. Dat geldt net zo goed voor bekwame helpers.”

Dat beaamt ook Sabine: “Hoest- en nieshygiëne is daar onlosmakelijk mee verbonden. Hoesten en niezen gebeurt altijd weg van de zorgvrager en in de elleboog. Binnen de jeugdhulp spelen we als zorgverleners een voorbeeldrol. Kinderen kopiëren gedrag. Als zowel de professionele zorgverlener als de bekwame helper steevast dezelfde handelingen toepassen, leren de kinderen dit ook zo aan. Consequent gedrag helpt infectiepreventie een vaste plaats te geven in hun dagelijkse routine.”

Oppervlaktehygiëne

Persoonlijke hygiëne is cruciaal, maar de omgeving verdient minstens even veel aandacht. Zo merkt Veronique op dat het bad, het toilet en de zorgbrancard een broeihaard zijn van bacteriën en ziektekiemen. Daarom is het ook in de gehandicaptenzorg een must om alle sanitaire voorzieningen na elke was- of toiletbeurt te desinfecteren.

Sabine: “Alles wordt zowel voor als na gebruik ontsmet, of het nu gaat om kookgerei of hulpmiddelen voor medicatietoediening. Voor een bekwame helper geldt dit voor al het materiaal dat hij of zij nodig heeft tijdens de aangeleerde verpleegkundige handeling. Infectiepreventie is een gedeelde verantwoordelijkheid. Het draait om de wederzijdse bescherming van zorgvrager en zorgverlener, of in dit geval bekwame helper.“

Uitdagingen in de praktijk

Infectiepreventie gaat verder dan ‘alleen even de handen wassen’. In de praktijk komt er veel meer bij kijken. Vooral voor mensen zonder zorgachtergrond is het niet altijd vanzelfsprekend, merken Veronique en Sabine op.  “Elke aanraking kan een besmettingsrisico vormen, en daar staan mensen niet altijd bij stil”, zegt Veronique.

 

Sabine merkt binnen de jeugdsector wel een andere benadering van de bekwame helper op. “Waar het in andere zorgsectoren vooral om somatische zorg draait, werken wij binnen een pedagogische context”, klinkt het. “Aangezien we vooral met fysiek gezonde kinderen werken, is infectiepreventie eerder een geïntegreerd onderdeel van de algemene zorg. Maar dat maakt het niet minder belangrijk. In periodes van RSV of griep is infectiepreventie in elke context extra uitdagend. De jongeren leven in leefgroepen, gaan naar school en in de weekends naar huis. De overdracht van ziektekiemen is haast onvermijdelijk. Het is voortdurend zoeken naar een evenwicht tussen respect voor hun leefomgeving en het inperken van besmettingsrisico’s. De verantwoordelijkheid van de bekwame helpers is hier even groot.”

Het belang van opleiding

Afhankelijk van de specifieke zorgvraag krijgt de bekwame helper een algemene instructie of moet hij een opleiding volgen. In het geval van een opleiding krijgt een potentiële bekwame helper een intensieve opleiding van een verpleegkundige of arts om de voorgeschreven zorgen bij een bepaalde persoon toe te dienen. Die maakt de bekwame helper wegwijs in de technieken en protocollen en oefenen die samen in. Heeft de bekwame helper alles goed onder de knie, dan wordt een attest opgesteld. Deze opleiding biedt dubbele zekerheid. Enerzijds krijgt de zorgvrager de juiste zorg op het juiste moment, zonder afhankelijk te zijn van een verpleegkundige of arts. Anderzijds voelt de bekwame helper zich comfortabeler bij het uitvoeren van een verpleegkundige handeling. De verpleegkundige of arts blijft wel verantwoordelijk. Die heeft er dus alle baat bij om de handeling correct aan te leren en om tijdig op te volgen.

Twee keer per jaar organiseert het team van Veronique een Medisch Klein Team (MKT) waarop ook de bekwame helpers aanwezig zijn. “Tijdens deze teamvergadering geeft een verpleegkundige extra toelichting en herhaalt hij of zij basisprincipes zoals infectiepreventie: hoe was je correct je handen? Hoe en wanneer ontsmet je oppervlaktes? Wat zijn de richtlijnen voor het dragen van een mondmasker”

Binnen de bijzondere jeugdzorg wordt gewerkt met een doorlopend opleidingsprogramma. “Via teamvergaderingen, nieuwsbrieven en sensibilisering houden we infectiepreventie op de radar”, zegt Sabine. “De kracht van herhaling blijft essentieel. Via quizzen, kleine testjes of bevragingen blijven de richtlijnen fris in het geheugen. Infectiepreventie is een vast onderdeel van onze zorgaanpak en bereikt zo ook de bekwame helpers.”

 

Meer info over het attest

Het wettelijke statuut van bekwame helper was een proces van lange adem. NETWERK VERPLEEGKUNDE introduceerde als eerste in Vlaanderen een brochure met bijhorend attest. De brochure biedt praktische tips, een leidraad over wat wel en niet is toegestaan en een duidelijk kader over de rol van de bekwame helper. Bij de brochure hoort een attest waarin de verpleegkundige, na afloop van de opleiding, de taken van de bekwame helper officieel vastlegt. Dit attest moet in drievoud opgemaakt worden: één voor de verpleegkundige of arts, één voor de bekwame helper en één voor de zorgvrager.

Raadpleeg de brochure en het attest.

Wat met de bekwame helper in het buitenland?

De Juridische Adviesgroep (JAG) van NETWERK VERPLEEGKUNDE kreeg de vraag of een vrijwilliger die meegaat naar bijvoorbeeld een buitenlands kamp in dat land mag optreden als bekwame helper. Met welke regels houden ze daar rekening? Het antwoord is eenvoudig: op het grondgebied van een land gelden de regels van dat land. Andere Europese landen kennen wettelijk geen bekwame helper, dus mag een bekwame helper in het buitenland de aangeleerde handelingen niet uitvoeren. Belgische verpleegkundigen met een Europees diploma krijgen een gelijkschakeling van hun diploma als ze in een EU-land willen werken, maar moeten alle plaatselijke wetten volgen in verband met de aanvraag van erkenning, het visum, de toegelaten handelingen, …