Naar een nieuw beleid voor respiratoire virussen

Door Caroline Weltjens

Naar aanleiding van de SARS-CoV-2-pandemie werd wereldwijd onderzoek uitgevoerd naar de overdrachtswegen van respiratoire virussen. Dat bracht belangrijke nieuwe inzichten met zich mee. In januari 2023 startte de dienst Infectiepreventie van het Ziekenhuis Oost-Limburg (ZOL) met een project om het isolatiebeleid bij patiënten voor een respiratoir virus positief te hervormen.

Het doel van dit project bij ZOL was om de huidige procedures kritisch te bekijken en om een evidencebased beleid op te stellen, met uniformiteit voor alle respiratoire virussen. Er werd ook gekeken naar de praktische haalbaarheid van de maatregelen, aangezien onrealistische maatregelen leiden tot lagere compliantie.

Zowel internationale als nationale richtlijnen, en bijgevolg ook interne procedures, beschreven verschillende isolatievormen, isolatieduren en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM). Voor het influenzavirus werden de patiënten in een druppelisolatie verzorgd, met vijf dagen isolatie en een chirurgisch masker en oogbescherming als PBM. Bij de contact-druppelisolatie voor RSV werd als isolatieduur ‘tot het einde van de symptomen’ gehanteerd met een schort, handschoenen, chirurgisch mondmasker en oogbescherming als PBM. Tot slot werden patiënten besmet met het SARS-CoV-2-virus geïsoleerd in contact-druppel-luchtisolatie gedurende tien dagen en diende een schort, handschoenen, FFP2-masker en oogbescherming gedragen te worden. Deze wildgroei aan maatregelen leidde tot verwarring op de werkvloer.

Evidence als basis

Recente literatuur ontkrachtte de hypothese dat virussen vooral via druppels worden overgedragen en buiten de afstand van anderhalve meter niet worden overgedragen. Een druppel deelt zich snel tot kleine aerosolen en verspreidt zich meters verder door de lucht. Ook de overdracht via contact werd gerelativeerd. Het risico om besmet te worden met een respiratoir virus via contact met materialen is kleiner dan eerder gedacht.

Met deze nieuwe inzichten startte ZOL aan een nieuw beleid. Twee grote paradigmashifts werden geïntroduceerd. Enerzijds op het vlak van persoonlijke beschermingsmiddelen, anders voor de aandacht voor lucht.  Wat de PBM betreft lag de focus op strikte maskerdracht en oogbescherming. Het standaard dragen van handschoenen en schort werd verlaten. Helemaal nieuw is luchtzuivering. Voor elke patiënt in isolatie voor respiratoire virussen zet het ziekenhuis een mobiel luchtzuiveringstoestel in om de virale lading in de kamer te reduceren en de kamerdeur van de patiëntenkamer open te kunnen laten. Zo heeft de zorgverlener een beter zicht op de patiënt en is de patiënt minder eenzaam.

Opleiden en bijsturen

Na een lange voorbereiding waarbij de procedures, het digitale patiëntendossier, isolatiefiches, … werden aangepast, volgde de implementatie. Het was een grote verandering voor de zorgafdelingen om de persoonlijke beschermingsmiddelen bij SARS-CoV-2 af te schalen naar enkel een bril en een chirurgisch mondmasker. De eerste maanden na de implementatie werd elke afdeling met patiënten in respiratoir-virusisolatie intensief bezocht door de verpleegkundigen van de dienst infectiepreventie voor on site teaching en bijsturing. Ook werden veel vormingen gegeven over de nieuwe werkwijze.

Zorgmedewerkers zijn positief en geven aan dat de zorgzwaarte sterk verminderde door de aanpassing van de PBM. Men geeft aan zich veiliger te voelen door verbeterde luchtzuiverheid. De afspraken rond verdeling van de luchtzuiveringstoestellen werden verschillende keren bijgesteld om te komen tot evenwicht tussen snelheid van levering en logistieke haalbaarheid.

Lessons learned

Het nieuwe beleid leidde niet tot een toename in aantal uitbraken, wat aantoont dat versoepeling van contactisolatiemaatregelen in combinatie met verhoogde luchtzuivering effectief en veilig is. Een succesvolle implementatie van een veranderingstraject in een ziekenhuis vereist een grondige voorbereiding. Het is essentieel om alle betrokkenen actief bij het proces te betrekken om een breed draagvlak en efficiënte uitvoering te realiseren.

Daarnaast is het van belang om duidelijke informatie te verstrekken over de noodzaak en de voordelen van de verandering, aan het personeel en aan de zorgvragers, in combinatie met voldoende vorming en training. Tot slot is een goede opvolging cruciaal: kort op de bal spelen, problemen snel signaleren en bijsturen waar nodig. Dit garandeert een optimaal verloop van het traject en een blijvende verbetering in de zorgkwaliteit.


Meerwaarde van valuebased psoriasiszorg staven met data

In het UZ Gent kunnen patiënten met psoriasis al ruim tien jaar terecht bij PsoPlus, een consultatie op maat van deze aandoening. Via waardegedreven zorg zoekt het zorgteam er naar de best mogelijke uitkomst voor de patiënt met de best mogelijke zorg. “Waardegedreven zorg vraagt veel middelen. Data verzamelen en analyseren is dan ook cruciaal om de meerwaarde van deze extra inspanningen en budgetten te verantwoorden”, zegt PsoVOS-coördinator Emma Vyvey.

Psoriasis komt vaak voor – naar schatting zo’n drie procent van de Belgen heeft deze aandoening – en heeft een aanzienlijke impact op de levenskwaliteit van de patiënten. Voor de behandeling van de symptomen zijn intussen diverse medicijnen, van lokale crèmes tot pillen en de zogenaamde biologicals. De juiste behandeling, op maat van de persoon met psoriasis, aanverwante aandoeningen en diens levensstijl, maakt een wereld van verschil. “We weten dat een holistische aanpak van aanverwante aandoeningen en levensstijl een belangrijke factor is”, benadrukt Emma Vyvey. “Bijvoorbeeld heeft ongeveer twintig procent van onze patiënten obesitas. Het is dus zeker nuttig om hierop in te zetten, maar wat haal je dan uit dergelijke aanpak? Die uitkomsten in kaart brengen en evalueren ten opzichte van de middelen die in het behandeltraject gaan is een complexe maar noodzakelijke oefening. We zien bijvoorbeeld dat mensen met obesitas hogere dosissen nodig hebben van dure medicijnen, zoals biologicals. Door verder te kijken dan de huid, kunnen we samen met de patiënt werken naar een effectievere behandeling.”

Belangrijke rol voor de verpleegkundige

Bij PsoPlus is de verpleegkundige een gekend gezicht en een vertrouwenspersoon. De patiënten worden telkens warm onthaald door de verpleegkundige, die luistert hoe het gaat, open communiceert en hen op hun gemak stelt. “In IPU’s (Integrated Practice Units) zoals PsoPlus is de zorg georganiseerd rond het ziektebeeld en alles wat eraan vasthangt”, legt Emma uit. “De verpleegkundige legt de behandeling uit, maar heeft ook aandacht voor de psychosociale aspecten en voor de levensstijl. Net dat brede kader maakt deze benadering zo waardevol. Lang niet enkel voor psoriasiszorg trouwens. In Nederland is er bijvoorbeeld ook al waardegedreven zorg voor borstkanker. Een slimme keuze van de zorgsector, want door te doen wat meerwaarde creëert voor de patiënt krijgt die de beste zorg. En als verpleegkundige komt er tijd vrij om deze patiënt de nodige tijd en aandacht te geven.”

Een PsoPlus-consult

Een consultatie bij PsoPlus begint nog voor je het UZ Gent binnengaat. Drie weken op voorhand vult de patiënt online vragenlijsten in om uitkomsten die belangrijk zijn te verzamelen en gaat de patiënt langs bij de huisarts voor een bloedafname en urineonderzoek. Bij aanvang van het PsoPlus-consult doet een verpleegkundige de anamnese van de patiënt en zijn historiek, overloopt ze de vragenlijsten en schenkt aandacht aan psychosociale factoren. Bij een nieuwe patiënt duurt dit een uurtje, daarna zijn de afspraken wat korter. Tijdens de eerste kennismaking zoomt het team namelijk uitgebreid in op de vorige zorg en wat belangrijke uitkomsten zijn van zorg voor de patiënt. Dit om de toestand van de patiënt goed te schetsen. Emma: “Het zorgteam en de persoon met psoriasis stellen samen concrete doelen. Die houden we steeds in gedachten en we sturen de behandeling waar nodig bij in functie van die doelen.”

Wetenschappelijke studie

Sinds januari 2023 heeft PsoPlus een klinische studie opgestart, de ‘Value in psoriasis (IRIS) trial: implementing value-based healthcare in psoriasis management’. In dat traject wil het zorgteam zijn aanpak en de meerwaarde ervan aantonen. Daarnaast zal het team enkele aanbevelingen doen voor de psoriasiszorg. “We hopen onder meer dat de terugbetaling van geneesmiddelen niet langer enkel door de zichtbare ernst van de psoriasis zal worden bepaald, maar dat er ook aandacht is voor de impact op de psychosociale uitkomsten. Heeft een persoon deze aandoening bijvoorbeeld in een mildere vorm aan de handen of in het gezicht, dan kan het gebruik van deze dure medicijnen toch aangewezen zijn. Ook dat soort nuances ondersteunt duidelijke data van waardegedreven zorg.”


Infectiepreventie bij bekwame helpers: een gedeelde verantwoordelijkheid

Sinds 2024 erkent de wet het statuut van de bekwame helper. Hierdoor mag een niet-verpleegkundige, na grondige opleiding en uit vrije wil, toch bepaalde medische handelingen uitvoeren bij een vaste zorgvrager. Dit garandeert de continuïteit van de zorg in het dagelijkse leven van de patiënt zonder tussenkomst van het overbevraagde zorgpersoneel. Hoe wordt gewaakt over infectiepreventie bij bekwame helpers? Het Vlaams Welzijnsverbond ondersteunt organisaties met de implementatie van de bekwame helper. Via hen kregen we de kans te spreken met zorgmedewerkers uit de gehandicaptenzorg en jeugdhulp, die in nauw contact staan met bekwame helpers.

Insuline injecteren, een stoma verzorgen, steunkousen helpen aantrekken of medicatie toedienen: het zijn slechts enkele voorbeelden van dagelijkse verpleegkundige handelingen die voorheen exclusief door verpleegkundigen uitgevoerd mochten worden. Jarenlang trok NETWERK VERPLEEGKUNDE mee aan de kar om de bekwame helper wettelijk te verankeren. Dat is sinds vorig jaar een feit. Na een gerichte opleiding of instructie mogen bekwame helpers bepaalde verpleegkundige handelingen stellen voor een vaste zorgvrager, zoals een familielid, een leerling of een andere persoon in hun omgeving, na een opleiding door de verpleegkundige en als alle betrokken partijen hiervoor toestemming geven. Maar zorg verlenen betekent ook risico’s beheersen. Bij bekwame helpers is dat in de vorm van infectiepreventie. Wij spraken met Veronique Van den Abbeele en Sabine Buntinx. Veronique is coördinator van de verpleegkundige dienst bij Sint Oda, een zorginstelling voor personen met een handicap. Sabine is zorgdirecteur bij jeugdzorginstelling KiJoCo.

(Hand)hygiëne

Infectiepreventie, op welk zorgniveau dan ook, begint bij schone handen. Veronique: “We raken met onze handen de hele dag van alles aan zonder het te beseffen. Als verpleegkundigen krijgen we dit al in de opleiding ingeprent, maar bij bekwame helpers hameren we hier extra op: voor en na elke handeling moeten de handen grondig gewassen en ontsmet worden. Daarnaast rekenen we op het gezonde verstand. Bij koorts verwachten we van onze medewerkers dat ze thuis blijven, bij luchtweginfecties en verkoudheden dat ze een mondmasker dragen en bij afwijkende stoelgang dat ze handschoenen en ontsmettingsgel in de aanslag houden. Dat geldt net zo goed voor bekwame helpers.”

Dat beaamt ook Sabine: “Hoest- en nieshygiëne is daar onlosmakelijk mee verbonden. Hoesten en niezen gebeurt altijd weg van de zorgvrager en in de elleboog. Binnen de jeugdhulp spelen we als zorgverleners een voorbeeldrol. Kinderen kopiëren gedrag. Als zowel de professionele zorgverlener als de bekwame helper steevast dezelfde handelingen toepassen, leren de kinderen dit ook zo aan. Consequent gedrag helpt infectiepreventie een vaste plaats te geven in hun dagelijkse routine.”

Oppervlaktehygiëne

Persoonlijke hygiëne is cruciaal, maar de omgeving verdient minstens even veel aandacht. Zo merkt Veronique op dat het bad, het toilet en de zorgbrancard een broeihaard zijn van bacteriën en ziektekiemen. Daarom is het ook in de gehandicaptenzorg een must om alle sanitaire voorzieningen na elke was- of toiletbeurt te desinfecteren.

Sabine: “Alles wordt zowel voor als na gebruik ontsmet, of het nu gaat om kookgerei of hulpmiddelen voor medicatietoediening. Voor een bekwame helper geldt dit voor al het materiaal dat hij of zij nodig heeft tijdens de aangeleerde verpleegkundige handeling. Infectiepreventie is een gedeelde verantwoordelijkheid. Het draait om de wederzijdse bescherming van zorgvrager en zorgverlener, of in dit geval bekwame helper.“

Uitdagingen in de praktijk

Infectiepreventie gaat verder dan ‘alleen even de handen wassen’. In de praktijk komt er veel meer bij kijken. Vooral voor mensen zonder zorgachtergrond is het niet altijd vanzelfsprekend, merken Veronique en Sabine op.  “Elke aanraking kan een besmettingsrisico vormen, en daar staan mensen niet altijd bij stil”, zegt Veronique.

 

Sabine merkt binnen de jeugdsector wel een andere benadering van de bekwame helper op. “Waar het in andere zorgsectoren vooral om somatische zorg draait, werken wij binnen een pedagogische context”, klinkt het. “Aangezien we vooral met fysiek gezonde kinderen werken, is infectiepreventie eerder een geïntegreerd onderdeel van de algemene zorg. Maar dat maakt het niet minder belangrijk. In periodes van RSV of griep is infectiepreventie in elke context extra uitdagend. De jongeren leven in leefgroepen, gaan naar school en in de weekends naar huis. De overdracht van ziektekiemen is haast onvermijdelijk. Het is voortdurend zoeken naar een evenwicht tussen respect voor hun leefomgeving en het inperken van besmettingsrisico’s. De verantwoordelijkheid van de bekwame helpers is hier even groot.”

Het belang van opleiding

Afhankelijk van de specifieke zorgvraag krijgt de bekwame helper een algemene instructie of moet hij een opleiding volgen. In het geval van een opleiding krijgt een potentiële bekwame helper een intensieve opleiding van een verpleegkundige of arts om de voorgeschreven zorgen bij een bepaalde persoon toe te dienen. Die maakt de bekwame helper wegwijs in de technieken en protocollen en oefenen die samen in. Heeft de bekwame helper alles goed onder de knie, dan wordt een attest opgesteld. Deze opleiding biedt dubbele zekerheid. Enerzijds krijgt de zorgvrager de juiste zorg op het juiste moment, zonder afhankelijk te zijn van een verpleegkundige of arts. Anderzijds voelt de bekwame helper zich comfortabeler bij het uitvoeren van een verpleegkundige handeling. De verpleegkundige of arts blijft wel verantwoordelijk. Die heeft er dus alle baat bij om de handeling correct aan te leren en om tijdig op te volgen.

Twee keer per jaar organiseert het team van Veronique een Medisch Klein Team (MKT) waarop ook de bekwame helpers aanwezig zijn. “Tijdens deze teamvergadering geeft een verpleegkundige extra toelichting en herhaalt hij of zij basisprincipes zoals infectiepreventie: hoe was je correct je handen? Hoe en wanneer ontsmet je oppervlaktes? Wat zijn de richtlijnen voor het dragen van een mondmasker”

Binnen de bijzondere jeugdzorg wordt gewerkt met een doorlopend opleidingsprogramma. “Via teamvergaderingen, nieuwsbrieven en sensibilisering houden we infectiepreventie op de radar”, zegt Sabine. “De kracht van herhaling blijft essentieel. Via quizzen, kleine testjes of bevragingen blijven de richtlijnen fris in het geheugen. Infectiepreventie is een vast onderdeel van onze zorgaanpak en bereikt zo ook de bekwame helpers.”

 

Meer info over het attest

Het wettelijke statuut van bekwame helper was een proces van lange adem. NETWERK VERPLEEGKUNDE introduceerde als eerste in Vlaanderen een brochure met bijhorend attest. De brochure biedt praktische tips, een leidraad over wat wel en niet is toegestaan en een duidelijk kader over de rol van de bekwame helper. Bij de brochure hoort een attest waarin de verpleegkundige, na afloop van de opleiding, de taken van de bekwame helper officieel vastlegt. Dit attest moet in drievoud opgemaakt worden: één voor de verpleegkundige of arts, één voor de bekwame helper en één voor de zorgvrager.

Raadpleeg de brochure en het attest.

Wat met de bekwame helper in het buitenland?

De Juridische Adviesgroep (JAG) van NETWERK VERPLEEGKUNDE kreeg de vraag of een vrijwilliger die meegaat naar bijvoorbeeld een buitenlands kamp in dat land mag optreden als bekwame helper. Met welke regels houden ze daar rekening? Het antwoord is eenvoudig: op het grondgebied van een land gelden de regels van dat land. Andere Europese landen kennen wettelijk geen bekwame helper, dus mag een bekwame helper in het buitenland de aangeleerde handelingen niet uitvoeren. Belgische verpleegkundigen met een Europees diploma krijgen een gelijkschakeling van hun diploma als ze in een EU-land willen werken, maar moeten alle plaatselijke wetten volgen in verband met de aanvraag van erkenning, het visum, de toegelaten handelingen, …


Effectieve infectiepreventie via watervrije zorg

Watervrije zorg wint terrein in ziekenhuizen als strategie om infecties te voorkomen. Het Universitair Ziekenhuis Gent (UZ Gent) koos ervoor om – bijna – alle bedside wastafels in de patiëntenzone op intensieve zorg (IZ) weg te halen. Een ingrijpende beslissing, maar wetenschappelijk onderbouwd en met de steun van alle stakeholders. Hoofdverpleegkundige op de afdeling IZ heelkunde Veerle Bosschem en verpleegkundige infectiepreventie Thomas Snoeij nemen ons mee in het boeiende veranderingsproces.

Het UZ Gent is volop aan het bouwen en renoveren. Deze veranderingen brengen heel wat kansen met zich mee om bepaalde onderdeln van het interne zorgbeleid te herzien. “Het idee om wastafels te verwijderen speelt al heel lang, maar de uitvoering ervan kwam in een stroomversnelling tijdens de COVID-19-pandemie”, vertelt hoofdverpleegkundige op de afdeling IZ heelkunde Veerle Bosschem. “We moesten beter kunnen schakelen tussen de coronagolven en hadden meer nood aan isolatiekamers zodat de reguliere zorg maximaal kon doorgaan. We wisten dat de aanwezige wastafels in de nabije patiëntomgeving een potentiële bron van kruisbesmetting waren. We zagen dus een opportuniteit tijdens de verbouwing om de bedside wastafels te verwijderen.”

Thomas Snoeij, verpleegkundige infectiepreventie, vult aan: “Wastafels worden al jaren gelinkt aan de verspreiding van bacteriën zoals Pseudomonas aeruginosa en multiresistente gram-negatieve bacterieën. De eerste wetenschappelijke publicatie hierrond dateert van 1967[1] en intussen hebben verschillende studies aangetoond dat lavabo’s een reëel infectierisico vormen. Een systematic review[2] die het verwijderen van de wastafels onderzocht, bevestigt bovendien dat de eliminatie van wastafels de kolonisatie van gram-negatieve bacteriën op IZ aanzienlijk vermindert.” Hierbij moeten wel Iin acht genomen dat in de meeste studies waarbij de wastafels verwijderd zijn, dit een reactie was op een uitbraak met multi-resistente bacterien.

Wastafels als infectiehaard

Uit internationaal onderzoek blijkt dat wastafels in ziekenhuizen vaak kolonies van antibiotica-gevoelige en/of -resistente pathogene bacteriën herbergen. De biofilm in de afvoer is een perfecte voedingsbodem voor micro-organismen. “Studies[3][4] tonen aan dat bacteriën bijvoorbeeld vanuit de afvoer omhoog migreren en zo de omgeving kunnen koloniseren. Zodra water in contact komt met de besmette afvoer, kunnen druppels en aerosolen bacteriën tot wel anderhalve meter rond de wastafel verspreiden”, legt Thomas uit. “Water klinkt hygiënisch, maar in een ziekenhuisomgeving kan het net een vector voor infecties zijn. Als je weet dat de aanwezigheid van een handwaspunt in zo’n besmette omgeving het risico op overdracht verhoogt, begrijp je waarom we deze beslissing namen, zeker op afdelingen met een kwetsbare patiëntenpopulatie.”

Een mentaliteitsverandering

Het verwijderen van wastafels in een ziekenhuissetting is een ingrijpende verandering. De implementatie van het nieuwe beleid verliep dan ook niet zonder slag of stoot. Een goed gedocumenteerde motivatie bood gedeeltelijk een antwoord op de vragen en ongerustheden van de zorgverleners op de werkvloer. “Verpleegkundigen gebruiken water instinctief als basis voor hygiëne”, vertelt Veerle. “Het idee dat de patiënten hygiënische zorgen moeten krijgen zonder stromend water in de buurt en zonder een mogelijkheid om gebruikt water te verwijderen, voelde voor velen onnatuurlijk. Verpleegkundigen, artsen en andere zorgverleners maakten zich ook zorgen over handhygiëne omdat de mogelijkheid om de handen onmiddellijk bedside te wassen niet meer mogelijk was. We zetten daarom alle mogelijke communicatiemiddelen in om iedereen mee te nemen in het waarom van het verhaal.”

Om het personeel te overtuigen organiseerde de dienst intensieve zorg informatiesessies met verpleegkundigen en infectiepreventie-experts, demonstraties van alternatieve hygiënische methodes en wisselde het leidinggevend kader ervaringen uit met andere zorginstellingen die reeds watervrij werkten. “We hebben vooral veel geluisterd en namen de bezorgdheden van onze medewerkers ernstig zodat we samen met hen konden zoeken naar oplossingen. De verpleegkundigen hebben hun zorgorganisatie geleidelijk aan moeten aanpassen aan de nieuwe manier van werken.”

De implementatie van watervrije zorg

De overgang naar watervrije zorg vergt een grondige voorbereiding. Op het vlak van zorgorganisatie en infrastructuur waren significante aanpassingen nodig, net als een mentaliteitsshift bij het personeel. “Op dit moment voorzien we wastafels enkel nog in het sas van de isolatiekamers, in de verpleegpost en in de utility room. De wastafels in het sas en in de verpleegpost zijn uitsluitend bestemd voor handhygiëne. In de spoelruimte kunnen verpleegkundigen of logistieke medewerkers materialen reinigen zonder het risico op verspreiding van bacteriën in de patiëntomgeving”, licht Veerle toe. “We keken erop toe dat in de kamers en op de afdeling alles voorhanden is om veilig en hygiënisch te werken.”

Hygiënische zorgen bij bedlegerige patiënten voert het UZ Gent op alle afdelingen in het ziekenhuis al sinds 2018 uit met kant-en-klare washandjes geïmpregneerd met reinigende en hydraterende lotion. De patiënt afspoelen is niet meer nodig; de plooien goed nadrogen is een aandachtspunt. Spoelvloeistoffen en lichaamsvochten zoals urine, stoelgang of braaksel vangen verpleegkundigen op in eenmalig bruikbare verpulverbare bekkens die in een verpulveraar terechtkomen. Sommige vloeistoffen of lichaamsvochten moeten in de slokop in de spoelruimte. Dit is een speciale afvoer in de spoelruime die lichaamsvloeistoffen en restwater veilig afvoert waardoor kruisbesmetting wordt voorkomen.

Tanden poetsen en water drinken gebeurt met flessenwater en aan het bed zijn vochtige doekjes en meerdere punten met handontsmettingsalcohol beschikbaar in het kader van een goede handhygiëne. “Verschillende alternatieven werden uitvoerig getest en uiteindelijk goed bevonden door onze zorgverleners. En het belangrijkste? We voorkomen infecties bij onze patiënten maar dragen ook zorg voor de veiligheid van onze medewerkers”, zegt Veerle.

Watervrije zorg als toekomstvisie

Watervrije zorg is een doordachte, evidencebased strategie voor infectiepreventie. De implementatie in het UZ Gent bewijst niet alleen dat dit in de praktijk haalbaar is, maar ook dat het effectief bijdraagt aan de patiëntveiligheid en een hygiënische zorgomgeving. “Onderzoek toont een significante daling in de kolonisatie van pathogenen op IZ”, besluit Thomas. “De aanvankelijke twijfel is omgeslagen in overtuiging. Onze aanpak werkt zelfs besmettelijk, want ook andere afdelingen en ziekenhuizen tonen al interesse in deze manier van werken.”

[1] Kohn, 1967, Pseudomonas infection in hospital, British Medical Journal

[2] @ Low et al, 2024, The impact of sink removal and other water-free interventions in intensive care units on water-borne healthcare-associated infections: a systematic review, Journal of hospital infection

[3] Kotay, 2017, Spread from the sink to the patient: In Situ study using GFP-expressing E. Coli to model Bacterial dispersion from hand-washing sink-trap reservoirs

[4] Hino et al, 2020, Drain outlets in patient rooms as sources for invasive fusariosis: an analysis of patients with haematological disorders


Hoofddoeken in een ziekenhuissetting

Mag je als zorgverlener een hoofddoek dragen in het ziekenhuis, ja of neen? Volgens Els De Haes, verpleegkundig ziekenhuishygiënist en stafmedewerker verpleegkundig en paramedisch departement in het Mechelse AZ Sint-Maarten en lid van de werkgroep Infectiebeheersing van NETWERK VERPLEEGKUNDE (WIN) gaat de vraag verder dan de zorgverlener zelf. “Naast de persoonlijke keuze van de zorgmedewerkers, spelen ook hygiëne en veiligheid een rol in het ziekenhuisbeleid rond hoofddoeken.”

Unia, de openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijkheid bevordert, onderstreept het belang van een helder beleid rond hoofddoeken en andere religieuze symbolen op de werkvloer. Het recht op een gelijke behandeling en de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst staan daarbij centraal. Al is dit niet absoluut, bijvoorbeeld wanneer hygiëne- en veiligheidsrisico’s opduiken zoals in een ziekenhuisomgeving.

In AZ Sint-Maarten in Mechelen buigt de dienst hr zich samen met de dienst ziekenhuishygiëne en de preventiedienst over een duidelijk kader voor hoofddoeken op de werkvloer. Om dit vanuit hygiënisch standpunt te onderbouwen, deed Els De Haes zowel in 2021 als aan het einde van 2024 een rondvraag bij collega-ziekenhuishygiënisten via drie platformen: de WIN, het regionaal platform ziekenhuishygiëne voor de regio Antwerpen en bij ziekenhuisnetwerk Briant, waartoe AZ Sint-Maarten behoort. “De nieuwe rondvraag voerde ik uit omdat we ons beleid herbekijken vanuit de OSKAR-kernwaarden van het ziekenhuis: openheid en diversiteit, samenwerken, kwaliteit, ambitie en respect. Daarin worden hygiëne- en veiligheidsoverwegingen meegenomen. De respons op de bevraging was in beide jaren uiteenlopend”, zegt ze. “In de responderende ziekenhuizen zijn hoofddoeken toegelaten onder bepaalde voorwaarden. Zo mag de hals meestal niet bedekt worden en moet de hoofddoek achteraan geknoopt worden. Soms worden voorwaarden geformuleerd over de neutraliteit van de hoofddoek inzake kleur, bedrukking en afwezigheid van gadgets. Belangrijke bepalingen die bijna bij alle respondenten terugkomen zijn het frequent vervangen van de hoofddoek, zoals het dagelijks wassen en bij zichtbare vervuiling. Daarnaast moet het wasproces op minstens zestig graden gebeuren en mag de hoofddoek niet loshangen of op de arbeidskledij hangen. Net zoals in het AZ Sint-Maarten voorzien sommige andere ziekenhuizen hoofddoeken voor hun medewerkers, die al dan niet verplicht te dragen zijn in plaats van een eigen hoofddoek.”

Van richtlijn naar praktijk

Naast een eigen rondvraag keek Els eerst naar richtlijnen in binnen- en buitenland. De SRI-richtlijn (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie) in Nederland laat het dragen van een sjaal, hoofddoek, capuchon of ander hoofddeksel toe wanneer die niet in contact komen met de directe omgeving van de patiënt of met patiëntmateriaal, en wanneer die wordt verschoond bij het begin van elke dienst en meteen bij zichtbare verontreiniging. “In België baseren we ons op de aanbevelingen rond textiel in zorginstellingen van de Hoge Gezondheidsraad, die op haar beurt verwijst naar de codex over het welzijn op het werk”, zegt Els. “In de codex staat dat werkkledij alle veiligheids-, gezondheids- en kwaliteitswaarborgen moet bieden, maar ook aangepast moet zijn om risico’s te voorkomen bij de activiteiten van de werknemer. De codex zegt ook dat een werknemer die in de nabijheid komt van bewegende arbeidsmiddelen geen loshangende werkkledij mag dragen.”

In het AZ Sint-Maarten worden hoofddoeken voor de medewerkers voorzien die rekening houden met deze voorschriften. De hoofddoeken zijn zwart of wit en worden achteraan geknoopt. De hals, schouders en het gezicht zijn vrij en de hoofddoek mag de arbeidskledij niet bedekken. Werkkledij raak je vaak aan en is een potentiële vector voor kruisbesmetting. Dat betekent: een hoog risico op contaminatie. Omdat de hoofddoek ook als werkkledij beschouwd wordt, gelden dezelfde hygiënische richtlijnen om deze besmettingsrisico’s te minimaliseren.

Waar wel en waar niet?

Waar binnen AZ Sint-Maarten tot hiertoe de hals en kin niet bedekt mogen zijn, wordt dit herzien naar aanloop van het nieuwe beleid. “Daarin bekijken we of we halsbedekking wel kunnen toelaten, mits de hoofddoek aansluitend is”, zegt Els. “Enerzijds is dat om hygiënische redenen. Zo hangt de hoofddoek niet bovenop de arbeidskledij, en komt die niet in contact met de patiënt en zijn omgeving of met het medisch verpleegkundig materiaal. Anderzijds is dit een veiligheidsmaatregel. Binnen een zorgsetting kom je vaak met rollend materiaal in contact. Je wil niet dat de stof tussen die wielen vast komt te zitten. Ook in gevallen van agressie is een loshangende hoofddoek gevaarlijk.”

Een hoofddoek is overal in het ziekenhuis toegestaan, behalve wanneer de hygiëne of de veiligheid in het gedrang komen. Wie in het OK of in de keuken werkt, draagt ook geen hoofddoek. Daar gaat het om praktische bezwaren. De specifiek ontworpen mutsen voor die omgeving vermijden de verspreiding van haarpartikels. De combinatie met een hoofddoek is niet handig. “Een hoofddoek moet toelaten dat het gelaat van de medewerker volledig zichtbaar blijft. Dit is een belangrijk punt om mee te nemen vanuit onze visie rond openheid en respect. We zijn dus geen voorstander van hoofddoeken die de kin bedekken, ook niet omdat dit belet om hygiënisch te kunnen werken. Een mondneusmasker moet je bijvoorbeeld vlot aan en uit kunnen doen, en moet de neus, mond en kin bedekken, omdat het goed moet aansluiten aan het gelaat. Met een hoofddoek die de kin bedekt is dat moeilijker en creëer je een groter gevaar op besmetting bij hoesten, niezen, eten of drinken. Zo ontstaan meer risico’s voor de patiënt en zijn omgeving, en ook voor de medewerker zelf. Het nieuwe beleid is er nog niet, dit zit momenteel in de beoordelingsfase. Er zijn nog enkele belangrijke stappen te volgen waaronder de bespreking met de werknemersafvaardiging.”

Basis van vertrouwen

Verpleegkundigen en andere zorgverleners mogen een hoofddoek dragen in het AZ Sint-Maarten. Voor hen wordt al jaren een geschikte hoofddoek voorzien. Ook ander ziekenhuispersoneel heeft de vrije keuze om een hoofddoek te dragen. Bij medewerkers die geen contact hebben met de directe patiëntomgeving of patiëntmateriaal zijn de hygiënische voorwaarden om kruisbesmetting te vermijden over het algemeen niet van toepassing. Het veiligheidsaspect van een aansluitende hoofddoek kan hier wel een rol spelen, bijvoorbeeld bij medewerkers van een transportdienst of technische dienst.”

Het ziekenhuis vraagt zorgverleners om bij de start van elke shift de hoofddoek te vernieuwen. “We voorzien die hoofddoeken zelf zodat we de kwaliteit van de stof en een valide wasproces kunnen garanderen. Indien een eigen hoofddoek mag gedragen worden, moet de medewerker erop letten dat die gewassen mag worden op 60 graden, krimpvrij is en geen partikels of pluizen loslaat. In dat geval heeft het ziekenhuis er natuurlijk geen zicht op of die hoofddoek correct gewassen wordt, maar nu weten we ook niet of de medewerker de hoofddoek elke shift vernieuwt. Dat gebeurt in vertrouwen.”

Vormt de hoofddoek een drempel voor personen die een hoofddoek willen dragen om voor de zorg te kiezen? “Hr geeft aan dat er alleszins veel vragen komen, over wat wel of niet is toegestaan”, zegt Els. “Het gebeurt soms ook dat tijdens sollicitatiegesprekken de onderlinge verschillen tussen ziekenhuizen wat betreft hoofddoeken worden aangekaart. Ook daarom is een duidelijk beleid belangrijk.”

 

Heb je vragen over hoe je het beleid rond hoofddoeken in jouw zorginstelling aanpakt? Unia informeert en adviseert via unia.be/nl/dossiers/hoofddoek-werk.


Infectiepreventie: het fundament van onze zorg

Infectiepreventie vormt de basis voor veilige, kwaliteitsvolle zorg. Zorginfecties voorkomen en antibioticaresistentie aanpakken zijn uitdagingen waar elke zorgsetting mee kampt. Gelukkig rekenen instellingen op de steun van Sciensano. Een van de afdelingen binnen dit federale onderzoekscentrum is de dienst Zorginfecties en Antibioticaresistentie. Arts-wetenschapper Kat Matthys legt uit hoe haar eenheid ‘Infectiepreventie en -beheersing’ meewerkt aan innovatieve oplossingen die verpleegkundigen ondersteunen in hun dagelijkse praktijk.

Sciensano is een wetenschappelijke instelling en het federale onderzoekscentrum voor de volksgezondheid in ons land. De dienst Zorginfecties en Antibioticaresistentie speelt een sleutelrol in de strijd tegen zorginfecties. “Ons team monitort zorginfecties en antibioticaresistentie in Belgische zorginstellingen, analyseert de gegevens en ondersteunt instellingen bij het nemen van gepaste maatregelen”, vertelt wetenschapper Kat Matthys. “We werken zeker niet alleen reactief, maar ook proactief, om zoveel mogelijk infecties en uitbraken te voorkomen.”

Om dit doel te bereiken, werkt de dienst aan diverse projecten die een directe impact hebben op verpleegkundigen en de bredere zorgsector. Twee van deze projecten staan momenteel in de kijker: de ontwikkeling van een handhygiënetool en het CHIPS-project.

Gouden standaard voor handhygiëne

“Handhygiëne is de basis van infectiepreventie in elke zorgsetting”, benadrukt Kat. Toch is de manier waarop zorginstellingen handhygiëne monitoren sterk uiteenlopend. Dat maakt het lastig om resultaten te vergelijken en op basis daarvan gerichte verbeteringen door te voeren. Daarom werkt Sciensano aan een nieuwe tool. “Het wordt een mobiele applicatie compatibel met de courante softwareplatformen die ter beschikking zal worden gesteld van ziekenhuizen. De app is nog in volle ontwikkeling en zal eerst door enkele ziekenhuizen uitvoerig getest worden, maar hij komt er binnenkort. De tool biedt een uniforme manier om handhygiëne te monitoren en bevordert zo een gestandaardiseerde aanpak in heel België. Vanaf februari kunnen zorgprofessionals de applicatie al uittesten via een extranet. “Het inputten kan binnenkort beginnen, al is vooral de output relevant en hoe er met de informatie wordt omgegaan.”

CHIPS: kwaliteitsindicatoren in kaart

Een tweede project waar Kats unit aan werkt is CHIPS, kort voor ‘Check Hospital Infection Prevention Status’. Dit project richt zich op het monitoren van kwaliteitsindicatoren voor infectiepreventie. “Met deze tool zullen ziekenhuizen hun beleid rond infectiepreventie kunnen optimaliseren en gegevens makkelijker vergelijken met andere instellingen”, aldus Kat. CHIPS maakt het mogelijk om data op uniforme wijze te verzamelen en te analyseren. Dit helpt niet alleen de zorginstellingen, maar ook Sciensano zelf. “Een goed inzicht in deze indicatoren betekent dat beleidsmakers gepaste maatregelen kunnen zich nemen om in de toekomst zorginfecties en uitbraken beter de baas kunnen.”

Het Outbreak Support Team

Naast deze tools speelt ook het Outbreak Support Team (OST) een cruciale rol in infectiepreventie. Dit multidisciplinaire team staat klaar om zorginstellingen te ondersteunen bij de aanpak van een uitbraak. Het is samengesteld uit OST-artsen en verpleegkundigen van Sciensano en het Departement Zorg, eventueel aangevuld met externe experten zoals van het Nationaal Referentiecentrum. “Het OST combineert expertise van verschillende disciplines om snel en doeltreffend op te treden bij zo’n situaties”, vertelt Kat. “Al zijn we lang niet alleen actief bij een outbreak, we hebben voornamelijk een preventieve rol. Op een tweemaandelijks regio-overleg leren wij van elkaar. We delen er effectieve praktijken en houden de vinger aan de pols. Op basis van de noden die tijdens het overleg naar voren komen en relevante, actuele data helpen wij concrete handvatten te ontwikkelen om de infectiepreventie in zorgsettings te optimaliseren, zoals checklists of een gebruiksvriendelijke tool om een epicurve te genereren. Daarnaast brengen we instellingen in contact met experts uit specifieke domeinen. We zijn er om elkaar te versterken. Het is goed dat dit nog eens onder de aandacht komt. Een uitbraak kan altijd en overal voorkomen, weet dus dat ondersteuning voorhanden is.”

Samen bouwen aan veilige zorg

Behalve relevant onderzoek levert Sciensano ook directe bijstand en richtlijnen om zorginstellingen beter voor te bereiden op toekomstige uitbraken. Dit maakt hen een essentiële partner voor iedereen die in de frontlinie van de zorg staat. Met innovatieve tools en de expertise van het Outbreak Support Team zet Sciensano in op een toekomst waarin zorginfecties en antibioticaresistentie beter beheersbaar zijn. “Verpleegkundigen spelen hierin een onmisbare rol”, besluit Kat. “Zij staan aan het bed van de patiënt en zijn vaak de eersten die veranderingen opmerken. Onze taak is om hen bij te staan met evidencebased kennis, middelen en praktische tools.”

Meer weten over het OST of contact opnemen met dit team? Klik hier.


Op zoek naar hiaten in infectiepreventie met IRIS

In 2020 markeerde de oprichting van de regionale HOST-netwerken (Hospital Outbreak Support Team) het begin van een nauwere samenwerking tussen ziekenhuizen, met verschillende initiatieven ter verbetering van infectiepreventie en antibioticagebruik als resultaat. Eén van de eerste projecten binnen het HOST Plexus-netwerk in Oost-Vlaams-Brabant was de IRIS of Infectie RIsico Scan. Caroline Haesebroek, verpleegkundig ziekenhuishygiënist, zette mee haar schouders onder de uitrol van IRIS in het Heilig Hartziekenhuis van Leuven.

De Infectie RIsico Scan (IRIS) is een onderzoeksmethode die werd ontwikkeld in het Amphiaziekenhuis in Breda. Na verdere optimalisaties deed IRIS in 2021 zijn intrede in de ziekenhuizen van het HOST Plexus-netwerk, met als hoofddoel het evalueren en verbeteren van infectiepreventiemaatregelen en antibioticagebruik in ziekenhuizen. “De methode geeft een helder overzicht van de risicofactoren op het vlak van infectiepreventie op alle afdelingen, wat cruciaal is voor het definiëren van gerichte actiepunten”, vertelt Caroline.

IRIS neemt verschillende proces- en uitkomstvariabelen onder de loep, zoals het gebruik van invasieve hulpmiddelen en antibiotica of de naleving van hand-, omgevings- en kledingvoorschriften. De verzamelde data worden vertaald naar een risicoprofiel en een verbeterplot, een grafische weergave die direct inzicht biedt in de huidige situatie en verbeterpunten. “Zorgprofessionals krijgen zo in één oogopslag de knel- en aandachtspunten te zien”, aldus Caroline.

Kennisdeling

Sinds 2021 voert Caroline samen met haar team in het Heilig Hartziekenhuis in Leuven op alle afdelingen een Infectie RIsico Scan uit. “We leggen de resultaten van de verschillende afdelingen naast elkaar om tot een uniforme meting te komen”, legt Caroline uit. Daarnaast vergelijkt het team de resultaten met andere ziekenhuizen binnen het Plexus-netwerk. “Dit opent de deur voor waardevolle kennisdeling en het delen van best practices.”

Van meting tot actie

Een van de kernpunten van de IRIS is het evalueren van de omgevingshygiëne met adenosinetrifosfaat (ATP). Kort samengevat geeft een ATP-meting de mate van aanwezigheid van organisch materiaal weer via licht. In het Heilig Hart Ziekenhuis kwam zo een miscommunicatie tussen het onderhouds- en zorgpersoneel naar boven over de reiniging van wc-stoelen op patiëntenkamers. “Na duidelijke afspraken werd dit probleem meteen rechtgezet. Vaak is het simpelweg een kwestie van weten”, zegt Caroline.

Handhygiëne is een tweede belangrijke pijler. Voordien werd dit alleen gemeten via het verbruik van handalcohol, maar dit bleek niet voldoende om de daadwerkelijke naleving van hygiëneprotocollen te evalueren. Daarom startte het team met observaties van het gedrag van het zorgpersoneel en zette het een brede actie op om het zorgpersoneel bewust te maken van de richtlijnen rond handhygiëne.

Verder bleek er ook ruimte voor verbetering bij invasieve hulpmiddelen. “Op de spoedafdeling krijgen patiënten standaard een bloedname en een perifere katheter met een perifeer slotje. We merkten dat de noodzaak van dit slotje pas na 48 uur opnieuw geëvalueerd werd. Dat is verstrengd en teruggebracht naar 24 uur. Hoe langer een invasief hulpmiddel onterecht aanwezig is, hoe hoger het risico op infecties.”

Blijvend verbeterproces

De IRIS stelt ziekenhuizen in staat gerichte feedback te geven aan artsen en verpleegkundigen op elke afdeling. “Samen leggen we specifieke verbeterpunten bloot en koppelen we er concrete acties aan om de kwaliteit van infectiepreventie binnen de ziekenhuismuren te verhogen. Het is vervolgens aan de afdeling zelf om de nodige initiatieven te nemen. Uiteraard met onze ondersteuning.” Inmiddels hebben alle afdelingen in het Heilig Hartziekenhuis de eerste cyclus doorlopen en starten ze binnenkort met de tweede. “IRIS is een arbeidsintensieve methode, maar de impact ervan is van onschatbare waarde.”


Hoe ziekenhuishygiëne in dertig jaar tijd evolueerde

In april trekken Frank Van Laer en Mia Vande Putte de deuren van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA) en het Universitaire Ziekenhuizen Leuven (UZL) achter zich toe. Deze twee boegbeelden op het vlak van ziekenhuishygiëne gaan dan met pensioen. Hun rijkgevulde carrière is er een van hoogtepunten en af en toe ook een minder moment. Ze zagen een duidelijke positieve evolutie in de sector, zowel op wetenschappelijk als op juridisch en organisatorisch vlak. Een terugblik en goede raad voor de nieuwe generatie ziekenhuishygiënisten.

Frank Van Laer zag in zijn dertigjarige carrière heel wat veranderen. Hij kwam in het UZA terecht via zijn werk voor het Instituut voor Tropische Geneeskunde Antwerpen. Als een van de weinigen in ons land bezat hij op dat moment kennis over HIV en aids, iets waar in ziekenhuizen toen zeer angstig mee omgegaan werd. Frank trok door heel Vlaanderen om opleidingen te geven en vergaarde niet alleen veel expertise, maar ook aanzien. “Toch vind ik de belangrijkste evolutie in onze job de digitalisering van de registratie en stipte opvolging van ziekenhuisinfecties”, zegt Frank. “Intern werkten we een alarmsysteem uit en ook op overheidsniveau is er een en ander geoptimaliseerd. We zitten vandaag met zeer verfijnde procedures in een overzichtelijk en digitaal documentbeheersysteem. De tijd dat we met een heleboel kaften moesten werken, is definitief voorbij.”

Dertig jaar geleden was ziekenhuishygiëne een nobele onbekende in het zorglandschap. Vandaag weet iedere zorgverlener ziekenhuishygiënisten vlot te vinden en te raadplegen. “Het resultaat van goede mond-tot-mondreclame”, lacht Frank. “Maar vooral ook omdat ze weten dat we diverse problemen behandelen en aankunnen. De creatie van de functie referentieverpleegkundige ziekenhuishygiëne speelde een belangrijke rol om ons vak te promoten.” Ook Mia ondervond die opmars van het beroep. Toen ze startte was de ze enige in het UZ Leuven, vandaag werkt er een team van tien mensen, waarvan zes verpleegkundigen. “We zijn een volwaardige dienst geworden”, zegt Mia. “In het begin was het best een eenzame job, maar dat maakte ook wel dat ik elders contacten en kennis ging zoeken. Zo ben ik al 35 jaar lang lid van de werkgroep Infectiebeheersing van de Hoge Gezondheidsraad. Dat is al lang geen grijze muis meer. Samen met zorgverstrekkers uit vele andere disciplines gaven artsen en verpleegkundigen ziekenhuishygiëne inhoudelijk vorm aan de hand van vele Aanbevelingen. Ik kwam ook terecht in de werkgroep infectiepreventie van het NVKVV en andere samenwerkingen buiten het UZ Leuven raakten steeds beter georganiseerd waardoor er een echt netwerk ontstond. Denk maar aan de verplichte federale en regionale vergaderingen ziekenhuishygiëne en de verplichte vertegenwoordiging van ziekenhuishuishygiëne in organen van het ziekenhuis, zoals het comité Medisch Materiaal. Voor mij werkten die externe werkgroepen verruimend, inspirerend en bemoedigend.”

Variatie

Ook de wetenschap staat niet stil. Op dat vlak vonden in al die jaren belangrijke evoluties plaats. “Zoals het vinden van info, maar ook publicaties en kennis die steeds toegankelijker werden. Denk maar aan de oprichting van Noso Info”, licht Mia toe. Frank denkt op zijn beurt aan de evolutie van materialen, die niet stilstaat. “Dat is toch een groot deel van ons werk en vraagt een zeer ruime kennis, maar ook een nauw contact met de andere diensten van het ziekenhuis. Er zijn veel vertegenwoordigers en leveranciers. Je moet de verschillen onderzoeken en dan de beste prijs-kwaliteitverhouding selecteren. Daarin speelt bijvoorbeeld ook de beschikbaarheid van didactisch materiaal mee. Misschien leeft daar nog een verkeerde perceptie van onze job. We schrijven niet gewoon van achter een bureau richtlijnen uit. Dit gebeurt in ziekenhuishygiëne, maar het is ook absoluut veel meer dan handhygiëne. Het is een dynamische, gevarieerde job met veel contacten, afwisseling en multidisciplinair overleg. Je behandelt verschillende problematieken en helpt veel mensen vooruit. Het introduceren van nieuwe materialen en werkwijzen is een heel secuur proces.”

Ploeteren door COVID-19

Waren er dan geen dieptepunten? “Zeker wel, dat heb je in iedere carrière”, zegt Frank. “Voor mij persoonlijk was dat het onverwachte overlijden van mijn collega. Dat liet een diepe indruk na. Niet alleen het gemis van die persoon, maar ook de kennis die van de ene dag op de andere verdween was een zware dobber. Daarnaast laat ook covid zijn sporen na. Aan de start van de pandemie denk ik dat we het allemaal wel spannend vonden omdat we niet wisten wat er precies op ons af kwam. Intussen leven we er al twee jaar mee en is het niet eenvoudig om de regels van Sciensano en de wisselende beschikbaarheid van materiaal af te stemmen op de regels binnen het ziekenhuis. Je wil geen foute informatie verspreiden, maar de richtlijnen veranderen zo vaak dat het ook voor hygiënisten soms niet meer duidelijk is. Bovenal is het lastig dat ander werk blijft liggen.”

Ook voor Mia waren er in de geschiedenis van de ziekenhuishygiëne enkele laagtepunten zoals aids, de uitbraak van MRSA of covid. “Daarin volg ik Frank. Die wisselende adviezen, inzichten en materialen voor COVID-19 zijn haast niet bij te houden”, zegt ze. “Het was vaak ploeteren en overleven, zonder duidelijke procedures. Tegelijk leidden deze periodes tot een revival van ziekenhuishygiëne. Het advies van het team ziekenhuishygiënisten werd incontournable bij de beslissingen. Een hoogtepunt was het KB in 2007, waarin de opdracht van ziekenhuishygiënisten en de opleiding die ze moesten volgen werd omschreven. Dat was echt een nieuwe start voor onze job. Ook op vlak van materiaal ben ik het eens dat er veel zaken ten goede veranderden. Denk maar aan handalcohol, wegwerpmaterialen of unidosissen. Op persoonlijk vlak ben ik best fier op mijn werk in de opleiding tot ziekenhuishygiënist en op mijn boek Van hygiëne tot infectiepreventie, dat in de opleiding verpleegkunde gebruikt wordt en waardoor ik de betekenis van goede zorg en ziekenhuishygiëne kan doorgeven. Maar bovenal kijk ik tevreden terug op mijn missies in China en Rwanda sinds 2009. Het contrast met onze situatie was best confronterend en dat geldt in beide richtingen: we hebben vaak zoveel mogelijkheden en maken er niet optimaal gebruik van.”

Zoek uitdagingen

Mede door de pandemie blijven de doelen die Frank en Mia nog wilden bereiken wat liggen. Zo had Frank graag nog een procedure uitgewerkt rond het gebruik van zijleidingen. Dat hoopt hij nu door te geven aan zijn opvolger, die hij volop opleidt. Ook voor nieuwe ziekenhuishygiënisten heeft hij nog goede raad klaar. “De start als ziekenhuishygiënist kan overweldigend zijn. Je wordt er echt in gesmeten en er zijn de verplichte registraties en procedures die je onder de knie moet krijgen. De praktijk vormt je, maar reken op drie jaar eer je het echt in de vingers hebt. Er duiken ook altijd nieuwe zaken op. Zo werkte ik mee aan het behalen van de accreditatie voor het ziekenhuis, mede door aan goede preventie te doen. Of zat ik middenin de legionellaproblematiek in het UZA. Toen is zelfs de CDC (Centers for Disease Control and Prevention) uit de Verenigde Staten overgevlogen om deze outbreak te onderzoeken. Outbreaks maak je altijd wel mee en je documenteert die. De oorzaak vinden is niet eenvoudig en vaak frustrerend, maar als het lukt, heb je wel heel wat levens gered. Zo ontdekten we een ontsmettingsmiddel dat besmet was tijdens het productieproces bij de fabrikant. Mijn advies voor de nieuwe generatie: ga de uitdagingen aan en blijf nieuwsgierig. Verleg je grenzen.”

Mia treedt Frank graag bij en benadrukt het belang van ook eens buiten het ziekenhuis te gaan kijken. “Lees veel en omring je met de juiste informatie en inspiratie. Werk met zorgvuldige protocollen voor professionals. Weet wat je wil, maar wees ook bereid tot een akkoord te sluiten. Je moet beseffen dat je bij ziekenhuishygiëne mensen moet overtuigen tot een gedragsverandering. En dat vraagt geduld en vertrouwen. Wanneer je zorgverstrekkers meermaals goede adviezen gegeven hebt, accepteert of vraagt men zelfs dat je ook toezicht houdt. Het zijn de twee accenten in onze opdracht. Maar mijn belangrijkste goede raad? Ga projectmatig te werk, handel op de lange termijn en hanteer een multidisciplinaire visie.”


Verpleegkundig-ziekenhuishygiënist en IFIC

Op verzoek van de sociale partners werkt het IFIC vzw aan de actualisering van de functieclassificatie voor de sectoren van het paritair comité 330. Hierbij worden de sectorale referentiefuncties onderverdeeld in categorieën, waaraan ook nieuwe loonbarema’s gekoppeld zijn. De start werd gegeven in 2017 en in 2021 vonden de onderhoudsprocedure en enkele rondetafelgesprekken plaats. Een schets van het werk dat verzet werd en de onduidelijkheid die vandaag nog heerst.

Op 11 december 2017 ondertekenden de sociale partners voor dit paritair comité twee collectieve arbeidsovereenkomsten voor alle medewerkers in de federale en geregionaliseerde gezondheidsdiensten. De nieuwe functieclassificatie is sinds 1 januari 2018 van toepassing op de federale (privé)sectoren. In april 2018 deelden de werkgevers de individuele functietoewijzing met het gekoppelde loonbarema mee aan de werknemers. Zij konden kiezen of ze hier al dan niet op intekenden.

Het functie- en competentieprofiel van het IFIC voor verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten werd voor 2018 opgesteld door consultants aangeduid door het IFIC. Zij verkregen informatie via een bevraging waarover geen verdere details beschikbaar zijn. De beroepsorganisaties NVKVV en ABIHH, het Federaal Platform voor Ziekenhuishygiëne en de BAPCOC werden toen niet geconsulteerd. Het door de vier partijen gesteunde Belgische functie- en competentieprofiel voor verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten werd dan ook niet gebruikt als sjabloon om de functie te omschrijven binnen het IFIC-model.

Medewerkers die in 2018 niet akkoord gingen met de functieclassificatie en het hieraan verbonden loonbarema konden via een intern beroep binnen de ziekenhuizen bezwaar aantekenen. De keuze voor het nieuwe barema werd opgeschort tot na de behandeling van het beroep. Een functieclassificatie wordt pas aangepast als 80 procent van de zorginstellingen dit vraagt.

Drie belangrijke tekortkomingen

Op 14 mei 2018 vernamen het NVKVV en de ABIHH dat de functie van verpleegkundig-ziekenhuishygiënist zal worden meegenomen in de onderhoudsfase en dat de aangepaste functiekaart zal worden bekeken bij het herzien van het functie-en competentieprofiel. Dit naar aanleiding van de talrijke aangetekende beroepen vanuit de sector en een gezamenlijke brief van het de werkgroep infectiepreventie van het NVKVV WIN, de ABIHH en de BAPCOC.

Volgens deze organisaties schiet de functiekaart van het IFIC op drie vlakken tekort:

  1. Het juridische statuut (van het KB van 1 april 2007) wordt niet nageleefd.
  2. De wettelijke verplichtingen zijn niet opgenomen in de functiekaart. Het actiegebied van de verpleegkundig-ziekenhuishygiënist is namelijk veel ruimer dan de door het IFIC omschreven inhoudelijke taken.
  3. De functie-inhoud stemt niet overeen met het Belgische beroepscompetentieprofiel voor de functie van verpleegkundig-ziekenhuishygiënist en de huidige praktijken van verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten.

Rondetafelgesprekken

Begin 2021 communiceerde het IFIC de start van de onderhoudsprocedure voor de functie verpleegkundig-ziekenhuishygiënist, samen met tien andere functies. In de aanloop van de onderhoudsprocedure is een aangepaste functiekaart, gebaseerd op het sjabloon van het IFIC, uitgeschreven en gevalideerd door de betrokken organisaties. Vanuit het werkveld kwam het signaal om deel uit te maken van een werkgroep om met de IFIC-commissie tot een juiste en volledige beschrijving van de functie van verpleegkundig-ziekenhuishygiënist te komen.

Vervolgens stuurde het IFIC in maart 2021 een online enquête uit over deze functie naar de ziekenhuisinstellingen die zich hiervoor hadden opgegeven. Zo wilden ze een nauwkeurig beeld krijgen van de totaliteit van de functie en informatie verzamelen over de dagelijkse taken en verantwoordelijkheden van verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten. Het IFIC enquêteerde ook andere werknemers met vergelijkbare rollen in andere organisaties.

Teleurstelling

Om een grote representativiteit van sectorale functies te garanderen, organiseerde het IFIC in mei 2021 individuele en collectieve bijeenkomsten met andere woordvoerders van de functie. Zo vonden er twee rondetafelgesprekken plaats, één met de beroepsorganisaties en één met een op heden onbekend aantal verpleegkundigen-ziekenhuishygiënisten, waarbij enkel de functie-inhoud en niet de inschaling in categorie 17 werd besproken. Het resultaat is een bedroevend verslag waarin geen inhoudelijke aanpassingen worden doorgevoerd.

Op basis van de informatie die tijdens deze verschillende bijeenkomsten werd verzameld, heeft het IFIC een sectorale beschrijving van onze functie opgesteld. Met andere woorden, een beschrijving die onze functie een relevant imago geeft op sectoraal niveau. Daarom zou het kunnen dat sommige specifieke taken niet zijn opgenomen in de uiteindelijke beschrijving. De definitieve ontwerpbeschrijving zal dan ook worden besproken in een technische werkgroep en vervolgens worden onderzocht en gevalideerd door de sociale partners.

Het opstellen van een functiebeschrijving is een lang en nauwgezet proces dat alle actoren in het veld wil bereiken. Zodra de stuurgroep alle bijgewerkte beschrijvingen heeft gevalideerd, moeten ze worden goedgekeurd in het paritair comité 330 en worden geformaliseerd door collectieve arbeidsovereenkomsten. Het streefdoel is om het juridische gesprek af te ronden voor de lancering van fase 2.

Conclusie van de discussie

Het IFIC organiseerde een rondetafelgesprek om de functie van verpleegkundig-ziekenhuishygiënist te laten doorstromen doorheen de onderhoudsprocedure. Er werden geen aanpassingen behouden die een impact hebben op de verantwoordelijkheden van deze verpleegkundigen. Behalve enkele terminologische wijzigingen werden geen aanpassingen doorgevoerd. Kunnen we stellen dat de onderhoudsprocedure van het IFIC haar doel heeft gemist? Wanneer kunnen we stellen dat de procedure correct verlopen is en wie controleert dit?

Het IFIC geeft aan dat de opmerkingen van de beroepsorganisaties in het kader van het rondetafelgesprek worden vastgelegd. Dit betekent niet dat ze worden opgenomen zoals in de beschrijving van de sectorale referentiefuncties. Ze worden grondig onderzocht en behandeld na overleg met de sociale partners. Het IFIC geeft aan dat het belangrijk is om een evenwicht te vinden tussen het integreren van de relevante elementen voor een nauwkeurige beschrijving van de functie en het respecteren van de IFIC-methodologie (logica van sectorclassificatie, grootste gemene noemer, enz.). Het is dus niet gegarandeerd dat de definitieve versie rekening zal houden met alle elementen die op 23 maart 2021 zijn meegedeeld.

 

Thomas Snoeij (verpleegkundige-ziekenhuishygiënist AZ Sint-Lucas Gent) en Yves Velghe (Voorzitter Association Belge des Infirmiers en Hygiène Hospitalière (ABIHH))

Wat is de rol van de verpleegkundig ziekenhuishygiënist?

Als verpleegkundig ziekenhuishygiënist werk je nauw samenwerking met microbiologen, infectiologen en epidemiologen om de ontwikkeling, implementatie en opvolging van het infectiepreventiebeleid te garanderen. De operationele verantwoordelijkheid voor IPC ligt bij het team voor ziekenhuishygiëne, bestaande uit een of meerdere geneesheren-ziekenhuishygiënist en een of meerdere verpleegkundigen-ziekenhuishygiënist, zoals vastgelegd in het KB van 26 april 2007.

De bestaansgrond van de functie verpleegkundige-ziekenhuishygiënist wordt in het Belgisch beroepscompetentieprofiel voor verpleegkundige-ziekenhuishygiënist (2012) beschreven als “het opstellen, invoeren en opvolgen van maatregelen in samenwerking met andere zorgverstrekkers en het formuleren van adviezen teneinde de hygiënische omstandigheden te verbeteren, de zorginfecties te verminderen, en de kwaliteit van zorg en patiëntveiligheid te bevorderen.” Hij/zij staat in nauw contact met verschillende actoren in het ziekenhuis en houdt constant voeling met de werkvloer. De nodige kennis en kunde worden opgebouwd tijdens de specifieke opleiding na of tijdens de master verpleegkunde of volksgezondheid. Kerncompetenties voor de functie zijn plannen, organiseren, analyseren, evalueren, samenwerken en communiceren.


Ontwikkeling nieuwe indicatoren rond infectiepreventie

Het VIKZ of Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg heeft als doel zorgkwaliteit en patiëntveiligheid in de Vlaamse gezondheidszorg transparant te maken en verbeteren. Zo bieden ze niet alleen informatie over zorgkwaliteit aan patiënten, maar geven ze ook inzichten aan de zorgsector en aan het beleid. Daar komt voortaan ook de nieuwe pijler infectiepreventie bij.

Het was minister Jo Vandeurzen die in november 2017 het startschot voor het VIKZ gaf. Hij was een van de bezielers die het instituut vorm gaf, waarna de concrete opstart volgde in januari 2019. Het uitgangspunt van dit nieuwe instituut was de sector ondersteunen om kwaliteit van de zorginstellingen op de valide en betrouwbare manier te meten en rapporteren, dit zowel naar het beleid en de sector toe als naar de patiënten. “Bij de start waren er vooral initiatieven in algemene ziekenhuizen en in de geestelijke gezondheidszorg. De resultaten rond patiëntervaringen en -veiligheid, behandelplannen en oncologie vind je op onze website zorgkwaliteit.be”, zegt directeur Svin Deneckere. “Later zijn ook de residentiële ouderenzorg en de eerstelijn ingekanteld. We zijn een overkoepelend orgaan dat een brug wil vormen tussen sector en beleid en zo mee richting wil geven aan het kwaliteitsbeleid. Zo gaan zorgkwaliteit en transparantie hand in hand.”

Dat doet het VIKZ aan de hand van metingen op basis van een set van indicatoren. Die worden evidencebased ontwikkeld samen met de sector. Het VIKZ gaat steeds uit van de vraag hoe kwaliteit gestimuleerd kan worden. “Daar hebben we in Vlaanderen drie pijlers voor: toezicht op de kwaliteit door de zorginspectie, accreditatiesystemen en indicatoren voor een valide, betrouwbare opvolging”, licht Svin toe. “Die indicatoren bieden inzichten  waar kwaliteit verder kan worden verbeterd en hoe die via de Plan-Do-Check-Act-cirkel kan worden geïmplementeerd. Resultaten op patiëntveiligheid, patiëntenervaringen en oncologie zijn momenteel beschikbaar,  indicatoren rond onder meer beroertezorg, decubitus en suïcidepreventie zijn in ontwikkeling.”

Van domeinen naar indicatoren

Het VIKZ probeert ook meer en meer transversaal te werk en ontwikkelt nieuwe domeinen van indicatoren in alle sectoren. Gaande van PROM’s en PREM’s, geneesmiddelengebruik en zorgcontinuïteit tot infectie en infectiepreventie. “En dat laatste is maatschappelijk bijzonder relevant geworden door COVID-19”, zegt Svin Deneckere. “Een van de indicatoren die we nu al meten in AZ en GGZ is basisvereisten handhygiëne en hoe de zorgverlener deze correct toepast. We stelden een plan op om nieuwe indicatoren in dit domein te ontwikkelen. We denken bijvoorbeeld aan het verder inzetten op preventie door een goede handhygiëne in woonzorg, maar ook over de vaccinatie van zorgmedewerkers. Zo werken we op vraag van de Vlaamse Overheid ook mee aan het meten van de vaccinatiegraden voor COVID-19 bij medewerkers in zorgvoorzieningen. Het juist inzetten van antibiotica is ook een piste, net zoals de prevalentie van infecties. Hoe vaak komen bijvoorbeeld in algemene ziekenhuizen bloedstroominfecties, urineweginfecties, postoperatieve wondinfecties, … voor. Door de Vlaamse overheid werd ook de ventilatie in woonzorgcentra als prioriteit naar voor geschoven.”

Deze domeinen liggen nu ter goedkeuring voor aan het projectteam, waarna aan de hand van een projectplan afspraken met de sectoren worden gemaakt. Er komen ook expertengroepen aan te pas om die indicatoren mee op te zetten en af te toetsen aan het werkveld en de wetenschappelijke evidentie. Na de meting van de indicatoren ontvangen de deelnemende voorzieningen feedbackrapporten met hun resultaten en positie ten opzichte van de sector. Pas na goedkeuring van een onafhankelijk toezichthoudend orgaan (Toezichtscommissie), dat de validiteit, betrouwbaarheid en informatieveiligheid bewaakt, volgt de uiteindelijke rapportering naar het publiek toe op Zorgkwaliteit.be. “Tussen intentie en publicatie moet je toch zeker één jaar rekenen”, zegt Svin. “Om bijkomende registratielast te vermijden willen we steeds zoveel mogelijk bestaande databronnen gebruiken. We bekijken dus eerst wat we hebben en welke cijfers ons ook iets vertellen over de kwaliteit. Die moeten bevestigd worden door de experten en de toezichtscommissie, waarna we aan de slag met de verzameling en verwerking van die data.

Sterke partnerschappen

Een serieuze klus voor een relatief kleine organisatie. De partners zijn dan ook onmisbaar. “Zo is het Vlaams Patiëntenplatform een stichtend lid van het VIKZ, die het belang van transparantie van kwaliteit steeds voorop stelt. We werken ook nauw samen met het Stichting Kankerregister, InterMutualistisch Agentschap IMA, en Sciensano. Het onderzoek naar de indicatoren voor infectiepreventie wordt dan weer gefinancierd door Zorgnet-Icuro, ook een stichtend lid van het VIKZ.”

In het onderzoek naar indicatoren voor beroertezorg zijn ook verpleegkundigen nauw betrokken in de ontwikkelingsgroep. “We werken niet enkel met artsen, kwaliteit is van iedereen”, vindt Svin. “Daarom is het belangrijk de resultaten naar iedereen worden teruggekoppeld. Als verpleegkundige kan je ook impact hebben op de indicatoren. Ik denk dan aan het voorbeeld van voorkomen van doorligwonden of een tijdige slikscreening door de verpleegkundige. Patiëntenpeilingen gaan vaak ook tot op de specifieke afdeling terug, dus daar valt voor verpleegkundigen zeker nuttige informatie uit te halen. Zorgkwaliteit legde al een hele weg af. Het is zeker niet enkel meer een taak van de directie of stafmedewerker, maar wel van iedere speler in het zorglandschap.”

De rapporten en de methodologie voor het ontwikkelen van indicatoren vind je terug op zorgkwaliteit.be.