Effectieve infectiepreventie via watervrije zorg
Watervrije zorg wint terrein in ziekenhuizen als strategie om infecties te voorkomen. Het Universitair Ziekenhuis Gent (UZ Gent) koos ervoor om – bijna – alle bedside wastafels in de patiëntenzone op intensieve zorg (IZ) weg te halen. Een ingrijpende beslissing, maar wetenschappelijk onderbouwd en met de steun van alle stakeholders. Hoofdverpleegkundige op de afdeling IZ heelkunde Veerle Bosschem en verpleegkundige infectiepreventie Thomas Snoeij nemen ons mee in het boeiende veranderingsproces.
Het UZ Gent is volop aan het bouwen en renoveren. Deze veranderingen brengen heel wat kansen met zich mee om bepaalde onderdeln van het interne zorgbeleid te herzien. “Het idee om wastafels te verwijderen speelt al heel lang, maar de uitvoering ervan kwam in een stroomversnelling tijdens de COVID-19-pandemie”, vertelt hoofdverpleegkundige op de afdeling IZ heelkunde Veerle Bosschem. “We moesten beter kunnen schakelen tussen de coronagolven en hadden meer nood aan isolatiekamers zodat de reguliere zorg maximaal kon doorgaan. We wisten dat de aanwezige wastafels in de nabije patiëntomgeving een potentiële bron van kruisbesmetting waren. We zagen dus een opportuniteit tijdens de verbouwing om de bedside wastafels te verwijderen.”
Thomas Snoeij, verpleegkundige infectiepreventie, vult aan: “Wastafels worden al jaren gelinkt aan de verspreiding van bacteriën zoals Pseudomonas aeruginosa en multiresistente gram-negatieve bacterieën. De eerste wetenschappelijke publicatie hierrond dateert van 1967[1] en intussen hebben verschillende studies aangetoond dat lavabo’s een reëel infectierisico vormen. Een systematic review[2] die het verwijderen van de wastafels onderzocht, bevestigt bovendien dat de eliminatie van wastafels de kolonisatie van gram-negatieve bacteriën op IZ aanzienlijk vermindert.” Hierbij moeten wel Iin acht genomen dat in de meeste studies waarbij de wastafels verwijderd zijn, dit een reactie was op een uitbraak met multi-resistente bacterien.
Wastafels als infectiehaard
Uit internationaal onderzoek blijkt dat wastafels in ziekenhuizen vaak kolonies van antibiotica-gevoelige en/of -resistente pathogene bacteriën herbergen. De biofilm in de afvoer is een perfecte voedingsbodem voor micro-organismen. “Studies[3][4] tonen aan dat bacteriën bijvoorbeeld vanuit de afvoer omhoog migreren en zo de omgeving kunnen koloniseren. Zodra water in contact komt met de besmette afvoer, kunnen druppels en aerosolen bacteriën tot wel anderhalve meter rond de wastafel verspreiden”, legt Thomas uit. “Water klinkt hygiënisch, maar in een ziekenhuisomgeving kan het net een vector voor infecties zijn. Als je weet dat de aanwezigheid van een handwaspunt in zo’n besmette omgeving het risico op overdracht verhoogt, begrijp je waarom we deze beslissing namen, zeker op afdelingen met een kwetsbare patiëntenpopulatie.”
Een mentaliteitsverandering
Het verwijderen van wastafels in een ziekenhuissetting is een ingrijpende verandering. De implementatie van het nieuwe beleid verliep dan ook niet zonder slag of stoot. Een goed gedocumenteerde motivatie bood gedeeltelijk een antwoord op de vragen en ongerustheden van de zorgverleners op de werkvloer. “Verpleegkundigen gebruiken water instinctief als basis voor hygiëne”, vertelt Veerle. “Het idee dat de patiënten hygiënische zorgen moeten krijgen zonder stromend water in de buurt en zonder een mogelijkheid om gebruikt water te verwijderen, voelde voor velen onnatuurlijk. Verpleegkundigen, artsen en andere zorgverleners maakten zich ook zorgen over handhygiëne omdat de mogelijkheid om de handen onmiddellijk bedside te wassen niet meer mogelijk was. We zetten daarom alle mogelijke communicatiemiddelen in om iedereen mee te nemen in het waarom van het verhaal.”
Om het personeel te overtuigen organiseerde de dienst intensieve zorg informatiesessies met verpleegkundigen en infectiepreventie-experts, demonstraties van alternatieve hygiënische methodes en wisselde het leidinggevend kader ervaringen uit met andere zorginstellingen die reeds watervrij werkten. “We hebben vooral veel geluisterd en namen de bezorgdheden van onze medewerkers ernstig zodat we samen met hen konden zoeken naar oplossingen. De verpleegkundigen hebben hun zorgorganisatie geleidelijk aan moeten aanpassen aan de nieuwe manier van werken.”
De implementatie van watervrije zorg
De overgang naar watervrije zorg vergt een grondige voorbereiding. Op het vlak van zorgorganisatie en infrastructuur waren significante aanpassingen nodig, net als een mentaliteitsshift bij het personeel. “Op dit moment voorzien we wastafels enkel nog in het sas van de isolatiekamers, in de verpleegpost en in de utility room. De wastafels in het sas en in de verpleegpost zijn uitsluitend bestemd voor handhygiëne. In de spoelruimte kunnen verpleegkundigen of logistieke medewerkers materialen reinigen zonder het risico op verspreiding van bacteriën in de patiëntomgeving”, licht Veerle toe. “We keken erop toe dat in de kamers en op de afdeling alles voorhanden is om veilig en hygiënisch te werken.”
Hygiënische zorgen bij bedlegerige patiënten voert het UZ Gent op alle afdelingen in het ziekenhuis al sinds 2018 uit met kant-en-klare washandjes geïmpregneerd met reinigende en hydraterende lotion. De patiënt afspoelen is niet meer nodig; de plooien goed nadrogen is een aandachtspunt. Spoelvloeistoffen en lichaamsvochten zoals urine, stoelgang of braaksel vangen verpleegkundigen op in eenmalig bruikbare verpulverbare bekkens die in een verpulveraar terechtkomen. Sommige vloeistoffen of lichaamsvochten moeten in de slokop in de spoelruimte. Dit is een speciale afvoer in de spoelruime die lichaamsvloeistoffen en restwater veilig afvoert waardoor kruisbesmetting wordt voorkomen.
Tanden poetsen en water drinken gebeurt met flessenwater en aan het bed zijn vochtige doekjes en meerdere punten met handontsmettingsalcohol beschikbaar in het kader van een goede handhygiëne. “Verschillende alternatieven werden uitvoerig getest en uiteindelijk goed bevonden door onze zorgverleners. En het belangrijkste? We voorkomen infecties bij onze patiënten maar dragen ook zorg voor de veiligheid van onze medewerkers”, zegt Veerle.
Watervrije zorg als toekomstvisie
Watervrije zorg is een doordachte, evidencebased strategie voor infectiepreventie. De implementatie in het UZ Gent bewijst niet alleen dat dit in de praktijk haalbaar is, maar ook dat het effectief bijdraagt aan de patiëntveiligheid en een hygiënische zorgomgeving. “Onderzoek toont een significante daling in de kolonisatie van pathogenen op IZ”, besluit Thomas. “De aanvankelijke twijfel is omgeslagen in overtuiging. Onze aanpak werkt zelfs besmettelijk, want ook andere afdelingen en ziekenhuizen tonen al interesse in deze manier van werken.”
[1] Kohn, 1967, Pseudomonas infection in hospital, British Medical Journal
[2] @ Low et al, 2024, The impact of sink removal and other water-free interventions in intensive care units on water-borne healthcare-associated infections: a systematic review, Journal of hospital infection
[3] Kotay, 2017, Spread from the sink to the patient: In Situ study using GFP-expressing E. Coli to model Bacterial dispersion from hand-washing sink-trap reservoirs
[4] Hino et al, 2020, Drain outlets in patient rooms as sources for invasive fusariosis: an analysis of patients with haematological disorders
Hoofddoeken in een ziekenhuissetting
Mag je als zorgverlener een hoofddoek dragen in het ziekenhuis, ja of neen? Volgens Els De Haes, verpleegkundig ziekenhuishygiënist en stafmedewerker verpleegkundig en paramedisch departement in het Mechelse AZ Sint-Maarten en lid van de werkgroep Infectiebeheersing van NETWERK VERPLEEGKUNDE (WIN) gaat de vraag verder dan de zorgverlener zelf. “Naast de persoonlijke keuze van de zorgmedewerkers, spelen ook hygiëne en veiligheid een rol in het ziekenhuisbeleid rond hoofddoeken.”
Unia, de openbare instelling die discriminatie bestrijdt en gelijkheid bevordert, onderstreept het belang van een helder beleid rond hoofddoeken en andere religieuze symbolen op de werkvloer. Het recht op een gelijke behandeling en de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst staan daarbij centraal. Al is dit niet absoluut, bijvoorbeeld wanneer hygiëne- en veiligheidsrisico’s opduiken zoals in een ziekenhuisomgeving.
In AZ Sint-Maarten in Mechelen buigt de dienst hr zich samen met de dienst ziekenhuishygiëne en de preventiedienst over een duidelijk kader voor hoofddoeken op de werkvloer. Om dit vanuit hygiënisch standpunt te onderbouwen, deed Els De Haes zowel in 2021 als aan het einde van 2024 een rondvraag bij collega-ziekenhuishygiënisten via drie platformen: de WIN, het regionaal platform ziekenhuishygiëne voor de regio Antwerpen en bij ziekenhuisnetwerk Briant, waartoe AZ Sint-Maarten behoort. “De nieuwe rondvraag voerde ik uit omdat we ons beleid herbekijken vanuit de OSKAR-kernwaarden van het ziekenhuis: openheid en diversiteit, samenwerken, kwaliteit, ambitie en respect. Daarin worden hygiëne- en veiligheidsoverwegingen meegenomen. De respons op de bevraging was in beide jaren uiteenlopend”, zegt ze. “In de responderende ziekenhuizen zijn hoofddoeken toegelaten onder bepaalde voorwaarden. Zo mag de hals meestal niet bedekt worden en moet de hoofddoek achteraan geknoopt worden. Soms worden voorwaarden geformuleerd over de neutraliteit van de hoofddoek inzake kleur, bedrukking en afwezigheid van gadgets. Belangrijke bepalingen die bijna bij alle respondenten terugkomen zijn het frequent vervangen van de hoofddoek, zoals het dagelijks wassen en bij zichtbare vervuiling. Daarnaast moet het wasproces op minstens zestig graden gebeuren en mag de hoofddoek niet loshangen of op de arbeidskledij hangen. Net zoals in het AZ Sint-Maarten voorzien sommige andere ziekenhuizen hoofddoeken voor hun medewerkers, die al dan niet verplicht te dragen zijn in plaats van een eigen hoofddoek.”
Van richtlijn naar praktijk
Naast een eigen rondvraag keek Els eerst naar richtlijnen in binnen- en buitenland. De SRI-richtlijn (Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie) in Nederland laat het dragen van een sjaal, hoofddoek, capuchon of ander hoofddeksel toe wanneer die niet in contact komen met de directe omgeving van de patiënt of met patiëntmateriaal, en wanneer die wordt verschoond bij het begin van elke dienst en meteen bij zichtbare verontreiniging. “In België baseren we ons op de aanbevelingen rond textiel in zorginstellingen van de Hoge Gezondheidsraad, die op haar beurt verwijst naar de codex over het welzijn op het werk”, zegt Els. “In de codex staat dat werkkledij alle veiligheids-, gezondheids- en kwaliteitswaarborgen moet bieden, maar ook aangepast moet zijn om risico’s te voorkomen bij de activiteiten van de werknemer. De codex zegt ook dat een werknemer die in de nabijheid komt van bewegende arbeidsmiddelen geen loshangende werkkledij mag dragen.”
In het AZ Sint-Maarten worden hoofddoeken voor de medewerkers voorzien die rekening houden met deze voorschriften. De hoofddoeken zijn zwart of wit en worden achteraan geknoopt. De hals, schouders en het gezicht zijn vrij en de hoofddoek mag de arbeidskledij niet bedekken. Werkkledij raak je vaak aan en is een potentiële vector voor kruisbesmetting. Dat betekent: een hoog risico op contaminatie. Omdat de hoofddoek ook als werkkledij beschouwd wordt, gelden dezelfde hygiënische richtlijnen om deze besmettingsrisico’s te minimaliseren.
Waar wel en waar niet?
Waar binnen AZ Sint-Maarten tot hiertoe de hals en kin niet bedekt mogen zijn, wordt dit herzien naar aanloop van het nieuwe beleid. “Daarin bekijken we of we halsbedekking wel kunnen toelaten, mits de hoofddoek aansluitend is”, zegt Els. “Enerzijds is dat om hygiënische redenen. Zo hangt de hoofddoek niet bovenop de arbeidskledij, en komt die niet in contact met de patiënt en zijn omgeving of met het medisch verpleegkundig materiaal. Anderzijds is dit een veiligheidsmaatregel. Binnen een zorgsetting kom je vaak met rollend materiaal in contact. Je wil niet dat de stof tussen die wielen vast komt te zitten. Ook in gevallen van agressie is een loshangende hoofddoek gevaarlijk.”
Een hoofddoek is overal in het ziekenhuis toegestaan, behalve wanneer de hygiëne of de veiligheid in het gedrang komen. Wie in het OK of in de keuken werkt, draagt ook geen hoofddoek. Daar gaat het om praktische bezwaren. De specifiek ontworpen mutsen voor die omgeving vermijden de verspreiding van haarpartikels. De combinatie met een hoofddoek is niet handig. “Een hoofddoek moet toelaten dat het gelaat van de medewerker volledig zichtbaar blijft. Dit is een belangrijk punt om mee te nemen vanuit onze visie rond openheid en respect. We zijn dus geen voorstander van hoofddoeken die de kin bedekken, ook niet omdat dit belet om hygiënisch te kunnen werken. Een mondneusmasker moet je bijvoorbeeld vlot aan en uit kunnen doen, en moet de neus, mond en kin bedekken, omdat het goed moet aansluiten aan het gelaat. Met een hoofddoek die de kin bedekt is dat moeilijker en creëer je een groter gevaar op besmetting bij hoesten, niezen, eten of drinken. Zo ontstaan meer risico’s voor de patiënt en zijn omgeving, en ook voor de medewerker zelf. Het nieuwe beleid is er nog niet, dit zit momenteel in de beoordelingsfase. Er zijn nog enkele belangrijke stappen te volgen waaronder de bespreking met de werknemersafvaardiging.”
Basis van vertrouwen
Verpleegkundigen en andere zorgverleners mogen een hoofddoek dragen in het AZ Sint-Maarten. Voor hen wordt al jaren een geschikte hoofddoek voorzien. Ook ander ziekenhuispersoneel heeft de vrije keuze om een hoofddoek te dragen. Bij medewerkers die geen contact hebben met de directe patiëntomgeving of patiëntmateriaal zijn de hygiënische voorwaarden om kruisbesmetting te vermijden over het algemeen niet van toepassing. Het veiligheidsaspect van een aansluitende hoofddoek kan hier wel een rol spelen, bijvoorbeeld bij medewerkers van een transportdienst of technische dienst.”
Het ziekenhuis vraagt zorgverleners om bij de start van elke shift de hoofddoek te vernieuwen. “We voorzien die hoofddoeken zelf zodat we de kwaliteit van de stof en een valide wasproces kunnen garanderen. Indien een eigen hoofddoek mag gedragen worden, moet de medewerker erop letten dat die gewassen mag worden op 60 graden, krimpvrij is en geen partikels of pluizen loslaat. In dat geval heeft het ziekenhuis er natuurlijk geen zicht op of die hoofddoek correct gewassen wordt, maar nu weten we ook niet of de medewerker de hoofddoek elke shift vernieuwt. Dat gebeurt in vertrouwen.”
Vormt de hoofddoek een drempel voor personen die een hoofddoek willen dragen om voor de zorg te kiezen? “Hr geeft aan dat er alleszins veel vragen komen, over wat wel of niet is toegestaan”, zegt Els. “Het gebeurt soms ook dat tijdens sollicitatiegesprekken de onderlinge verschillen tussen ziekenhuizen wat betreft hoofddoeken worden aangekaart. Ook daarom is een duidelijk beleid belangrijk.”
Heb je vragen over hoe je het beleid rond hoofddoeken in jouw zorginstelling aanpakt? Unia informeert en adviseert via unia.be/nl/dossiers/hoofddoek-werk.
Infectiepreventie: het fundament van onze zorg
Infectiepreventie vormt de basis voor veilige, kwaliteitsvolle zorg. Zorginfecties voorkomen en antibioticaresistentie aanpakken zijn uitdagingen waar elke zorgsetting mee kampt. Gelukkig rekenen instellingen op de steun van Sciensano. Een van de afdelingen binnen dit federale onderzoekscentrum is de dienst Zorginfecties en Antibioticaresistentie. Arts-wetenschapper Kat Matthys legt uit hoe haar eenheid ‘Infectiepreventie en -beheersing’ meewerkt aan innovatieve oplossingen die verpleegkundigen ondersteunen in hun dagelijkse praktijk.
Sciensano is een wetenschappelijke instelling en het federale onderzoekscentrum voor de volksgezondheid in ons land. De dienst Zorginfecties en Antibioticaresistentie speelt een sleutelrol in de strijd tegen zorginfecties. “Ons team monitort zorginfecties en antibioticaresistentie in Belgische zorginstellingen, analyseert de gegevens en ondersteunt instellingen bij het nemen van gepaste maatregelen”, vertelt wetenschapper Kat Matthys. “We werken zeker niet alleen reactief, maar ook proactief, om zoveel mogelijk infecties en uitbraken te voorkomen.”
Om dit doel te bereiken, werkt de dienst aan diverse projecten die een directe impact hebben op verpleegkundigen en de bredere zorgsector. Twee van deze projecten staan momenteel in de kijker: de ontwikkeling van een handhygiënetool en het CHIPS-project.
Gouden standaard voor handhygiëne
“Handhygiëne is de basis van infectiepreventie in elke zorgsetting”, benadrukt Kat. Toch is de manier waarop zorginstellingen handhygiëne monitoren sterk uiteenlopend. Dat maakt het lastig om resultaten te vergelijken en op basis daarvan gerichte verbeteringen door te voeren. Daarom werkt Sciensano aan een nieuwe tool. “Het wordt een mobiele applicatie compatibel met de courante softwareplatformen die ter beschikking zal worden gesteld van ziekenhuizen. De app is nog in volle ontwikkeling en zal eerst door enkele ziekenhuizen uitvoerig getest worden, maar hij komt er binnenkort. De tool biedt een uniforme manier om handhygiëne te monitoren en bevordert zo een gestandaardiseerde aanpak in heel België. Vanaf februari kunnen zorgprofessionals de applicatie al uittesten via een extranet. “Het inputten kan binnenkort beginnen, al is vooral de output relevant en hoe er met de informatie wordt omgegaan.”
CHIPS: kwaliteitsindicatoren in kaart
Een tweede project waar Kats unit aan werkt is CHIPS, kort voor ‘Check Hospital Infection Prevention Status’. Dit project richt zich op het monitoren van kwaliteitsindicatoren voor infectiepreventie. “Met deze tool zullen ziekenhuizen hun beleid rond infectiepreventie kunnen optimaliseren en gegevens makkelijker vergelijken met andere instellingen”, aldus Kat. CHIPS maakt het mogelijk om data op uniforme wijze te verzamelen en te analyseren. Dit helpt niet alleen de zorginstellingen, maar ook Sciensano zelf. “Een goed inzicht in deze indicatoren betekent dat beleidsmakers gepaste maatregelen kunnen zich nemen om in de toekomst zorginfecties en uitbraken beter de baas kunnen.”
Het Outbreak Support Team
Naast deze tools speelt ook het Outbreak Support Team (OST) een cruciale rol in infectiepreventie. Dit multidisciplinaire team staat klaar om zorginstellingen te ondersteunen bij de aanpak van een uitbraak. Het is samengesteld uit OST-artsen en verpleegkundigen van Sciensano en het Departement Zorg, eventueel aangevuld met externe experten zoals van het Nationaal Referentiecentrum. “Het OST combineert expertise van verschillende disciplines om snel en doeltreffend op te treden bij zo’n situaties”, vertelt Kat. “Al zijn we lang niet alleen actief bij een outbreak, we hebben voornamelijk een preventieve rol. Op een tweemaandelijks regio-overleg leren wij van elkaar. We delen er effectieve praktijken en houden de vinger aan de pols. Op basis van de noden die tijdens het overleg naar voren komen en relevante, actuele data helpen wij concrete handvatten te ontwikkelen om de infectiepreventie in zorgsettings te optimaliseren, zoals checklists of een gebruiksvriendelijke tool om een epicurve te genereren. Daarnaast brengen we instellingen in contact met experts uit specifieke domeinen. We zijn er om elkaar te versterken. Het is goed dat dit nog eens onder de aandacht komt. Een uitbraak kan altijd en overal voorkomen, weet dus dat ondersteuning voorhanden is.”
Samen bouwen aan veilige zorg
Behalve relevant onderzoek levert Sciensano ook directe bijstand en richtlijnen om zorginstellingen beter voor te bereiden op toekomstige uitbraken. Dit maakt hen een essentiële partner voor iedereen die in de frontlinie van de zorg staat. Met innovatieve tools en de expertise van het Outbreak Support Team zet Sciensano in op een toekomst waarin zorginfecties en antibioticaresistentie beter beheersbaar zijn. “Verpleegkundigen spelen hierin een onmisbare rol”, besluit Kat. “Zij staan aan het bed van de patiënt en zijn vaak de eersten die veranderingen opmerken. Onze taak is om hen bij te staan met evidencebased kennis, middelen en praktische tools.”
Meer weten over het OST of contact opnemen met dit team? Klik hier.
Op zoek naar hiaten in infectiepreventie met IRIS
In 2020 markeerde de oprichting van de regionale HOST-netwerken (Hospital Outbreak Support Team) het begin van een nauwere samenwerking tussen ziekenhuizen, met verschillende initiatieven ter verbetering van infectiepreventie en antibioticagebruik als resultaat. Eén van de eerste projecten binnen het HOST Plexus-netwerk in Oost-Vlaams-Brabant was de IRIS of Infectie RIsico Scan. Caroline Haesebroek, verpleegkundig ziekenhuishygiënist, zette mee haar schouders onder de uitrol van IRIS in het Heilig Hartziekenhuis van Leuven.
De Infectie RIsico Scan (IRIS) is een onderzoeksmethode die werd ontwikkeld in het Amphiaziekenhuis in Breda. Na verdere optimalisaties deed IRIS in 2021 zijn intrede in de ziekenhuizen van het HOST Plexus-netwerk, met als hoofddoel het evalueren en verbeteren van infectiepreventiemaatregelen en antibioticagebruik in ziekenhuizen. “De methode geeft een helder overzicht van de risicofactoren op het vlak van infectiepreventie op alle afdelingen, wat cruciaal is voor het definiëren van gerichte actiepunten”, vertelt Caroline.
IRIS neemt verschillende proces- en uitkomstvariabelen onder de loep, zoals het gebruik van invasieve hulpmiddelen en antibiotica of de naleving van hand-, omgevings- en kledingvoorschriften. De verzamelde data worden vertaald naar een risicoprofiel en een verbeterplot, een grafische weergave die direct inzicht biedt in de huidige situatie en verbeterpunten. “Zorgprofessionals krijgen zo in één oogopslag de knel- en aandachtspunten te zien”, aldus Caroline.
Kennisdeling
Sinds 2021 voert Caroline samen met haar team in het Heilig Hartziekenhuis in Leuven op alle afdelingen een Infectie RIsico Scan uit. “We leggen de resultaten van de verschillende afdelingen naast elkaar om tot een uniforme meting te komen”, legt Caroline uit. Daarnaast vergelijkt het team de resultaten met andere ziekenhuizen binnen het Plexus-netwerk. “Dit opent de deur voor waardevolle kennisdeling en het delen van best practices.”
Van meting tot actie
Een van de kernpunten van de IRIS is het evalueren van de omgevingshygiëne met adenosinetrifosfaat (ATP). Kort samengevat geeft een ATP-meting de mate van aanwezigheid van organisch materiaal weer via licht. In het Heilig Hart Ziekenhuis kwam zo een miscommunicatie tussen het onderhouds- en zorgpersoneel naar boven over de reiniging van wc-stoelen op patiëntenkamers. “Na duidelijke afspraken werd dit probleem meteen rechtgezet. Vaak is het simpelweg een kwestie van weten”, zegt Caroline.
Handhygiëne is een tweede belangrijke pijler. Voordien werd dit alleen gemeten via het verbruik van handalcohol, maar dit bleek niet voldoende om de daadwerkelijke naleving van hygiëneprotocollen te evalueren. Daarom startte het team met observaties van het gedrag van het zorgpersoneel en zette het een brede actie op om het zorgpersoneel bewust te maken van de richtlijnen rond handhygiëne.
Verder bleek er ook ruimte voor verbetering bij invasieve hulpmiddelen. “Op de spoedafdeling krijgen patiënten standaard een bloedname en een perifere katheter met een perifeer slotje. We merkten dat de noodzaak van dit slotje pas na 48 uur opnieuw geëvalueerd werd. Dat is verstrengd en teruggebracht naar 24 uur. Hoe langer een invasief hulpmiddel onterecht aanwezig is, hoe hoger het risico op infecties.”
Blijvend verbeterproces
De IRIS stelt ziekenhuizen in staat gerichte feedback te geven aan artsen en verpleegkundigen op elke afdeling. “Samen leggen we specifieke verbeterpunten bloot en koppelen we er concrete acties aan om de kwaliteit van infectiepreventie binnen de ziekenhuismuren te verhogen. Het is vervolgens aan de afdeling zelf om de nodige initiatieven te nemen. Uiteraard met onze ondersteuning.” Inmiddels hebben alle afdelingen in het Heilig Hartziekenhuis de eerste cyclus doorlopen en starten ze binnenkort met de tweede. “IRIS is een arbeidsintensieve methode, maar de impact ervan is van onschatbare waarde.”
Cybersecurity zit op IT- en op managementniveau
Digitale technologieën zoals elektronische patiëntendossiers, digitale voorschriften, sensoren en screenings zijn onmisbaar in de zorgsector. Tegelijkertijd brengt deze digitalisering uitdagingen met zich mee op het gebied van dataveiligheid, privacy en cybersecurity, zoals risico’s op datalekken, ransomware en phishing. Hoe staat het met de aanpak van deze kwesties in Vlaamse zorginstellingen en welke stappen zijn nog nodig? Steve Ahouanmenou, doctoraatsonderzoeker aan de UGent, licht toe.
Veel Belgisch wetenschappelijk onderzoek naar cybersecurity in de zorg bestaat er nog niet. Nochtans is de sector een potentieel doelwit voor cybercriminelen. Dat ondervond ook Steve Ahouanmenou toen hij als chief information security officer voor het CHU Brugmann in Brussel werkte in volle covidperiode. Het leidde tot een doctoraat[1] onder supervisie van Prof. dr. Amy Van Looy en Prof. dr. Geert Poels bij de onderzoeksgroep Business Informatics aan de UGent, waarin hij zich richt op het verbeteren van privacy en beheersen van cyberrisico’s in gezondheidszorgorganisaties. Zo kon hij de praktijk omzetten in concreet wetenschappelijk onderzoek.
“Informatiebeveiliging en privacy zijn in elke sector belangrijk”, legt Steve uit. “De gezondheidszorg heeft echter nog stappen te zetten op het gebied van cyberbeveiliging. Ziekenhuizen lopen meer risico’s door het kritieke karakter van patiëntengegevens. Er is nog veel vooruitgang te boeken.” Volgens Steve start alles bij bewustwording, zoals het regelmatig bijwerken van wachtwoorden en het alert zijn voor phishing mails. “Sommige ziekenhuizen hebben gedurende twintig jaar hun wachtwoorden niet geüpdatet. Gelukkig zien we vandaag wel een groeiende maturiteit in dit domein.”
IT als partner
Dat cybersecurity in 2019 en 2020 geen prioriteit was voor de zorgsector valt te begrijpen. Met kwalitatieve patiëntenzorg, stijgende kosten en blijvende personeelskrapte is dat ook vandaag niet het geval. Bovendien leeft vaak de perceptie dat cyberveiligheid uitsluitend de verantwoordelijkheid is van de IT-afdeling van een zorginstelling. In werkelijkheid is het een gedeelde verantwoordelijkheid die begint bij het management.
“Het verbaast me dat cybersecurity niet hoger op de agenda van heel wat ziekenhuizen staat”, zegt Steve. “Directies geven vaak aan dat tijdgebrek het lastig maakt om databeveiliging de aandacht te geven die het verdient. Toch is het veiligstellen van data een essentieel onderdeel van kwalitatieve zorg voor patiënten. Zelfs met kleine stappen kun je al veel bereiken. Dat is echter niet iets wat de IT-afdeling alleen kan doen. Ook zij hebben een agenda boordevol to do’s. Bovendien beschikken ze vaak niet over een volledig overzicht van de gebruikte toestellen of hebben ze niet de specifieke kennis over bepaalde apparaten. Dat gebrek aan transparantie vormt een uitdaging.
Daarnaast vraagt cybersecurity een gespecialiseerde aanpak om processen op te zetten en bewustwording te creëren bij alle medewerkers. IT is hierbij een partner die erop toekijkt dat alle processen vlot verlopen en collega’s helpt bij problemen of aanpassingen. Cybersecurity is geen eiland. Het vergt een samenwerking tussen verschillende diensten, zoals met de communicatie-afdeling, die een belangrijke rol speelt in het overbrengen van de juiste boodschap bij een mogelijke aanval. Hoe dan ook staat of valt cyberveiligheid met strategische beslissingen op beleidsniveau.”
Van richtlijnen naar de praktijk
Als cybersecurity een managementaspect is, welke tools zijn er voorhanden om zich op te baseren? “Er zijn internationale richtlijnen, zoals het framework van NIST. Dat is het National Institute of Standards and Technology in de Verenigde Staten. Daarnaast is er de ISO27001-norm voor informatiebeveiliging. Dit zijn best practices die aangepast kunnen worden naar de Belgische context. Al zijn deze nog niet specifiek toegespitst op de gezondheidszorg. Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) werkt daaraan”, licht Steve toe. “Daarnaast ontwikkelen ze zelf de CyFun-richtlijn met enkele basisprincipes om met cybersecurity om te gaan.”
Nood aan opleidingen
Het onderzoek van de UGent begon met een analyse van de huidige stand van zaken. Vervolgens werd de beschikbare literatuur getoetst aan de NIST- en ISO-richtlijnen. Hierbij kwamen enkele verbeterpunten naar voren, niet op technisch vlak, maar vooral op het gebied van management. Deze punten werden verder uitgewerkt en ingedeeld op basis van drie variabelen. “We onderzochten drie kernaspecten die organisaties kunnen doen om een significante impact te creëren: training, updates en data back-ups. Op basis daarvan hebben we vijf ziekenhuisspecifieke profielen opgesteld: starters, promotors, practitioners, performers en advocates. De starters zijn de grootste groep en weerspiegelen de huidige stand van zaken in de gezondheidszorg. Zij zijn slechts zeer beperkt met de drie aspecten bezig en tonen de dringende nood aan concrete opleidingen rond cybersecurity aan. Een minderheid van de zorginstellingen valt onder het advocate- of performer-profiel. Zij tonen interesse in cyberbeveiliging en erkennen dat er nog stappen gezet moeten worden. Het doel is nu om het onderzoek verder te ontwikkelen door het maturiteitsniveau in ziekenhuizen te evalueren en een model op te stellen: dit is de huidige situatie, dit zijn de vereisten voor veilige werking, en dit zijn de richtlijnen om dat te bereiken. Cybersecurity heeft een bredere sociale impact en moet weg van de misvatting dat het hoge kosten met zich meebrengt. We gebruiken bijvoorbeeld allemaal een smartphone. Via een mobile managementsysteem kunnen zorginstellingen enkel apps toelaten op hun netwerk die gecontroleerd, goedgekeurd en veilig zijn. Dit soort strategische beslissingen op managementniveau vormen de basis. Dat is essentieel, zeker omdat medische apparaten een steeds grotere rol zullen spelen in de ziekenhuizen van de toekomst.”
[1] Ahouanmenou, Steve & Van Looy, Amy & Poels, Geert. (2022). Information security and privacy in hospitals: a literature mapping and review of research gaps. Informatics for health & social care. 48. 1-17. 10.1080/17538157.2022.2049274.
Ahouanmenou, Steve & Van Looy, Amy & Poels, Geert & Andries, Petra & Standaert, Thomas. (2024). Classifying Healthcare and Social Organizations in Cybersecurity Profiles. 10.1007/978-3-031-59465-6_18.
Ahouanmenou, Steve. (2024). Towards a Cybersecurity Maturity Model Specific for the Healthcare Sector: Focus on Hospitals. 10.1007/978-3-031-59468-7_16.
Aan de slag met cybersecurity
Zowel de Belgische als de Europese overheid beseft hoe belangrijk cyberveiligheid is. Daarom geldt sinds januari 2023 de NIS2-richtlijn, ook voor organisaties binnen de gezondheidszorg. Die verplicht nationale overheden om cybersecurity onder de aandacht te brengen, maar ook om Europese samenwerking op dit niveau te versterken. Het CCB heeft een snelstartgids ter beschikking om deze richtlijn op organisatieniveau toe te passen en biedt daarnaast via het CyFun Framework de nodige tools om de veiligheid te verhogen. Beide raadpleeg je via atwork.safeonweb.be.
Tien eenvoudige tips voor meer cyberveiligheid
- Gebruik multifactorauthenticatie en gebruik een passphrase in plaats van een wachtwoord.
- Sla je gegevens op in een systeem met regelmatige back-ups.
- Voer stipt beveiligingsupdates uit op al je apparaten.
- Laat nooit fysieke informatie of apparaten onbeheerd achter op je bureau.
- Vermijd openbare netwerken en gebruik het VPN (virtual private network) van je organisatie.
- Download software en apps enkel van officiële platformen of stel toestellen zo in dat alleen de IT-afdeling een programma kan installeren.
- Meld incidenten rond informatiebeveiliging altijd aan de IT-dienst.
- Wees je bewust van phishing en durf e-mails in vraag te stellen.
Hoe is het gesteld met jouw cyberhygiëne? Via de zelfevaluatietool van het Centrum voor Cybersecurity België test je dit eenvoudig. https://atwork.safeonweb.be/nl/tools-resources/self-assessment
Bron: atwork.safeonweb.be.
Spraakgestuurde registratie in het zorgdossier
Belangrijke informatie over de gezondheidstoestand van patiënten of van bewoners registreren is essentieel voor de continuïteit van het zorgproces. Wanneer in een 24/7-zorgmodel verschillende mensen de zorg op zich nemen, functioneert het zorgdossier als een leidraad. Toch ervaren vele zorgkundigen en verpleegkundigen de registratie en rapportage in het zorgdossier eerder als een vervelende taak. Digitale innovaties, zoals spraaktechnologie of AI, kunnen de administratieve last verlichten.
We stellen prangende vragen woordelijk aan Google of dicteren berichten via de Bluetooth van onze wagen. Het zijn enkele veelvoorkomende voorbeelden van hoe de microfoon van mobiele toestellen praktische zaken mogelijk maakt. Die technologie biedt ook voor de zorgsector laagdrempelige en nuttige toepassingen.
Emmanuel Stockman, Chief Medical Care & Quality Officer bij Armonea, zet zorgverleners er alvast actief mee op weg: “Ons woonzorgdossier heeft een aantal vrije velden voor rapportage. In deze tekstvelden schrijven onze zorgverleners hun observaties neer. Op een klein scherm – van een smartphone of een tablet – is dat voor sommigen een hele uitdaging. Bovendien neemt het best veel tijd in beslag om dit gedetailleerd te doen.” Zowat een jaar terug begon het team daarom te experimenteren met spraakgestuurde registratie in het zorgdossier, via de ingebouwde technologie van hun Android-toestellen.
Veel mogelijk met standaard technologie
Uiteraard worden voortdurend nieuwe tools ontwikkeld door techbedrijven. Denk maar aan gespecialiseerde software die artsen helpt bij het stellen van een correcte diagnose of bij het bepalen van de beste behandeling voor een zorgvrager. “Maar met gewone technologie kan je ook al veel doen”, benadrukt Emmanuel. “Over het algemeen werkt de spraakgestuurde registratie via de gewone Android-telefoons vrij goed. Met sappige accenten ligt het natuurlijk wel wat moeilijker. Het is een beetje zoeken, maar we zetten grote stappen.”
Informatie registreren is één ding, ze op een efficiënte en doordachte manier verder meenemen in het zorgtraject nog een andere. Ook daar liggen heel wat kansen met de technologische vooruitgang in gedachten. “Het zou bijvoorbeeld erg krachtig zijn moest artificiële intelligentie de relevante informatie helpen selecteren”, vindt Emmanuel. “Dat een bewoner gewassen werd en normale stoelgang maakt is goed om weten, maar niet zozeer relevant voor de volgende ploeg in het zorgteam. De afwijkende, ‘abnormale’ zaken zijn dat wel. Weigert een bewoner om te eten of heeft die diarree? Dat moet de zorgverlener in de volgende shift weten. Artificiële intelligentie kan bovendien ingezet worden om trends te detecteren. Hebben meerdere bewoners op een verdieping diarree, dan kan dat wijzen op het norovirus. Zo is AI een nuttige tool op individueel en op populatieniveau.”
De spraakgestuurde registratie in het zorgdossier maakt het zorgverleners aanzienlijk eenvoudiger om relevante informatie te registreren en te rapporteren. Dat is en blijft een belangrijk aandachtspunt, weet Emmanuel: “Datadeling maakt een transmurale zorginformatieflow mogelijk en is zo de bouwsteen bij uitstek voor kwalitatieve zorg voor elk individu.”
De mogelijkheden van large language models voor de zorg
ChatGPT, Gemini, Copilot, … Er zijn al heel wat zogenaamde ‘large language models’ beschikbaar voor het grote publiek. Deze tools gebruiken artificiële intelligentie om tekst te genereren op basis van jouw input of van bestaande documenten. De slimme technologie die hierachter schuilt, biedt ook kansen voor de zorgsector.
“Vandaag worden dergelijke modellen al veel gebruikt”, weet Emmanuel Stockman. “Ze zijn zeer krachtig om bijvoorbeeld wetenschappelijke literatuur en uitgebreide richtlijnen samen te vatten. Dat laat toe snel de essentie van complexe documenten mee te krijgen. Zelf zijn we ook de mogelijkheden voor een eigen chatbot aan het bekijken. Door onze eigen content en procedures te ‘voeden’ aan het model, willen we het zorg- en verpleegkundigen eenvoudiger maken om vragen snel en correct te beantwoorden. Ze leggen hun uitdaging of vraagstuk voor en het taalmodel geeft hen de juiste werkwijze volgens onze policy. Wellicht kunnen we daar de komende tijd verdere stappen mee zetten.”
De zin en onzin van nieuwe technologieën in de zorg
Is het een nice to have of een need to have? Die vraag stelt Pedro Braekeveld – productmanager Infection Prevention Control bij Duomed en voormalig lid van de werkgroep Infectiepreventie van NETWERK VERPLEEGKUNDE – zich over heel wat van de nieuwe technologieën op de markt. Tijdens de Week van de Verpleegkundigen hield hij enkele concrete cases tegen het licht. Voor ons vat hij samen welke factoren bepalen of een innovatie zinvol, overbodig of in de gaten te houden is.
“Er verandert veel binnen het domein van infectiepreventie. Soms verkoopt men oude wijn in nieuwe zakken, soms betekent een innovatie een merkbare verbetering op de vloer”, vat Pedro Braekeveld aan. “Een grondig literatuuronderzoek beantwoordt deels de vraag hoe we zorg optimaliseren aan de hand van nieuwe technologieën. Tijdens de Week bracht ik een overzicht van innovaties in vier domeinen: compliance monitoring, automatische desinfectie, desinfecterende moleculen en artificiële intelligentie.”
Innovatiedomeinen
Binnen compliance monitoring zijn er innovaties in hand-, omgevings- en instrumenthygiëne. Bij handhygiëne gaat het om diverse systemen waarbij de zorgverstrekker, de dispenser en het bed van de patiënt een tag hebben, die registreert of en wanneer de zorgverstrekker zijn handen ontsmet. Voordelen zijn hier een hoog aantal waarnemingen doordat het systeem automatisch monitort, de gestandaardiseerde registratie en de realtime gegevens. Nadelig is dat het niet mogelijk is om alle vijf momenten van handhygiëne te monitoren en dat het om een duur systeem gaat. Het is dus niet geschikt om op gewone afdelingen te gebruiken, maar kan wel een toegevoegde waarde betekenen op hoogrisicodiensten.
Een ander voorbeeld is automatische instrumentdesinfectie. Deze volledig traceerbare technologie gebruikt meestal uvc-straling die geen residu achterlaat op medische hulpmiddelen. Doordat het om een nieuwe technologie gaat, zijn er momenteel nog geen standaarden. Dit beperkt een bredere uitrol, maar deze technologie heeft een duidelijke meerwaarde voor de desinfectie van semi-kritische medische hulpmiddelen.
“Bij innovaties als desinfecterende moleculen en artificiële intelligentie is de vraag niet zozeer: zijn ze een nice to have of een need to have”, licht Pedro toe. “Beide technologieën zijn volop in ontwikkeling en moeten dus opgevolgd worden. Vandaag zijn ze nog niet breed inzetbaar, maar dat kan snel veranderen. Ze worden niet alleen slimmer, maar zullen op termijn ook goedkoper zijn.”
Tijd voor implementatie
Essentieel voor de implementatie van deze technologieën is dat de basiscomponenten eerst aanwezig zijn. Pedro: “Het heeft bijvoorbeeld weinig zin om automatisch te desinfecteren of een automatische monitoring van de omgevingshygiëne in te zetten, als je niet voldoende personeel hebt om de omgeving schoon te maken. Besteed je budget eerst aan de fundamenten en kijk daarna hoe innovatieve oplossingen je werking aanvullen.” Een tweede advies van de expert is om de effecten op de vloer van een nieuwe technologie goed te monitoren. Zo’n innovatie wordt vaak in vitro of preklinisch getest, maar de reële impact weet je pas bij de daadwerkelijke implementatie.
“Door de hoge kostprijs is het niet altijd mogelijk om een nieuwe technologie meteen te gebruiken of breed in te zetten. Al kan dat snel keren. Daarom is het belangrijk een vinger aan de pols te houden in domeinen als artificiële intelligentie en desinfecterende moleculen. Wie weet waar we daar over enkele jaren mee staan.”
Welke mobile health apps betaalt het RIZIV terug?
De digitalisering van de gezondheidszorg maakt grote sprongen. Na eHealth drukt nu ook mHealth zijn stempel op de sector. Mobile health brengt zorg dichter bij de patiënt en maakt medische opvolging efficiënter dan ooit. Maar wat is de visie van het RIZIV op deze apps? En hoe zit het met de terugbetaling? We zetten het op een rij.
Onder mHealth verstaan we alle mobiele medische toepassingen waarmee patiënten vanuit hun eigen thuisomgeving gezondheidsgegevens kunnen delen met zorgkundigen. Deze technologie maakt het mogelijk om patiënten vanop afstand te monitoren, diagnoses te stellen en therapieën aan te passen.
De eerste stappen richting terugbetaling
Mobile health apps worden al ingezet bij patiënten met chronisch hartfalen. Via een app delen ze cruciale gezondheidsgegevens – zoals bloeddruk en hartslag – met een telemonitoringteam in het ziekenhuis. Dit maakt snelle, gerichte zorg vanop afstand mogelijk. Sinds 1 januari 2025 kunnen ziekenhuizen met een telemonitoringteam, die voldoen aan specifieke voorwaarden, een maandelijkse forfaitaire vergoeding aanvragen bij het RIZIV voor het gebruik van deze technologie. In mei 2024 werd al een aanvraag ingediend voor een vergelijkbare toepassing voor oncologische patiënten. Naar verwachting zullen er nog volgen.
Een geïntegreerde aanpak
Het RIZIV juicht het gebruik van mobiele medische toepassingen toe, maar benadrukt dat ze altijd deel moeten uitmaken van een breder zorgproces. De apps staan niet op zichzelf, maar bieden zorgkundigen handvaten om de zorg nog beter af te stemmen op de noden van de patiënt. Ook de terugbetaling van mHealth moet binnen dit bredere plaatje geëvalueerd worden.
Aanvraagprocedure en criteria
Fabrikanten, zorgkundigen en ziekenhuizen kunnen een terugbetalingsaanvraag indienen bij het RIZIV. Om in aanmerking te komen moeten de apps voldoen aan een resem criteria, zoals GDPR-compliance, CE-markering en FAGG-notificatie. Daarnaast moet de meerwaarde van de app zowel klinisch als organisatorisch stevig onderbouwd zijn met een gedetailleerd dossier, literatuuronderzoek en financiële analyse.
Een multidisciplinaire werkgroep – bestaande uit zorgkundigen, beroepsorganisaties, verzekeringsinstellingen, vertegenwoordigers uit de medische industrie, de overheid en patiëntenverenigingen – buigt zich over de aanvragen. Bij een positieve evaluatie wordt een voorstel voor tijdelijke of definitieve terugbetaling uitgewerkt en voorgelegd aan de betrokken overlegorganen en het Verzekeringscomité.
Uitdagingen van mHealth
Hoewel mHealth veelbelovend is, zijn er nog steeds uitdagingen. Zo mag digitale ongeletterdheid geen obstakel zijn. Elke patiënt moet de keuze hebben om al dan niet gebruik te maken van mobiele apps, zonder impact op de zorgkwaliteit. Daarnaast is een cruciale balans essentieel: technologie versterkt de zorg, maar mag de menselijke zorgkundige niet vervangen. Wetenschappelijke beroepsverenigingen spelen een sleutelrol bij de educatie en de ontwikkeling van richtlijnen voor het verantwoorde gebruik van mobile health apps.
Zijn AI-ziekenhuizen de toekomst?
Artificiële intelligentie (AI) in de gezondheidszorg is niet nieuw. Meer zelfs, we gebruiken al jaren vormen van AI zonder daarbij stil te staan. Ook in ziekenhuizen is artificiële intelligentie niet meer weg te denken. Toch stuit de bredere opkomst ervan soms op terughoudendheid. Hoe zetten we AI het beste in? In welke mate vervangen AI-systemen de menselijke factor? Zijn zorgprofessionals voldoende onderlegd om AI optimaal te benutten? Christos Chatzichristos, postdoctoraal onderzoek aan de KU Leuven en academisch expert bij de Vlaamse AI Academie (VAIA), deelt zijn kijk hierop.
Dat artificiële intelligentie een enorme ondersteuning kan bieden aan zorgprofessionals, betwijfelt quasi niemand. Toch verschillen de verwachtingen en noden van zorgprofessional tot zorgprofessional. Waar artsen doorgaans AI willen inschakelen om snellere en correctere diagnoses te stellen, zien verpleegkundigen vooral voordelen op het vlak van administratie. KU Leuven-postdoctoraat en VAIA-expert Christos Chatzichristos legt uit: “Elk proces dat een mens regelmatig uitvoert, komt in aanmerking voor automatisering met AI. De voornaamste vereiste om een goed werkend AI-model op te zetten, is heel veel kwaliteitsvolle data. Nu er eindelijk voldoende krachtige apparatuur bestaat om al die data te verzamelen (wearables) en te verwerken, breekt artificiële intelligentie de laatste jaren door. Over wat de best mogelijke toepassing is, verschillen de meningen. Uit een bevraging van KU Leuven en VAIA kwam naar voren dat verpleegkundigen vooral manieren zoeken om de administratieve last te verlichten, zoals het opstellen van werkroosters en rapporten. Artsen daarentegen zien de voordelen van AI om de ziekte-uitkomst te verbeteren, bijvoorbeeld door vroegere ziektedetectie en dus snellere diagnose en behandeling. Bij de twee problematieken bewijst AI zijn nut. Toch is het belangrijk de kloof tussen beide insteken te overbruggen zodat professionals zich maximaal kunnen toeleggen op mensgerichte zorg.”
Pionier en toch niet wijdverspreid
België is een pionier op het vlak van onderzoek naar artificiële intelligentie, bevestigt Christos. Toch betekent dat niet dat ons land ook koploper is qua toepassing ervan: “Grote ziekenhuizen implementeren AI volop in verschillende domeinen, zoals medische beeldvorming. In de kleinere settings, waaronder medische huizen, hinkt België achterop. Daarnaast worstelen onderzoekers met de diversiteit aan talen en systemen die Belgische ziekenhuizen hanteren. Denk bijvoorbeeld aan het elektronische patiëntendossier: zowat elke zorginstelling heeft zijn eigen oplossing, wat het moeilijk maakt om relevante informatie op een homogene manier eruit te halen. Gelukkig zijn intussen initiatieven opgestart om naar een geharmoniseerd systeem over te schakelen. Maar we zijn er dus nog niet.”
Een ander werkpunt betreft de opleidingen over AI. “De meeste cursussen zijn vandaag gemaakt op maat van artsen, over de klinische praktijk. Het ontbreekt ons aan opleidingen afgestemd op de andere zorgprofessionals. Zo moet er werk gemaakt worden van een specifieke cursus gericht op verpleegkundigen, op kinesitherapeuten, op vroedvrouwen, en ga zo maar door. Die opleidingen moeten zich richten op hun verzuchtingen, zonder de bredere mogelijkheden over het hoofd te zien. Binnen VAIA zijn we met een onderzoek gestart om de uiteenlopende leerbehoeften van gezondheidszorgprofessionals in kaart te brengen. Eind vorig jaar rondden we onze enquête af en maakten we een voorstel voor leertraject. We hopen zo opleidingsaanbieders te inspireren tot meer gevarieerde en doelgroepgerichte opleidingen.”
De limieten van AI
De kwaliteit van een AI-model staat of valt met de kwaliteit van en de hoeveelheid aan beschikbare data. “Machine learning volgt het principe ‘rubbish in, rubbish out’. Voed je een AI-systeem met slechte, onvolledige en/of vooringenomen data, dan zal het model de verkeerde conclusies trekken. Daarnaast hangt een AI-model enorm af van de experten die de oorspronkelijke brondata, waaronder beelden, verslagen, metingen en zo meer, beoordeelden en labelden. Verder is er ook nog het aspect van gegevensbescherming, wat bijkomende beperkingen oplegt.”
Toch valt de kracht van AI niet te miskennen. De hoeveelheid data die we nu al beschikbaar hebben, zal in de toekomst alleen maar toenemen. “Wearables generen een massa aan waardevolle data. Die filteren en selecteren wat relevant is, is een onmogelijke taak voor de zorgprofessional. Een ander voorbeeld zijn de monitors die de hele dag signalen en output geven. Tijdens een nachtshift betekent het een enorme meerwaarde wanneer een AI-systeem bepaalt op welke signalen een verpleegkundige al dan niet moet reageren. Ook overdag vertaalt het zich naar een tijdswinst voor de zorgprofessional die bezig kan zijn met de patiënt die echt zorg nodig heeft.”
Menselijke factor
Bij heel wat mensen bestaat de vrees dat artificiële intelligentie hun werk op termijn overbodig maakt. Ook binnen de gezondheidszorg delen sommige zorgprofessionals die mening. “Toch moeten we aanstippen dat de meeste zorgverleners positief naar AI kijken”, merkt Christos op. “De uiteindelijke beslissing over een patiënt ligt namelijk altijd bij de arts. Bovendien kan je de menselijke factor niet uitschakelen. Niet alleen naar verantwoordelijkheid toe, maar ook wat het emotionele aspect betreft. De interactie tussen zorgverlener en zorgvrager is cruciaal om kwaliteit van zorg en tevredenheid bij patiënten te garanderen. Als je AI op de juiste manier inzet, biedt ze een kans om meer tijd voor menselijk contact vrij te maken.”
Benieuwd hoe je met AI aan de slag kan gaan in de gezondheidszorg? Start met leren over AI op vaia.be/gezondheidszorg.
Hoe apotheekassistenten het verschil maken op verpleegkundige diensten
In het huidige zorglandschap, waar personeelstekorten steeds urgenter worden, speelt de inzet van aanvullende profielen een grotere rol. Zo biedt de inzet van apotheekassistenten op verpleegkundige diensten niet alleen oplossingen voor staffing- en werkdrukproblemen, maar ook significante voordelen voor de veiligheid van zowel de patiënt als de zorgverlener. Vitaz in Sint-Niklaas en het AZ Delta in Roeselare lichten hun proefprojecten hieromtrent toe.
Aanvullende profielen inzetten voor niet-verpleegkundige taken, zoals administratie, hygiënische zorgen en medicatievoorbereiding, biedt een deel van het antwoord op de personeelstekorten. In het AZ Delta in Roeselare en Vitaz in Sint-Niklaas zoeken ze alvast uit wat de impact van apotheekassistenten op verpleegkundige diensten betekent.
Van nood naar wens
“In 2022 startte ik mijn doctoraatsonderzoek naar hoe apotheekassistenten nachtverpleegkundigen ondersteunen in hun shift”, vertelt Marjan De Graef, verpleegkundig coördinator van VG-MZG bij Vitaz en projectmedewerker voor het Verpleegkundig en Paramedisch Onderzoek en Ontwikkeling (VPOO). “De eerste fase van dit project was begin 2020. Toen kregen de eerste pilootafdelingen apotheekassistenten. Dit werd on hold gezet door de pandemie en is daarna in sneltempo weer opgestart en verder uitgerold naar alle interne, geriatrische en heelkundige afdelingen. Het is midden in die verdere uitrol dat ik met mijn onderzoek startte. Aan het einde van dat jaar waren de positieve effecten al duidelijk.”
Via bevragingen van de betrokken verpleegkundigen en apotheekassistenten, literatuurstudies van (internationale) praktijkvoorbeelden en focusgroepen werkte Marjan artikels en procedures uit om de communicatie en workflow verder te optimaliseren. “Het kwalitatieve onderzoek is achter de rug, nu volgt het kwantitatieve luik. We willen hiermee enerzijds in cijfers het belang van de inzet van apotheekassistenten weergeven zodat dit beleidsmatig kan doorgetrokken worden en anderzijds ook andere zorginstellingen met wetenschappelijke onderbouwing inspireren om gelijkaardige stappen te zetten.”
Efficiëntie bewaken
Ook in het AZ Delta liep een proefproject met apotheekassistenten. Dit op de dienst geriatrie gedurende een drietal maanden eind 2023, begin 2024. “In het kader van een acute bestaffingsnood testten we verschillende aanvullende functies uit, onder andere het inzetten van medical management assistants en apotheekassistenten”, licht Jan Hebberecht, verpleegkundige en paramedisch directeur in het AZ Delta, toe. “We onderzochten in verschillende fases op welke momenten de nood aan ondersteuning het hoogst was en hoe we zo flexibel mogelijk konden omspringen met veranderende medicatienoden zonder het verpleegkundige personeel extra onder druk te zetten.”
Hoofdapotheker in het AZ Delta Ann-Sofie Vanthournout vult aan. “In ons ziekenhuis is tachtig procent van de medicatie onmiddellijk voorradig op de afdeling in een semiautomatische pickingkast. De medicatie wordt net voor toediening gepickt om retours te voorkomen. Het proefproject werd stopgezet omdat we onze beschikbare resources nu volop inzetten voor de implementatie van bedsidescanning in het ziekenhuis, zodat we zeker zijn dat de juiste patiënt de juiste medicatie krijgt. In de nabije toekomst bekijken we hoe we de verpleegkundigen verder kunnen ondersteunen vanuit de apotheek. Bijvoorbeeld het centraal bereiden van medicatie in de apotheek of het pletten van medicatie zodat alle medicatie zoveel mogelijk klaar voor toediening wordt afgeleverd.”
Drempels overwinnen
In Vitaz worden de apotheekassistenten enthousiast onthaald door de betrokken verpleegkundigen. Al was dat in het begin anders. Marjan. “Een verpleegkundige vindt het vaak moeilijk de controle te lossen, de touwtjes uit handen te geven. Dit vraagt aanpassing, tijd en het opbouwen van dat wederzijdse vertrouwen. Door onze procedures en onderlinge communicatie aan te scherpen merken we dat het vertrouwen er nu wel is. Verpleegkundigen erkennen dat de inzet van apotheekassistenten bij het klaarzetten van medicatie geen risico is voor de patiëntveiligheid en dat het de kwaliteit van zorg ten goede komt. Want ze hebben zo weer meer tijd voor directe patiëntenzorg en het coördineren van complexe zorgplannen.”
Brede denkoefening
Dat de juiste medicatie tijdig en correct toedienen een belangrijke verpleegkundige taak blijft, daar bestaat geen twijfel over. Maar volgens Jan gaat het over veel meer dan dat: “We moeten ons wapenen tegen de enorme tekorten. Aanvullende profielen en aangepaste procedures en technologieën zijn cruciaal voor kwaliteitsvolle en veilige zorg. Er is meer nodig dan een apotheekassistent op een dienst. Het is een diepgaande denkoefening die je als ziekenhuis moet maken op het vlak van infrastructuur, organisatie en personeel.”