Casus: bezoekregels tijdens COVID-19

Door Anneloes Bork, Gerda Okerman en Stuurgroep Ethiek Palliatieve Zorg Vlaanderen

De coronapandemie zette de gezondheidzorg erg onder druk. Strikte regels beperkten de zorg tot een minimum en in elke zorgsetting was bezoek volledig verboden. Deze maatregelen hadden een enorme sociale impact op de samenleving. In deze ethische casus gaan we vanuit het perspectief van de naasten en met het ethisch kompas[1] dieper in op de hospitalisatie van een 68-jarige man – we noemen hem Tom – die eind 2021 opgenomen wordt als gevolg van klachten door een COPD – GOLD4 diagnose.

In april 2020 – tijdens de eerste lockdown – publiceerde de Vlaamse Overheid in opdracht van de Taskforce COVID-19 zorg het document: Ethisch kompas voor keuzes omtrent bezoekregeling in tijden van Corona[2]. Het ethisch kompas helpt zorginstellingen en zorgverleners bij het vinden van een evenwicht tussen maatschappelijk belang en menselijkheid. In deze casus kijken we naar Tom, zijn echtgenote en hun twee zonen en naar de zorg die door het ziekenhuis verleend werd. In de casus gaat het om een balansoefening waarbij warmmenselijke zorg centraal staat. We menen dat de gehanteerde bezoekregels niet proportioneel waren. In onze casus is palliatieve zorg nooit besproken, Tom is nooit als palliatieve patiënt (h)erkend. Door middel van deze casus willen we laten zien hoeveel impact palliatieve zorg kan hebben op de patiënt en zijn naasten.

Wat is COPD?

COPD is een ongeneeslijke en potentieel levensbedreigende ziekte. Volgens de ‘Richtlijn Palliatieve zorg bij COPD’ wordt – ondanks de hoge ziektelast en de lage levenskwaliteit van patiënten met gevorderde COPD  –  palliatieve zorg nog steeds niet tijdig ingezet (Integraal Kankercentrum Nederland 2021). Een belangrijke moeilijkheid is dat er bij COPD geen duidelijke markering is naar de palliatieve fase en/of terminale fase. COPD-patiënten zelf hebben, in het algemeen, ook een beperkt ziekte-inzicht.

De casus

Tom heeft een echtgenote en twee zonen. Hij is 68 jaar en gediagnostiseerd met COPD – GOLD4. Als gevolg van ernstig chronisch arterieel vaatlijden heeft hij ulcussen aan beide benen en voeten. Eind december 2021 wordt hij opgenomen op de dienst pneumologie. De ulcussen op beide voeten en benen worden onderzocht en er wordt besloten over te gaan tot een heelkundige ingreep. De eerste operatie wordt half januari 2022 uitgevoerd, de tweede geplande ingreep vindt nooit plaats. Na de operatie gaat Tom achteruit. Hij heeft mogelijks een longontsteking en krijgt antibiotica. Een transfer naar intensieve zorg is noodzakelijk. Hier krijgt hij extra zuurstof via een masker met positieve druk. Na een korte verbetering gaat Tom achteruit en is hij ernstig verward. Na ruim een week op intensieve zorg wordt er algemeen orgaanfalen vastgesteld en overlijdt Tom.

Als gevolg van de covidpandemie is er in het ziekenhuis een bezoekverbod. Tijdens de vijf weken durende opname ziet hij zijn echtgenote één keer op kerstdag, één keer op nieuwjaarsdag en één keer op intensieve zorg, als het al heel slecht gaat met hem. Zijn kinderen mogen niet op bezoek komen. De echtgenote en hun twee zonen zijn wel aanwezig op het moment van sterven.

De communicatie met Tom en het zorgpersoneel verloopt steeds moeizamer. Vanaf de start van opname ervaart Tom ernstige ademhalingsproblemen. Door de kortademigheid is communiceren lastig. In de eerste paar weken van zijn opname neemt Tom wel twee keer per dag het initiatief om te telefoneren met zijn vrouw. Na de heelkundige ingreep wordt praten lastig en verloopt telefonisch contact moeizaam. Ook is de dienst vaatheelkunde op dat moment niet of slecht bereikbaar. De naasten worden via een bekende in het ziekenhuis op de hoogte gebracht van de verslechterde situatie van Tom.

Tijdens de opname op intensieve zorg is telefonisch contact met Tom bijna niet mogelijk. Eerst door het zuurstofmasker. Later door zijn sterk verwarde en slechte toestand. In de dagen voor het overlijden is er wel regelmatig kort telefonisch contact met de intensivist. Deze intensivist neemt ook contact op met de naasten op het moment dat het sterven nakende is omdat een algemeen orgaanfalen wordt vastgesteld.

Door het bericht van de bekende in het ziekenhuis maakt de echtgenote zich ernstig zorgen en stuurt een klachtenbrief naar de ombudsdienst, directie, verantwoordelijk infectiologe en de voorzitter van het ethisch comité van het ziekenhuis. Ze vraagt om de bezoekregeling aan te passen. Drie dagen later komt een antwoord van de ombudsdienst. De reactie werd verstuurd in overleg met de directie en de hoofdarts. Zes dagen later overlijdt Tom.

Analyse en discussie

We analyseren deze casus aan de hand van het ethisch kompas voor bezoekregeling , deze is opgesteld tijdens de eerste coronalockdown. Het ethische spanningsveld tussen veiligheid en warmmenselijke zorg werd al zichtbaar in deze eerste periode van sociale afzondering. Het werd duidelijk hoe belangrijk het sociale contact is voor patiënten en hun naasten. De ethische vraag in deze casus is er een van proportionaliteit. We kijken daarbij naar de moreel juiste handelswijze die de minste schade teweegbrengt, maar wel het welzijn optimaliseert[3].

Respect voor autonomie, informed consent, niet-schaden en goed doen zijn belangrijke pijlers in onze gezondheidzorg. In tijden van crisis of bijzondere situaties moeten er afwegingen gemaakt worden en moeten de verschillende waarden worden gewogen. In deze casus heeft het ziekenhuis een afweging gemaakt waarbij de sociale rechtvaardigheid en het maatschappelijk belang de boventoon hebben gevoerd. De keuze om geen bezoek toe te laten is een uitzonderlijk hard besluit. Niet elk ziekenhuis heeft deze zelfde afweging gemaakt.

Respect voor autonomie en informed consent is in deze casus niet correct in acht genomen. Het is onduidelijk of de patiënt genoeg begrip had over zijn situatie en of hij nog kon meebeslissen. Communicatie met Tom was moeilijk als gevolg van zijn symptomen. De beslissing om te opereren, was geen urgente beslissing. Toch is ervoor gekozen om niet, al was het maar telefonisch, te overleggen met de echtgenote welke manier van zorg gepast was. Bij eventuele beslissingsonbekwaamheid is er geen beroep gedaan op vertegenwoordiging. Een patiënt staat niet geïsoleerd in het leven. Contact met naasten en familieleden kan dus belangrijk zijn om tot een goed besluit te komen[4]. Door hiervoor geen mogelijkheid te creëren kan de warmenselijke zorg verloren gaan. Er bestaat ook de kans dat er keuzes gemaakt zijn boven het hoofd van de patiënt zonder dat hij een klankbord had om te overleggen en te bespreken met zijn naasten.

(Sociale) rechtvaardigheid eist dat iedereen recht heeft op gelijke kansen en op goede en kwaliteitsvolle zorg. Dit betekent echter niet dat iedereen exact dezelfde zorg moet krijgen, of aan dezelfde regels onderworpen moet zijn. Rechtvaardigheid laat verschillen toe, aangepast per patiënt en zijn of haar unieke situatie[5]. De reactie van het ziekenhuis, en het beleid van de infectioloog, geeft de indruk dat rechtvaardigheid is geïnterpreteerd als: dezelfde regels voor iedereen.

Tom heeft door de keuzes van het ziekenhuis geen optimale zorg ontvangen. Zijn laatste levensdagen en de manier van sterven waren niet kwaliteitsvol. In deze casus is niet alleen de patiënt geschaad, maar ook de naasten. Zij hebben zich buitengesloten, machteloos en boos gevoeld tijdens de ziekenhuisopname. De rouwverwerking is ernstig verstoord door de vele vragen die nooit beantwoord kunnen worden. De uitkomst was mogelijks niet anders geweest als er andere keuzes gemaakt waren door de behandelende artsen of door het ziekenhuis, maar voor de rouwverwerking had dit wel veel uitgemaakt.

Conclusie

Tijdens elke COVID-19-golf is er grote druk op de ziekenhuizen. Dit heeft impact op het zorgpersoneel, op het bestuur en het beïnvloedt ook het beleid. In deze omstandigheden is het niet altijd mogelijk om aan ieders wensen te voldoen. In het ethisch kompas wordt sterke nadruk gelegd op het belang van goede communicatie. Daarmee rekening houdend, is in deze casus niet genoeg gecommuniceerd met de naasten van de patiënt, ook de kwaliteit van de communicatie liet te wensen over. Het wederzijds vertrouwen en respect ontbrak. De ratio achter de strenge bezoekregels was niet duidelijk, ook daarover is niet helder gecommuniceerd. Dit is een gemiste kans, met langdurige gevolgen voor de nabestaanden.

Toch gaat het hier om een balansoefening. Zoals in het ethisch kompas krachtig beschreven staat: “Wanneer we te restrictief zijn om de veiligheid te garanderen, riskeren we het menselijke uit het oog te verliezen. Wanneer we alleen kijken naar het warmmenselijke, wordt het onveilig”. Deze casus beschouwend, menen wij dat het evenwicht tussen beide waarden te weinig in overweging werd genomen: de warmmenselijke zorg legt veel minder gewicht in de schaal dan de veiligheid.

De keuze om een totaal bezoekverbod in te stellen is naar ons inzien niet proportioneel. Dat het ook anders kan, blijkt uit het feit dat er in de provincie waar het ziekenhuis zich bevindt, slechts drie van de dertien ziekenhuizen een totaal bezoekverbod hadden tijdens de periode waarin deze casus liep.

Kwetsbare chronische of geriatrische patiënten, zeker bij langdurige opname in een ziekenhuis, ervaren zowel sociale als psychologische ondersteuning door bezoek en nabijheid van hun naasten. Een ondersteuning die naar ons inzien niet door professionele hulpverleners kan worden overgenomen. Door een totaal bezoekverbod in te stellen werd een sfeer van wantrouwen en eenzaamheid gecreëerd.

De bezoekregelingen voor palliatieve en terminale patiënten zijn in de meeste zorgsectoren – zeker in covidtijden – flexibeler dan voor de ‘reguliere’ patiënten. Deze casus toont nogmaals aan dat tijdig palliatieve zorgnoden herkennen en palliatieve zorg starten kwaliteit kan bieden aan de patiënt en zijn naasten. Goede kwaliteitsvolle zorg vraagt dus om een structurele verankering van palliatieve zorg, zeker ook in een crisis situatie. Familie toelaten bij palliatieve en terminale patiënten moet onder alle omstandigheden mogelijk blijven.

[1],2,3,5 Denier, Y., Vlaeminck, M., & Devisch, I. (2020). Ethisch kompas voor keuzes omtrent bezoekregeling in tijden van Corona. Brussel. Accessed 23 August 2022

[4] Autonomie of relationele autonomie? | Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. (n.d.). https://www.ntvg.nl/artikelen/autonomie-relationele-autonomie. Accessed 19 September 2022


Even ademen: Mindfulness voor verpleegkundigen reduceert stress

Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.

Context

Verplegen is ongetwijfeld een zwaar beroep, zowel fysiek als mentaal. Meer dan de helft van de verpleegkundigen vertonen symptomen van stress, angst, depressie en burn-out. Voor velen vertaalt zich dit naar een negatieve work-lifebalance wat resulteert in een gedaalde betrokkenheid op het werk. Het gevolg: verpleegkundigen verlaten het beroep. Mindfulness is een effectieve manier om met stress om te gaan, waarbij je bewust aanwezig probeert te zijn in het hier en nu; je observeert wat je doet, ziet, voelt, zonder te oordelen. Het leunt dicht aan bij meditatie en yoga waarbij je ook bewust in het nu probeert te zijn, maar mindfulness kan je tijdens de shift en bij elke handeling toepassen.

Doelstelling

Deze studie onderzocht de impact van mindfulness op het psychologisch welzijn van verpleegkundigen. Eerder uitgevoerde studies over dit onderwerp werden op een systematische manier in kaart gebracht in een literatuurstudie.

Samenvatting van de resultaten van de studie

Deze literatuurstudie onderzocht de gegevens van elf eerder uitgevoerde studies. Deze studies werden uitgevoerd in het ziekenhuis, met verpleegkundigen werkzaam op intensieve zorgen, oncologie, en op algemene ziekenhuisafdelingen. In alle studies werd mindfulness aangeleerd door een coach, bijvoorbeeld tijdens een workshop. Tien van de elf studies toonden een positief effect op het welzijn van verpleegkundigen. Verpleegkundigen vertoonden minder stress, minder burn-out, meer zelfcompassie en waren meer mindful. Secondaire effecten waren minder symptomen van angst en depressie. Echter, een belangrijke bedenking is dat de kwaliteit van de studies variabel was.

Conclusie

Mindfulness is mogelijks een belangrijke strategie om om te gaan met de hoge stress binnen de gezondheidszorg. De resultaten moeten nog bevestigd worden in grotere studies.

Gevolgen voor de praktijk

Nu stress een kenmerk lijkt geworden te zijn van de verpleegkunde in de praktijk, is de vraag of welzijn geen integraal deel van het werkbeleid moet worden. Mindfulness lijkt daar mogelijks een antwoord op te bieden. Ook aanverwanten, zoals yoga en meditatie hebben in andere studies hun effect bewezen, gaande van minder stress, tot betere slaapkwaliteit en een hogere kwaliteit van leven. Nu we dergelijke interventies beginnen aan te bieden aan onze patiënten, is het misschien ook tijd om hun meerwaarde te ontdekken voor onszelf. Momenteel is het nog wachten op studies die de kosteneffectiviteit van deze interventies bij verpleegkundigen ondersteunt.

Bron: Sulosaari V, et al. The effectiveness of mindfulness-based interventions on the psychological well-being of nurses: A systematic review. Applied Nursing Research 2022. 64: 151565.


Een pleidooi voor meer menswaardige stervensbegeleiding

Lien De Metsenaere werkte tien jaar als verpleegkundige op de afdeling intensieve zorg en zeven jaar in een palliatief supportteam. Vandaag specialiseert ze in coaching rond stress, burn-out, rouw en verlies. Uit eigen ervaring leerde ze dat dagelijks heel wat patiënten in oncomfortabele omstandigheden overlijden. Met het boek ‘Omdat we allemaal doodgaan’ wil ze daar verandering in brengen.

Wanneer je Lien De Metsenaere hoort spreken, valt haar passie onmiddellijk op. Ze is een verpleegkundige in hart en nieren. Toch besloot ze het roer om te gooien na zeventien jaar dienst op de afdelingen intensieve zorg en palliatieve zorg. Wat haar sterk bijblijft? Het gebrek aan kennis over levenseindezorg. “Ik zag nog te veel patiënten in oncomfortabel omstandigheden overlijden. Ik keek in mijn boekenkast vol naslagwerken over palliatieve zorg en besefte: ik mis een all-in-one. Eén boek dat alle aspecten van een menswaardige stervensbegeleiding samenbrengt. Daarom ben ik zelf aan de slag gegaan”, vertelt ze.

In het boek ‘Omdat we allemaal doodgaan’ brengt Lien theoretische inzichten samen met waargebeurde verhalen uit de zorg. Het onderscheid tussen palliatieve en terminale zorg, hardnekkig behandelen, symptoomherkenning en belangrijke medicatie, palliatieve sedatie en euthanasie, voorafgaande zorgplanning, … Het is een boek geworden voor alle hulpverleners, maar ook voor ondersteunend personeel, voor patiënten zelf en hun naasten. “Denk aan een diëtiste, kinesiste, logistieke hulp of het poetspersoneel op de dienst intensieve zorg. Zij zien heel veel wat ze niet altijd begrijpen. Ook patiënten en hun omgeving hebben informatie nodig over waar ze recht op hebben en waar ze terecht kunnen met vragen. Ten slotte hoop ik dat dit boek wordt opgepikt door hogescholen en kan dienen als handboek. Palliatieve zorg is nog steeds een zwaar onderbelicht thema in het onderwijs.”

Kennis over symptomen en medicatie

Lien wijdt twee hoofdstukken aan snelle symptoomherkenning en medicatiekennis, omdat het belang ervan niet onderschat mag worden. “Er doen heel wat mythes en onwaarheden de ronde over adequate symptoombehandeling en medicatie”, vertelt ze. “Zo denken artsen-in-opleiding nog vaak dat palliatieve patiënten doodgaan van 5 mg morfine, of dat morfine gebruikt wordt bij euthanasie. Artsen leren mensenlevens redden, maar hun kennis schiet tekort als het op een menswaardig levenseinde aankomt.” In de praktijk merkte Lien hoe artsen soms op automatische piloot meegaan in therapeutische hardnekkigheid in plaats van comforttherapie. Tegelijk ondervond ze hoe je als verpleegkundige het verschil kan maken voor je patiënt. “Het loont het zeker de moeite om vanuit jouw ervaring je inzichten en inschatting van de situatie te delen met de arts. Wat is de uitkomst voor de patiënt? Langer leven zonder levenskwaliteit, of een rustig heengaan met zo min mogelijk pijn? Ik roep ook leidinggevenden op om meer intervisiebijeenkomsten op te zetten. Door in team in een open gesprek over een casus te reflecteren, leer je heel wat bij en kan je beter omgaan met deze emotionele situaties.”

De rol van verpleegkundigen

De dood wordt als onderwerp nog vaak uit de weg gegaan. “Verpleegkundigen zijn uit zichzelf enorm empathisch en willen graag het gesprek aanvatten, maar ze weten niet altijd hoe. Omdat ze de juiste informatie niet hebben, of omdat ze een gevoel hebben dat er te weinig tijd is. Ik geloof dat werkdruk nooit in de weg zou mogen staan van menswaardige zorg. De centrale boodschap die ik alle zorgverleners wil meegeven is: zie mensen op hun kwetsbaarste moment niet enkel als patiënt, maar als mens. Ik heb zelf ervaren dat de zachte sector ook hard en kil kan zijn. We mogen als zorgverleners meer zachtheid toelaten en doorgeven. Aan patiënten en hun naasten, aan de volgende generatie verpleegkundigen en aan onszelf. Om voor zwaar zieke mensen te zorgen, moet je ook zorg dragen voor jezelf. Vergeet dat niet.”


(On)vrijwillig deeltijds werken in de zorgsector

(On)vrijwillig deeltijds werken in de zorgsector:

Op 14 oktober 2022 bracht het Bureau van de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen een advies[1] uit over (on)vrijwillig deeltijds werken. In 1998 al lanceerde de Raad een brochure over het thema, waarin ook de sociale en juridische gevolgen vorm kregen. Meer dan twintig jaar later was een herziening nodig. De balans werd opgemaakt van enerzijds de statistieken en anderzijds de gevolgen op beroeps- en sociaal vlak. Wat blijkt: het beheer van de arbeidstijd blijft een zeer gendergerelateerde kwestie, ook in de zorgsector. Annemie Pernot is ondervoorzitter van de Raad van de Gelijke Kansen geeft duiding bij het advies.

In 2020 waren er in ons land zo’n 1.083.596 deeltijdwerkers[2]. Daarvan was 80 procent vrouw. Het percentage van vrouwen dat deeltijds werk verdubbelde in twintig jaar tijd van 20 tot 43 procent. Ook bij mannen was een stijging waar te nemen, al ging die maar tot 12,6 procent. Volgens gegevens van Statbel[3] werkten in 2021 zo’n 42,5 procent van de vrouwen deeltijds, tegenover 11,8 procent van mannen. “Die cijfers zijn historisch gegroeid. In de jaren zeventig nam de werkloosheid toe. Deeltijds werken werd ingevoerd om meer mensen aan het werk te krijgen en actief gepromoot door de regering”, zegt Annemie Pernot. Zo werd in 1983 een brochure uitgebracht waarin deeltijds werken de vrede in het huishouden zou bevorderen, samen met een gedeeltelijk terugtrekking van de vrouw uit de arbeidsmarkt. “Dat versterkte de ongelijkheid in de verdeling van de gezinsverantwoordelijkheden. Vrouwen werken vaker deeltijds dan mannen, waardoor zij meer in het gezin bijdroegen en afhankelijk werden van het inkomen van de man.

Structureel deeltijds aanbod

De overheid promootte in de jaren tachtig deeltijds werk als een keuze. In realiteit was dit niet zo en riep het veel vragen op. Het advies van de Raad van de Gelijke Kansen illustreert dit met het voorbeeld van de zaak Bekaert uit 1982, waar in een herstructureringsplan alle vrouwen die geen gezinshoofd waren deeltijds moesten gaan werken om de ontslagen van mannen te voorkomen. “Het verschil tussen vrijwillig en onvrijwillig bestaat enkel in België”, licht Annemie toe. “Vrijwillig wil zeggen dat het deeltijds werk aanvaard wordt en dat de vergoedingen berekend worden pro rata het aantal gewerkte uren. Dat heeft ook minder positieve gevolgen voor je wettelijk pensioen of werkloosheidsuitkering, bijvoorbeeld. We spreken over onvrijwillig wanneer je deeltijds werk aanvaard om niet meer werkloos te zijn. Je kan, mits je voldoet aan strikte voorwaarden, wel een inkomensgarantieuitkering krijgen. In de praktijk zien we dus dat vooral vrouwen onvrijwillig voor deeltijds werk kiezen en dat in bepaalde sectoren zoals de schoonmaak, de handel, het bank- en verzekeringswezen en de gezondheidszorg. Daar zijn het vooral de woonzorgcentra waar vaak met deeltijdse contracten gewerkt wordt of waar vrouwen door de jobinhoud kiezen voor deeltijds werk.”

Die bevindingen leidt Annemie af uit twee enquêtes die de Raad liet uitvoeren in de vier voornoemde sectoren. Er was een enquête in 2020 door de ULB en in 2021 door HIVA, het onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving van de KU Leuven. Er werd zowel statisch als kwalitatief onderzoek gedaan. In de woonzorgcentra is 80 procent van het personeel vrouwelijk en daarvan werkt 67 procent deeltijds[4]. Verspreid over de sectoren gaf bijna 44 procent van de vrouwen aan dat ze deeltijds werken om familiale redenen. Slechts 8,6 procent van de vrouwen gaf aan niet voltijds te willen werken. Toch toont de enquête uit 2020 aan dat het arbeidsaanbod in onder meer de woonzorgcentra structureel deeltijds is. Tussen de 80 en 90 procent heeft er altijd deeltijds gewerkt. Driekwart van de bevraagde personen gaf zelfs aan dat er in hun instelling of onderneming geen voltijds werk mogelijk was, behalve in leidinggevende functies.

Verklaringen en aanbevelingen

In tijden van personeelsschaarste binnen de zorg, zou je denken dat een zorgverlener de jobs voor het uitkiezen heeft en dat voltijdse contracten welgekomen zijn. Toch is dat een misperceptie. Deeltijds werk is economisch aantrekkelijker en helpt de werkgever om dal- en piekmomenten in het werkrooster op te vangen. “Vaak wordt een job aanvaard omdat je dan werk en een inkomen hebt”, zegt Annemie. “Maar ook andere factoren spelen mee in de keuze voor deeltijds werken. Het werk kan fysiek en mentaal ook als te zwaar of belastend ervaren worden als je de job voltijds zou uitvoeren. Zo kom je in woonzorgcentra ook meer in aanraking met verdriet en rouw. Deze zaken dragen bij tot een hoog percentage van burn-outs. De flexibele uren zijn ook zeer moeilijk en hoger dan elders. Van de mannen en vrouwen in de zorg werkt 37 procent op zondag, 44 procent op zaterdag en 18 procent ’s nachts. Ook wanneer ze hun uren te weten komen is te kort. Hoe het vandaag georganiseerd wordt, kan iemand er bijvoorbeeld geen tweede job bijnemen. Wettelijk is de verwittiging van de uren vastgelegd op vijf dagen. Die termijn is te kort voor iemand die er bijvoorbeeld een tweede job wil bijnemen of voor een alleenstaande ouder die de kinderen van school moet halen. In dit advies raden we aan om dat naar zeven dagen te brengen of in overleg met de sociale partners een gunstigere regeling te bekomen in een collectieve arbeidsovereenkomst (CAO).  We bevelen ook aan om specifiek in de woonzorgcentra het mogelijk te maken voor werknemers om meer dan twee aaneensluitende weken verlof te nemen. Vandaag is dit in veel zorginstellingen nog niet toegelaten.”

Naast deze verklaringen, merkt Annemie ook op dat de overgang van deeltijds naar voltijds vaak moeizaam verloopt en dat werknemers er soms de kans niet toe krijgen. Nochtans is de werkgever wel wettelijk verplicht om een beschikbaar voltijds contract eerst aan te bieden aan de deeltijdse werknemers. “Zo creëer je het gevoel gevangen te zitten in een bepaald werkschema”, zegt Annemie nog. “Onderschat ook de impact van het veranderende zorglandschap niet. Wie in een woonzorgcentra zit is vandaag ouder dan twintig jaar geleden en heeft meer intensieve zorg nodig. Maar de normeringen van de personeelsbezetting veranderen niet mee. Dit werkt overbelasting in de hand. Kortom: de zorgvraag stijgt, maar het aantal personeelsleden daalt. Functiedifferentiatie zal hierin een belangrijke rol spelen. Al maakt de wetgeving het samenwerken in team nogal moeilijk. De aanbevelingen van de Raad zijn bedoeld om beroepen in de zorg aantrekkelijker te maken en in een positiever daglicht te stellen. De negatieve beeldvorming over werken in de zorg is vaak ten onrechte.”

[1] Advies 166 van 14 oktober 2022 van het Bureau van de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen over (on)vrijwillig deeltijds werken. raadvandegelijkekansen.be

[2] Statbel.fgov.be/nl/themas/werk-opleiding/arbeidsmarkt/deeltijds-werk#figures

[3] Statbel.fgov.be/nl/visuals/Arbeid-en-gender

[4] Advies 166 van 14 oktober 2022 van het Bureau van de Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen over (on)vrijwillig deeltijds werken.

Wat doet de Raad van de Gelijke Kansen?

De Raad van de Gelijke Kansen voor Mannen en Vrouwen is een federaal adviesorgaan voor de minister van Werk en kijkt naar de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de maatschappij. Het werd opgericht in 1993 om te adviseren over de verschillende facetten van de problematiek van de gelijke kansen. Zo kan het aanbevelingen doen voor het gelijkekansenbeleid aan de minister van Werk, maar ook aan andere regeringsleden, de Nationale Arbeidsraad, organisaties, groeperingen en individuen. De Raad kan ook zelf rapporten opstellen, onderzoeken uitvoeren, maatregelen voorstellen en voorlichting of informatie delen over gelijke kansen. De adviserende rol van de Raad onderscheidt de Raad van het Instituut voor de gelijkheid van mannen en vrouwen, en van het Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding dat vooral het accent legt op bepaalde doelgroepen.

raadvandegelijkekansen.be

“Zet beschikbare mensen optimaal in”

Voltijds willen werken en slechts deeltijds ingezet worden leidt in de Vlaamse woonzorgcentra tot heel wat onbenut arbeidspotentieel. “Dat heeft vaak te maken met organisatorische redenen binnen de zorginstelling”, zegt Vlaams Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt. “Met twee deeltijdse zorgverleners is het makkelijker om de weekend- en nachtdiensten te vullen, dan met één voltijds profiel. Toch pleiten we er samen met de sociale partners voor om personen die voltijds willen werken dat ook toe te laten.”

Er is al een engagement bij de sociale partners om bij een personeelsuitbreiding van de organisatie het menselijk kapitaal dat al in de zorginstelling aanwezig is voorrang te geven op de mogelijkheid om voltijds te werken. “Dat is een concrete afspraak en werd ook al via een bepaling in één cao opgenomen”, vertelt Candice. “Toch moeten we aandachtig zijn en naar oplossingen zoeken als mensen aangeven dat een voltijds uurrooster niet haalbaar is om fysieke of mentale redenen. De oplossing is volgens mij drieledig. Want, laat ons eerlijk zijn, we gaan nooit met genoeg zorgverleners zijn om aan de stijgende zorgvraag tegemoet te komen. Je moet dus het beschikbare personeel optimaal inzetten en aanvullen met andere zorgprofielen. Daarnaast moet ook technologie en innovatie meer en meer zijn ingang vinden in de woonzorgcentra. Ik zie mooie voorbeelden daarvan in heel wat woonzorgcentra die investeren in slimme technologie die de bewoners monitort, met aandacht voor hun privacy, waardoor veel gerichter zorg kan ingezet worden wanneer nodig.  Dit is een win-win voor zowel onze bewoners als onze zorgverleners: wanneer je als nachtverpleegkundige normaal vier rondes van 1,5 uur doet per nacht en zo viermaal de nachtrust van bewoners onderbreekt: uiteraard heeft dat impact op de bewoners overdag. Wanneer je nu door die monitoring weet waar je wel en niet binnen moet gaan terwijl je toch de controle behoudt, dan bespaart dat vele uren per nacht. Technologie vraagt een investering, maar stap per stap lukt het wel.”


Hoe kan jij je gsm gebruiken als een handige gezondheidstool?

De doorsnee Belg heeft dagelijks een schermtijd van 3 uur en 8 minuten. En of dat nu is om belangrijke mails te beantwoorden of om tijdens de pauze even door sociale media te scrollen, het maakt een groot deel uit van ons dagelijkse tijdsbesteding. De smartphone valt niet meer weg te denken en het wordt tijd om het toestel in te zetten voor een betere gezondheid.

Ziektepreventie als de beste gezondheidszorg

De laatste jaren is er een duidelijke verschuiving van een curatieve naar een preventieve aanpak in de gezondheidszorg. Deze verschuiving kan verder in de hand gewerkt worden door de nieuwe digitale technologieën die vandaag ontwikkeld worden. In deze thesis gaan we op zoek naar de reeds bruikbare nieuwe technologieën die kunnen helpen bij het voorkomen van ziekte.

Louis Roodhooft is student in de tweede master geneeskunde aan de Universiteit Gent. Onder begeleiding van Healthskouts’ Prof. Dr. Koen Kas en Dr. Luc Krols (MBA) mocht hij als eerste in Europa de innovatieve gezondheidsapp Anura in studieverband onderzoeken en uittesten. De resultaten van dit onderzoek zouden mee kunnen leiden tot een totaal nieuwe manier om ziekte op te sporen, op te volgen en zelfs te voorkomen.

Anura

In deze zoektocht botsten we op de innovatieve gezondheidsapp Anura. Via de techniek van Transdermal Optical Imaging laat deze app de gebruiker toe om via een gezichtsscan van dertig seconden allerlei interessante gezondheidsinformatie over zichzelf te weten te komen. Twee zeer nuttige parameters die de app met meer dan 95 % accuraatheid meet, zijn bijvoorbeeld de hartslag en de bloeddruk. Daarnaast meet de app niet alleen bepaalde parameters, maar berekent hij hieruit ook enkele risico-scores[1].

Om in deze thesis ook een maatschappelijke bijdrage te leveren, onderzochten we of de app kan gebruikt worden om effectief te screenen naar diabetes en cardiovasculaire risico’s op basis van die berekende risico-scores.

Screening met Anura

Als eerste stap in onze screening werd de FINDRISC-score van de deelnemer berekend. Deze score wordt berekend aan de hand van acht korte vragen en wordt momenteel als eerste stap gebruikt in het screeningsproces naar diabetes in België. Vervolgens werd gevraagd om een dertig seconden durende gezichtsscan met Anura uit te voeren, waarna kort de resultaten met de deelnemer werden besproken.

Nadat de resultaten van de FINDRISC-score en de Anura scan werden verkregen, werden deze gekoppeld en als één case opgeslagen in de database. Deze database werd dan na de screeningsperiode grondig geanalyseerd in SPSS.

Resultaten en conclusie

Op deze manier werden in totaal 769 cases verzameld. Dit leidde tot een zeer gevarieerde populatie, zowel op vlak van leeftijd als van afkomst. Na analyse van de database kon worden berekend dat de app een sensitiviteit en specificiteit heeft van respectievelijk [51, 71] % en [50, 70] % om het risico op diabetes en cardiovasculaire ziekten te voorspellen, wat zeer gelijkaardig is met de sensitiviteit en specificiteit van de FINDRISC-score.

Hierdoor kunnen we besluiten dat de app wel degelijk accuraat genoeg is om als screeningsinstrument ingezet te worden en dus de FINDRISC-score zou kunnen vervangen. De Anura-app heeft namelijk een gelijkaardige accuraatheid, geeft meer informatie en is makkelijker in gebruik.

Mogelijke toepassingen in de verpleegkunde

De mogelijkheden van de app gaan veel breder dan enkel screening. De hartslag en bloeddruk die de app meet, kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden in triage-processen. Ook is de geschiedenis van de patiënt bij meerdere scans makkelijk te bekijken en zo kan men trends ontdekken in de parameters. Deze kunnen dan ingezet worden om te kijken of de patiënt zijn medicatie wel of niet aanslaat, alsook inzicht geven in welke risico’s de patiënt loopt en waar ingegrepen moet worden. Aangezien de gegevens direct digitaal zijn is het ook handig om met enkele klikken de resultaten te delen of op te nemen in de nodige dossiers.

[1] Zie Nuralogix.ai voor info over wat de app meet en berekent en hoe de techniek werkt.


Digitaal verwijsvoorschrift moet zorgverlening ondersteunen

Het RIZIV, Recip-e, FOD Volksgezondheid en Smals bundelen de krachten in een project om digitale verwijsvoorschriften ingang te doen vinden. Via een web- of mobiele applicatie worden ze vanuit eenzelfde bron beschikbaar voor zorgverleners en patiënten. De digitalisering van het verwijsproces betekent een meerwaarde voor alle actoren in het zorgproces.

Het project digitaal verwijsvoorschrift wordt gestuwd door een breed netwerk. Recip-e is het systeem dat op vandaag al gebruikt wordt voor de digitale farmaceutische voorschriften. Het RIZIV doet nu een beroep op hun expertise om samen verwijsvoorschriften te digitaliseren en te dematerialiseren . Voor de softwareontwikkeling rekenen de partners op Smals. Daarnaast zijn stakeholders als de overheid, de beroepsorganisaties van de zorgverleners, de Patiëntenplatforms, eHealth, de software-integratoren, ziekenfondsen, … betrokken.

De doelstelling van dit project is zowel de zorgverlening te ondersteunen door een efficiënter zorgproces aan te bieden, alsook de administratieve lasten te verminderen. “Dankzij de opstart van multidisciplinaire werkgroepen met de verschillende stakeholders, die onder andere ook vanuit de beroepscommissies zelf werden aangesteld, is het mogelijk de reële situatie op het terrein zoveel mogelijk te simuleren, knelpunten uit het proces te halen, en opportuniteiten te implementeren”, zegt Katrien Thorré, directeur van Recip-e.

Meerwaarde

Werken met digitale verwijsvoorschriften moet de communicatie stroomlijnen tussen de drie partijen in het zorgproces: voorschrijver, zorgverstrekker en zorgvrager. Dat brengt voor alle actoren voordelen met zich mee. “We zien dat de zorgvrager vandaag vaak als administratief doorgeefluik tussen zorgverleners fungeert, of informatie meerdere keren moet herhalen”, vertelt Marleen Van Eygen, business analist bij het RIZIV. “Door zorgvragers ook toegang te geven tot het digitaal platform willen we hen een grotere rol geven in het beheren en opvolgen van hun voorschriften, zorg. Op die manier zitten ze mee aan het stuur van hun zorgtraject, op een efficiënte manier.”

Door voorschriften centraal te verzamelen verkleint de foutmarge en ontstaat een directe communicatielijn tussen de verschillende partijen in het zorgtraject. “Thuisverpleegkundigen botsen soms op het feit dat het juiste materiaal nog niet bij hun zorgvrager aanwezig is”, vertelt Marleen Van Eygen. “De voorschriften en hun status zullen makkelijk op te volgen zijn in de applicatie. Voor verpleegkundigen wordt het ook eenvoudiger om terug te koppelen naar de voorschrijvende arts via het platform. Zo kunnen ze eenvoudig bijvoorbeeld aangeven wanneer een behandeling verlengd moet worden.”

Gefaseerde uitrol

“Het project wordt gefaseerd uitgerold bij drie verschillende doelgroepen”, vertelt projectmanager Maarten Cobbaert (Riziv). “De eerste doelgroep omvat artsen en artsen-specialisten en thuisverpleegkundigen, omdat dit statistisch de grootste groep is die met papieren verwijsvoorschriften aan de slag is gegaan. Het doel is om op termijn alle zorgverleners te betrekken. Per doelgroep worden vier fases doorlopen. Eerst worden de huidige situatie en de bestaande behoeften in kaart gebracht samen met mensen uit het terrein. Daarna krijgt de oplossing vorm in samenwerking met ontwikkelingspartner Smals. Vervolgens wordt de oplossing aangeboden als web- of mobiele applicatie. Ten slotte gaat de pilootfase van start, waarin de oplossing in de praktijk wordt ingezet en mogelijke kinderziektes worden weggewerkt. In juni 2024 zal de eerste versie van de ontwikkelde tool aan de eerste doelgroep aangeboden worden.“

Uitdagingenaanpakken door overleg

De software, een gebruiksvriendelijke applicatie opzetten, alle data met elkaar laten communiceren conform de wetgeving, … dat is niet niks. “Met goed overleg maken we het mogelijk”, stelt Katrien Thorré, directeur van Recip-e. “Waar we ook rekening mee houden is de digitale kloof of de digitale ongeletterdheid bij sommige mensen. We weten dat overschakelen naar een digitaal platform niet altijd vanzelfsprekend is. Daarom verzekeren we dat de mogelijkheid blijft bestaan om met papieren voorschriften te werken. Ook de niet-gedigitaliseerde zorgvrager zal wel profiteren van het nieuwe, digitale systeem, omdat de communicatie tussen voorschrijver en zorgverstrekker efficiënter verloopt. Bovendien zijn we ervan overtuigd dat de overgangstijd voor iedereen een leertijd zal zijn. We zetten dan ook sterk in op opleidingen voor zorgverleners, samen met partners die ervaring hebben in coachen en opleiden, zoals VIVEL.”


Vertaling JBI-databank is rond, contextualisatie is volgende stap

De JBI-databank omvat zo’n 5.000 Evidence-Based Practice documenten voor negen van de elf beroepsgroepen die sinds augustus 2021 mee stapten in Belgische EBP-verhaal. Het gaat om de diëtisten, vroedkundigen, verpleegkundigen, ergotherapeuten, kinesitherapeuten, psychologen, logopedisten, huisartsen en podologen. Al de evidence summaries en recommended practices uit de databank moesten vertaald worden naar het Frans en naar het Nederlands. Een werk dat nu in een stroomversnelling zit.

De Australische databank van JBI werd door de overheid aangekocht om haar multidisciplinaire insteek. Ze omvat immers naast samenvattingen van wetenschappelijke artikels ook zeer veel wetenschappelijk onderbouwd advies voor de praktijk. Alle teksten moeten vertaald worden naar het Nederlands en naar het Frans, en getoetst worden aan de Belgische context. EBPracticenet neemt die taak op zich en volgt hierbij een prioriteitenlijst, aangegeven door de betrokken beroepsgroepen. Dit vertaalproces staat inmiddels op punt. “Wij sturen een lijst door naar JBI in Australië. Zij bezorgen ons de documenten, die wij op onze beurt bekijken. Gedateerde teksten of teksten die aan een update toe zijn hebben we niet in de vertaalronde opgenomen. Na het werk van het vertaalbureau, volgt een proofreading door EBPracticenet. We geven feedback en werken zo toe naar een finale versie in het Frans en in het Nederlands die kan geüpload worden in de Belgische EBPNET-databank”, legt Pascal Claeys, freelance hoofdredacteur van EBPracticenet, uit. “Het voorbije jaar hebben we zo’n duizend bestanden vertaald, waarvan er intussen 599 gepubliceerd zijn.”

Voortdurende updates

Met de vertaling van de teksten stopt het werk niet. Alle documenten in de JBI-databank worden om de twee jaar aan een update onderworpen. Dat is relatief snel. Na de vertaling volgt de contextualisatie: hoe pas je de evidence toe in de Belgische zorgsetting. Denk maar aan dosering, andere productnamen, … “De tekst blijft de tekst, daar raken we niet aan”, zegt Pascal. “We voegen wel een noot toe over de Belgische context. Momenteel zijn we bezig mensen op te leiden om die contextualisatie op zich te nemen. Voor verpleegkunde zijn dat mensen van de AUVB. Zij toetsen de teksten aan de Belgische zorgcontext op basis van inhoud en geven ook advies over de metadata, zoektermen en filters om het document makkelijk op te sporen. Na de contextualisatie volgt de praktische implementatie.”

Kortom: 2021 was het jaar van voorbereiding en prioriteiten stellen. In 2022 volgde de eerste golf van vertalingen en het online zetten. 2023 wordt het jaar van de contextualisatie. De budgetten die vrijgemaakt worden, komen van het RIZIV. Voor 2023 is die werking geraamd op 300.000 euro. “De vertaalkosten blijven door de voortdurende updates en we betalen de komende jaren ook meer licentiekosten”, vertelt Jef Adriaenssens, verpleegkundige en HSR-expert bij het KCE. “Let op, we vertalen ook niet alles. JBI is een wereldwijd netwerk. De taken en verantwoordelijkheden van verpleegkundigen zijn niet overal dezelfde. We vertalen dus enkel wat relevant is voor de Belgische context.

Volgens Jef is de databank de centen en het vele werk meer dan waard. “De bronnen die we tot nu aanboden via EBPNET waren vooral toegespitst op artsen. JBI bevat heel wat waardevolle wetenschappelijke informatie voor verpleegkundigen. Deze teksten bedside beschikbaar maken is de ultieme doelstelling. Evidence based practice is een combinatie van wetenschap, ervaringen uit de praktijk en de wensen van de zorgvrager. Een bepaald verband kan bijvoorbeeld volgens de wetenschap en de ervaring van de zorgverlener het meest doeltreffend zijn, maar misschien past dit niet binnen het budget of de voorkeuren van de zorgvrager in Vlaanderen, Wallonië en Brussel.”


De implementatie van vroegtijdige zorgplanning voor oudere personen: structurele uitdagingen

Bastiaan Van Grootven, Nursing Science, Department Public Health, University of Basel; Department of Public Health and Primary Care, KU Leuven.

Context

De zorg voor oudere personen kenmerkt zich door een complexiteit van multimorbiditeit, kwetsbaarheid en diverse sociaal-psychologische noden en zorgvragen. Als gevolg worden oudere personen opgevolgd in de eerstelijnszorg, hebben ze af en toe nood aan acute zorg, en komen de meesten vroeg of laat in aanraking met residentiële zorg. Een zorgtransitie tussen settings (bijvoorbeeld een opname in het ziekenhuis) is vaak een kritiek punt waarbij er nood is aan informatie uit een andere setting om de zorg goed te kunnen plannen. Vroegtijdige zorgplanning is een effectieve interventie om met deze complexiteit om te gaan zodat de wensen, doelen en waarden van personen centraal staan in de zorg. In België is vroegtijdige zorgplanning voornamelijk geïmplementeerd onder de vorm van een ‘DNR’-code, maar het concept kan veel meer dan dit betekenen. In Signapore werd in nationaal programma voor vroegtijdige zorgplanning geïmplementeerd in de drie grote settings (ziekenhuis, eerstelijn en residentieel).

Doelstelling

Deze studie onderzocht de ervaringen van hulpverleners met de implementatie van vroegtijdige zorgplanning, om te onderzoeken wat de grote uitdagingen waren.

Samenvatting van de resultaten van de studie

107 hulpverleners participeerden in focusgroepdiscussies. Op het niveau van de hulpverleners was taal een belangrijke barrière. Op niveau van het implementatieproces ervaarden hulpverleners een gebrek aan training (een eenmalig trainingsprogramma was niet voldoende), vonden ze gesprekken rond vroegtijdige zorgplanning complex (dit werd als tijdrovend beschouwd), veel gesprekken werden niet geregistreerd in het online systeem of hulpverleners wisten niet hoe ze vroegtijdige zorgplanningsdocumenten moesten raadplegen. Op niveau van de context was er een gebrek aan bewustzijn rond vroegtijdige zorgplanning bij oudere personen (hulpverleners vonden dat veel patiënten er niet voor open stonden), en partnerships tussen zorgorganisaties werden als essentieel geacht om zorgplanning structureel te integreren. Binnen organisaties hadden leidinggevende een belangrijke rol. Dit ging over het uitspreken van steun, het creëren van een cultuur van vroegtijdige zorgplanning, het investeren in ondersteunende systemen, en het engageren van artsen.

Conclusie

De implementatie van vroegtijdige zorgplanning is complex en dient ondersteund te worden op verschillende niveaus.

Gevolgen voor de praktijk

De resultaten tonen aan dat vroegtijdige zorgplanning de goede wil van een verpleegkundige, afdeling of zelfs instelling overstijgt. De belangrijkste factoren voor een goede implementatie bevinden zich op het niveau van hoe we zorg organiseren. Dit vraagt een coördinatie op nationaal niveau, integratie van vroegtijdige zorgplanning in alle elektronische patiënten dossiers, structurele samenwerking met regionale zorgpartners, gedragenheid door professionele organisaties, en een sterk leiderschap binnen gezondheidszorgorganisatie die een visie kunnen vertalen in goede zorg.

 

Bron: Malhotra  C, et al. Complexity of implementing a nationwide advance care planning program: results from a qualitative evaluation. Age and Ageing 2022. 51:10. doi: 10.1093/ageing/afac224


Erkenning niet-Europese diploma’s: “Maak evaluatie van zorgkwaliteit mogelijk”

Niet-Europese beroepsbeoefenaars en houders van een niet-Europees diploma verpleegkunde moeten volgens artikel 145 in de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (WUG) hun buitenlandse diploma gelijkwaardig laten verklaren door een van de gemeenschappen in België. De toekenning van het verpleegkundig visum gebeurt federaal, door de Minister van Volksgezondheid op advies van de Federale Raad van Verpleegkunde (FRV). Maar de wetgever voorzag geen criteria om de fit to practice van een kandidaat te evalueren.

Wie zijn diploma wil laten erkennen dient bij een van de gemeenschappen in ons land een dossier in. Bij ons is dat NARIC-Vlaanderen, die bekijkt met welk Belgisch diploma de buitenlandse opleiding overeenkomt. In Wallonië gebeurt dit door de dienst Equivalences van de Franse Gemeenschap. “We merken dat zij anders te werk gaan. Neen is neen in Wallonië, in Vlaanderen werken we met een watervalsysteem. Komt je diploma niet overeen met een bachelor, dan misschien wel met een HBO5 of zorgkundige”, zegt Erik De Corte, lid van de FNBV en van de FRV. “We ontvangen bijvoorbeeld veel aanvragen van mensen met de Libanese nationaliteit. Wie daar een driejarige bachelor volgde, krijgt hier een erkenning als HBO5 of zorgkundige. Wie een bachelor en master voltooide in dat land, komt wel in aanmerking voor een bachelor bij ons.”

Na de gelijkstelling komt het dossier bij de werkgroep artikel 145 van de FRV, die drie weken heeft om te beslissen of het verpleegkundig visum dat toegang geeft tot de arbeidsmarkt, kan worden toegekend. Maar de FRV vandaag kan legaal gezien geen dossiers beoordelen op basis van taalkennis of praktijkervaring. Dat moet in de wet worden verankerd. Ook mensen die al jaren geen verpleegkunde meer uitoefenen, dienen een visumaanvraag in. De actuele competentie van een aanvrager wordt vandaag niet getest. Met dit advies tot wijziging van artikel 145 wil de FRV, naast de academische erkenning van het diploma, ook de praktijkkennis, de zorgkwaliteit en de zorgveiligheid evalueren.

Duidelijke voorwaarden

Om hun advies vorm te geven werkte de FRV nauw samen met NARIC-Vlaanderen. “In de voorgestelde herziene procedure stellen we voor dat de aanvrager vijf jaar voorafgaand aan de sollicitatie als verpleegkundige actief moest zijn”, zegt Diégo Backaert, voor NETWERK VERPLEEGKUNDE lid van de FRV. “Hij/zij moet over aantoonbare verpleegkundige kennis en vaardigheden beschikken en minstens één van de landstalen spreken. Daarnaast mag slechts twee jaar zitten tussen de aanvraag om diploma-erkenning en de visumaanvraag. Vandaag zit daar soms tot tien jaar tussen.”

Hoe gaan we dan van een academische herkenning naar een meer concrete evaluatie van de praktijk? De FRV stelt voor om een gestandaardiseerde competentietest te gebruiken bij de erkenning van het diploma door de gemeenschappen, de introductie van een voorlopig visum en de actieve betrokkenheid van de potentiële werkgever van de aanvrager. “Koppel aan die test bijvoorbeeld een interview of de mogelijkheid tot een opleiding”, licht Diégo toe. “Maar maak de procedures duidelijk, met goede randvoorwaarden.” Erik vult aan: “Zo kunnen we misschien ook werk maken van een versnelde procedure tot tijdelijke erkenning voor Oekraïense vluchtelingen. Voor hen zijn de landstalen dan misschien niet zo belangrijk, als ze goed het Engels beheersen en recente praktijkervaring bezitten.”

Over de grenzen heen

Naast duidelijke voorwaarden moet vooral ook over de taal- en landsgrenzen gekeken worden. “In ons land kan beter samengewerkt worden tussen de Vlaamse en Waalse erkenningscommissie om dubbele aanvragen te vermijden. Verder moet er ook Europabreed gewerkt worden. In andere Europese landen wordt wel actief gepolst naar je communicatievaardigheden in de landstalen en naar je recente ervaring als zorgverlener Ontvang je in België een erkenning voor je diploma, dan kan je daar ook elders in Europa mee aan de slag”, zegt Erik.

Diégo besluit: “Om de kwaliteit en veiligheid van zorg te waarborgen heeft ook de werkgever een verantwoordelijkheid. De FRV zal bij omzetting van het advies criteria ontwikkelen om, na de evaluatie van het proefcontract door de werkgever, het tijdelijke visum al dan niet om te zetten in een definitieve toelating tot de arbeidsmarkt.”

 

Meer weten of de werking van NARIC-Vlaanderen? Blader even terug naar pagina 9.


Extra maatregelen milderen impact van hoge werkingskosten

In oktober 2022 keurde de Algemene Raad van het RIZIV een begroting voor de ziekteverzekering voor 2023 goed met bijna twee miljard euro voor de thuisverpleging. Met een aantal maatregelen komen de federale regering en het RIZIV deels tegemoet aan de impact van de hoge inflatie van het afgelopen jaar voor de thuisverpleegkundigen. Toch blijft de kloof tussen de indexering van de honoraria en de evolutie van de kostprijs voor het uitbaten van de thuisverpleging een heikel punt.

De honoraria in de thuisverpleegkunde zijn gekoppeld aan de gezondheidsindex. De honoraria volgen niet automatisch de inflatie en worden dus pas in januari van het volgende jaar geïndexeerd. Voor 2023 bedraagt deze indexatie 8,14 procent ten opzichte van de situatie op 1 januari 2022. Daarvan werd in juni 2022 al twee procent toegekend, door een eenmalige aanpassing van de tarieven voor de verstrekkingen.

Kleine niet-lineaire indexering

“Wanneer we kijken naar de totale inflatie van de afgelopen twee jaar, dan is de indexering van 8,14 procent het absolute minimum. Vandaar dat de sector aandringt op een lineaire indexering, waarbij alle verstrekkingen in de nomenclatuur met 8,14 procent omhoog gaan”, zegt Hendrik Van Gansbeke, algemeen coördinator van het Wit-Gele Kruis van Vlaanderen. “De regering stelt evenwel een gedeeltelijke alternatieve indexering van de honoraria voor.” Binnen de overeenkomstencommissie voor de thuisverpleegkundigen is daarom gekeken naar de verschillende verstrekkingen in de nomenclatuur, met als vraag of deze ook in de toekomst nog gestimuleerd moeten worden.

“De overeenkomstcommissie gaf recent zijn akkoord voor een kleine niet-lineaire toepassing van de indexering. Hierdoor zijn de meeste verstrekkingen met 8,14 procent gestegen. Sommige verstrekkingen zijn niet aangepast en blijven op het niveau van 1 juni 2022. Eén ervan, namelijk supplement PN uit de palliatieve zorg, is een stukje negatief geïndexeerd. In totaal levert dat zo’n 1,75 miljoen euro op die we anders kunnen inzetten. Bijgevolg is beslist om de basisverstrekkingen met 9,13 procent te doen stijgen. Dat lijkt niet veel, maar dit omvat onder andere de verplaatsing, het bezoek aan de zorgvrager thuis, het houden van het dossier en wat klein verpleegkundig materiaal. Per zorgverstrekker betekent dit een paar honderden euro’s meer per jaar.”

Bijkomende maatregelen

Daarnaast ligt het voorstel op tafel om een eenmalige bijkomende premie te verschaffen aan volledig geconventioneerde zorgverstrekkers, die in de loop van 2023 zou uitbetaald worden[1]. “Hieraan zijn twee voorwaarden gekoppeld: de gedeeltelijke niet-lineaire indexering en dat de sector actief meewerkt aan projecten voor doelmatige zorg. Het volume van de premie wordt pas in 2023 bepaald, want deze hangt af van hoeveel zorgverstrekkers volledig geconventioneerd zijn in de verschillende sectoren binnen de gezondheidszorg”, legt Hendrik uit. “Als derde element wordt voor de thuiszorg vijf miljoen euro extra toegevoegd aan het budget van de vergoeding van de specifieke kosten voor de diensten thuisverpleging. Om zo de praktijkwerking – het samenwerken – te stimuleren en de werkingskosten te compenseren. Tot slot is op federaal niveau over alle sectoren heen beslist om de patronale bijdragen tijdelijk te verminderen met 7,07 procent in het eerste en tweede kwartaal van dit jaar.”

Verder ligt de vraag op tafel welk indexeringsmechanisme het beste is voor de honoraria. Er wordt bekeken om dit mogelijks halfjaarlijks te doen of niet meer te koppelen aan de gezondheidsindex. “De financiële impact hiervan is groot, dus moet er gekeken worden naar het totaalplaatje en vanaf wanneer dit een effect zal hebben op onze honoraria. De nomenclatuur voor de thuisverpleging moet ook structureel herzien worden. Een ontwikkelingsonderzoek hiervoor wordt momenteel voorbereid. De bijkomende maatregelen halen een beetje druk van de ketel, maar er is nood aan een structurele oplossing voor de thuiszorg. Dit blijft financieel niet houdbaar. Collega’s dreigen uit het beroep verloren te gaan en dit binnen een context van personeelsschaarste in de zorg. Er moet dringend bijgestuurd worden anders gaat het aanbod van kwalitatieve thuisverpleging snel krimpen.”

[1] Bij het in druk gaan van dit artikel was deze premie nog niet goedgekeurd. Dit stond op de agenda van het verzekeringscomité op 19 december 2022.