Zie jongdementie niet over het hoofd
Elke vier seconden krijgt iemand ter wereld dementie en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie is de aandoening prioriteit nummer één. Ook op jonge leeftijd kan je te maken krijgen met een vorm van dementie, al laat de diagnose nog vaak te lang op zich wachten.
Dementie is de verzamelnaam voor onomkeerbare hersenaandoeningen die zich uiten in een achteruitgang in cognitie. Er ontstaan problemen met leren, onthouden, concentreren, oriënteren, voor jezelf zorgen, … De bekende aandoeningen zijn de ziekte van Alzheimer, vasculaire dementie, frontotemporale dementie (FTD) en Lewy-Body-dementie. De oorzaken van de hersenaandoeningen zijn over het algemeen een foutieve opbouw en afbraak van eiwitten in de hersencellen. Daardoor sterven de hersencellen af en breidt de aandoening zich uit. De gevolgen op het vlak van zelfstandig functioneren zijn groot en kunnen het dagelijkse leven sterk verstoren.
Belgische cijfers
In Vlaanderen (Vlaams Gewest en Brussels Gewest) hadden in 2020, volgens een schatting op basis van het risicomodel van Alzheimer Europe (2019), 141.246 mensen dementie. Voor heel België bedraagt het aantal 202.402. Het aantal mensen met dementie op jonge leeftijd wordt in Vlaanderen geschat op 8.374, waarvan er maar zo’n 1.800 een formele diagnose kregen.
‘Ouderdomsziekte’
Dementie wordt algemeen beschouwd als een ouderdomsziekte. Het klopt dat leeftijd een belangrijkste risicofactor voor dementie is. De kans op dementie neemt sterk toe met de leeftijd: ruim 10 procent van de mensen boven de 65 jaar heeft dementie, tegenover 20 procent van de mensen boven de 80 jaar en zelfs 40 procent van de mensen boven de 90 jaar.
In de praktijk blijkt dat de diagnose bij jongere mensen vaak in een later stadium wordt gesteld dan bij ouderen. Concentratiestoornissen, vergeetachtigheid of subtiele gedragsveranderingen worden op jonge leeftijd vaak geweten aan drukte op het werk, stress, depressie of relatieproblematiek. Naar verloop van tijd leiden de symptomen tot steeds meer problemen en frustraties. De juiste diagnose is dan van uiterst belang om te leren omgaan met de veranderende situatie.
Wanneer spreken we van jongdementie?
Er is sprake van dementie op jonge leeftijd of jongdementie als die begint voor de leeftijd van 65 jaar. In de huidige maatschappij is dit namelijk een omslagpunt in de levensfasen. Personen op deze leeftijd hebben vaak nog een job en een actieve rol in de maatschappij. Het begin betreft niet het moment van de diagnosestelling, maar het optreden van de eerste verschijnselen. Wordt de diagnose maar gesteld op een leeftijd van 68 jaar, maar deden de eerste symptomen zich voor op 63-jarige leeftijd, spreekt men nog steeds over ‘jongdementie’.
Een goede informatiebron is Dementie Op Jonge Leeftijd van Annemie Janssens.
Herkennen van de eerste verschijnselen
- Geheugendefecten
Afspraken vergeten of meerdere keren hetzelfde vragen - Gedrag- en karakterveranderingen
Verlies van empathisch vermogen, verlies van sociaal inzicht, decorumverlies, ontremd gedrag, starheid in denken en handelen, verminderde zelfzorg, apathie en desinteresse - Andere cognitieve symptomen
- Versimpeling van het taalgebruik en woordvindproblemen, moeite met het gebruik van apparatuur en gereedschap, verandering in het handschrift of verdwalen in een bekende omgeving
In Vlaanderen kan je steeds terecht bij de negen regionale Expertisecentra Dementie en één overkoepelend centrum, het Expertisecentrum Dementie Vlaanderen. Surf naar www.dementie.be voor meer info.
Duidelijkheid over bewaring van dossiers en voorschriften nodig
Er heerst heel wat onduidelijkheid in het werkveld over het bewaren van dossiers voor collega’s en zorgverstrekkers die met pensioen gaan of die door omstandigheden stoppen met hun professionele activiteiten. Ook het centraal bewaren van voorschriften voor alle zorgverstrekkers roept de nodige vraagtekens op. In een brief aan het Beheerscomité van eHealth vraagt dokter Marc Moens, voorzitter van Recip-e vzw, om duidelijkheid.
De verwarring die vandaag heerst komt er door een passage in de kwaliteitswet, die in voege trad op 1 januari 2022. Daarin staat dat voorschriften van alle zorgverstrekkers dertig tot vijftig jaar bewaard moeten worden. Ook de overdracht van patiëntendossiers door zorgverstrekkers die hun activiteiten stoppen, is nog niet helemaal duidelijk. Tijd om dit grondig uit te klaren dus. De kwaliteitswet voorziet wel een kader, maar niet de concrete invulling van de bewaring of de specifieke bewaartijd.
Overdracht patiëntendossiers
Artikel 35 van de kwaliteitswet zegt dat de zorgverlener de patiëntendossiers minimum dertig jaar en maximum vijftig jaar moet bewaren, na het laatste patiëntencontact. Dat is een lange duurtijd die vanuit een praktisch standpunt goed benaderd moet worden. Enerzijds is het belangrijk dat deze patiëntendossiers volledig overgedragen kunnen worden aan een collega-zorgverstrekker. Anderzijds moeten ze ook bewaard en ingekeken kunnen worden.
De oudere delen van deze patiëntendossiers bevatten vandaag vaak nog papieren documenten. Een eerste stap zou zijn om dit te digitaliseren. Al komt dan de vraag vanuit de praktijk waar dat op een centrale, onafhankelijke en vooral veilige plaats kan gebeuren. Ook de toestemming van de patiënt om het dossier over te dragen aan een collega die het dan verder opvolgt en/of bewaart mag niet over het hoofd gezien worden.
Centraal bewaren van voorschriften
Datzelfde artikel van de kwaliteitswet bepaalt ook hoelang voorschriften bewaard moeten worden. Geneesmiddelen moeten sinds 2020 verplicht elektronisch voorgeschreven worden. Ook andere voorschriften, zoals verwijsvoorschriften, worden meer en meer elektronisch aangemaakt. Iedere individuele zorgverlener moet deze voorschriften bewaren. Er wordt de nodige zorg, tijd en energie gestopt in het ontwikkelen van een eigen bewaarsysteem. Al dan niet digitaal.
In plaats van iedere zorgverlener een eigen methode te laten ontwikkelen, zou het handiger zijn een onafhankelijke speler aan te spreken die de informatie op een veilige manier centraal kan aanbieden. Daar kan iedere zorgverlener de informatie ook raadplegen en kunnen voorschriften ook blijvend toegankelijk gemaakt worden. Zeker met het oog op het langer bewaren van deze voorschriften biedt de digitalisering hier kansen. Ook wanneer nieuwere technieken hun intrede doen. Een onafhankelijke partner kan de documenten dan steeds overzetten naar meer recente technologie, want in dertig tot vijftig jaar kan die technologische evolutie heel wat vormen aannemen. Tot slot biedt zo’n centraal systeem het voordeel dat de zorgverlener op iedere plek en op ieder tijdstip toegang heeft tot de voorschriften.
Het eHealth Beheerscomité laat weten dat het de vraag naar verduidelijking aandachtig bekijkt en agendeert tijdens volgende bijeenkomsten.
Mama’s van niet-Belgische origine geven vaker borstvoeding
Vrouwen die bevallen zijn geven weer meer borstvoeding. Die evolutie is al een tijdje aan de gang. Het Federaal Borstvoedingscomité, waar ook het NVKVV lid van is, beschikt over nieuwe cijfers die dit aantonen. Deze zijn afkomstig uit de presentatie van Opgroeien/Kind en Gezin, gebaseerd op de geboortes in de periode 2019-2020. Hieruit blijkt dat de cijfers van borstvoeding verschillen naar zwangerschapsduur, origine en kansarmoede.
Uit cijfers blijkt dat het aantal kinderen dat borstvoeding krijgt op dag 6 is toegenomen. Enerzijds neemt het aantal boorlingen met moeders van niet-Belgische origine toe, anderzijds is er ook een toename van borstvoeding bij moeders van Belgische origine. Zo’n 89,9 procent van alle kinderen met allochtone mama’s krijgen borstvoeding. Er is nauwelijks een verschil te constateren of ze al dan niet in kansarmoede leven, terwijl dat bij autochtone moeders wel duidelijk verschilt: 72,5 procent bij moeders die niet in kansarmoede leven ten opzichte van 47,7 procent bij moeders die in kansarmoede leven.
Uit de cijfers van Opgroeien/Kind en Gezin blijkt ook dat het aantal prematuren met uitsluitend borstvoeding op dag 6 aanzienlijk lager ligt dan bij niet-prematuren. Het aantal prematuren dat uitsluitend borstvoeding krijgt ligt veel lager dan bij niet-prematuren.
Zoeken naar oorzaken en oplossingen
De Waalse partij CDH diende in 2021 een wetsvoorstel in om mensen die borstvoeding in de openbare ruimte verhinderen of verbieden een boete zouden ontvangen van 26 tot 500 euro. De laatste jaren wordt dan ook vaak vastgesteld dat moeders die hun baby in het openbaar proberen te voeden beledigd, vernederd of agressief benaderd werden. Nochtans wordt in de materniteiten in ons land ingezet op het geven van borstvoeding. Zo zijn er dertig materniteiten in ons land met het BFHI-label, het Baby Friendly Hospital Initiative dat in 1991 door de Wereldgezondheidsorganisatie en Unicef in het leven geroepen werd. Deze materniteiten zijn referentieplekken voor een goede start en ondersteuning van borstvoeding.
Naar de concrete oorzaak van die grote verschillen is het zoeken. Al zijn er wel enkele indicatoren. Mama’s in kansarmoede staan voor zeer uitdagende omstandigheden. Een factor die kan meespelen is dat we bij deze moeders van Belgische origine vaker een middelenverslaving vaststellen, meer dan bij allochtone moeders. Maar er moet ook de vraag gesteld worden of we in België misschien in een borstvoedingsonvriendelijk land leven? Een positieve mindset creëren rond borstvoeding start al zeer vroeg, in de kleuterschool. Daarnaast moeten we ook aan de slag met andere vraagstukken. Bereiken we onze kansarme moeders wel voldoende? Kunnen we sensibiliseringsacties opzetten, eventueel in samenwerking met Kind en Gezin? Hoe kan het Federaal Borstvoedingscomité hier een rol in spelen? Werk op de plank, dus.
De impact van borstvoeding op het klimaat
Unicef biedt enkele studies aan die de impact van borstvoeding en babyvoeding op het klimaat bestuderen[1]. Zo zou een hoger borstvoedingspercentage in een land in direct verband staan met een betere gezondheid van baby’s en volwassenen, bijdragen tot het terugdringen van broeikasgassen en de milieu-impact van voedselalternatieven verminderen. De alternatieven voor moedermelk verbruiken namelijk veel water en hebben daardoor een grotere ecologische voetafdruk. Borstvoeding zou op die manier dus niet enkel goed zijn voor mama en kind, ook voor het klimaat.
Je raadpleegt de studies via de website van Unicef.
[1] Binns. C. et al. 2021. Climate Change, Food Supply and Dietary Guidelines. Vol. 42:233-255. https:doi.org/101146/annurev-publhealth-012420-105044
Zorg met Zorg: voor meer flexibiliteit
Flexibiliteit is een belangrijke vaardigheid in onze huidige maatschappij en werklandschap. Helaas is het niet altijd zo eenvoudig om pieken op te vangen, vervanging te zoeken, van dienst te wisselen, … zonder daarbij de persoonlijke situaties en ambities niet uit het oog te verliezen. Flexibel zijn voelt dan al gauw aan als niet flexibel genoeg. Net daar wil Zorg met Zorg, een nieuw coöperatief businessmodel, verandering in brengen.
Een van de bezielers van het project Zorg met Zorg is Jan Vande Moortel, juridisch adviseur van het NVKVV en 35 jaar lang advocaat in familie- en gezondheidsrecht. Daarnaast doceert hij ook nationale en internationale beleidsontwikkelingen in de gezondheidszorg aan verpleegkundigen en vroedkundigen. En die functie levert hem veel input op van studenten: mensen die dagelijks in het werkveld staan en heel goed weten waar de problemen zich situeren. “Uit die gesprekken blijkt vaak hoe moeilijk het is om de werk- en thuissituatie op elkaar af te stemmen”, zegt Jan. “Denk maar aan gescheiden gezinnen met co-ouderschap. De week dat je je kinderen niet ziet, voel je je niet top. Als je dan wat meer kan werken, biedt dat de nodige afleiding. Kan je het in de week dat de kinderen bij jou zijn het op werkvlak wat rustiger aan doen, dan geeft dat voldoening en ademruimte. Alleen laat ons huidige systeem het niet toe dit praktisch te organiseren.”
Weg van de 38-urenweek
Tijd dus voor iets nieuws, voor een systeem dat beter aangepast is aan hoe de maatschappij er vandaag uitziet en functioneert. Zorg met Zorg is dan ook niet zomaar een concept, wel een beweging waar een coöperatieve vennootschap aan verbonden is. “Dat wil zoveel zeggen als dat we geen winst willen maken, wel een nieuwe sociale insteek bieden om aan de vragen van onze coöperanten te beantwoorden. Dat gaat dan over meer flexibele samenwerkingsverbanden tussen zorginstellingen zoals ziekenhuizen en woonzorgcentra, maar ook over zorgverleners vrijgesteld van btw zoals verpleegkundigen”, licht Jan toe. “Halen we toch ergens winst uit, dan wordt dat geïnvesteerd in nieuwe initatieven.”
Voor verpleegkundigen wil Zorg met Zorg vooral een volledige sociale bescherming bieden, zoals met de BA uitbating, maar ook door het overhoop gooien van de 38-urenweek. “Daarnaast willen we ook de arbeidsomstandigheden optimaliseren en blijven overleggen met vakbonden”, zegt Jan. “We werken met een applicatie die vraag en aanbod automatisch aan elkaar linkt. Die app kan je op alle toestellen installeren. Verpleegkundigen loggen in, geven hun beschikbaarheden aan, welke dienst ze kunnen doen, in welke regio en in welke instelling. Op voorhand ondertekenden ze al een intern reglement en gaven ze hun kwalificaties op.”
Ook zorginstellingen loggen in op de app en geven aan dat ze iemand nodig hebben. Die opdracht vertrekt op zijn beurt in rondes dan naar de beschikbare verpleegkundigen. Als je iemand nodig hebt van 10 tot 18 uur, maar niemand beschikbaar is voor de volledige periode, dan kan je dit opsplitsen in twee personen die elk een deel van tijd voor hun rekening nemen. “Ook de administratie verloopt automatisch”, zegt Jan nog. “Aanvaardt een verpleegkundige een opdracht, dan wordt een contract aangemaakt. De instelling moet enkel een feedback geven, met een cijfer van een tot vier. Verpleegkundigen mogen ook voorstellen doen om de samenwerking te verbeteren. Deze twee gecombineerd leveren een hogere kwaliteit op.”
Op die manier wil Zorg met Zorg meerwaarde bieden aan zorginstellingen. Ze zullen gespecialiseerde verpleegkundigen makkelijker in zusterziekenhuizen kunnen inzetten, bijvoorbeeld. Maar ook tekorten kunnen snel en efficiënt ingevuld worden. Ook voor thuisverplegingsorganisaties biedt het concept heel wat mogelijkheden.
De oorzaak en impact van long covid is nog lang niet duidelijk
Het staat vast dat een post-COVID-19-aandoening, ook wel ‘long covid’ genoemd, effectief bestaat. Al blijven nog veel vragen onbeantwoord en is meer onderzoek nodig. Zo is het onduidelijk wie kans maakt om long covid te ontwikkelen en hoe lang het duurt eer de getroffen persoon er volledig van herstelt.
Nu de coronapandemie de wereld al meer dan twee jaar in zijn greep heeft, is duidelijk dat sommige personen gevoelig zijn om long covid te ontwikkelen na een coronavirusinfectie. Dit is lang niet alleen voor mensen die een ernstige covidbesmetting hadden en op intensieve zorg opgenomen werden”, zegt Kathleen Bell, professor en voorzitter van de dienst Fysische Geneeskunde en Revalidatie aan de University of Texas Southwestern Medical Center in Dallas. “Integendeel, we zien long covid optreden bij goed opgeleide mensen, die niet gehospitaliseerd werden en enkel een milde tot matige infectie doormaakten.” Het diagnosticeren en behandelen is niet eenvoudig, want sommige symptomen overlappen met die van andere aandoeningen of komen overeen met herstel ten gevolge van een langdurige opname op intensieve zorg.
Typische long covid symptomen
Momenteel bestaat nog geen eenduidige standaarddefinitie van wat long covid is. Hoofdpijn, gewrichts- en spierpijn, vermoeidheid, aanhoudende geur- en smaakverlies en zogenaamde hersenmist, namelijk moeite hebben om snel te denken, worden als meest voorkomende symptomen genoemd. Voor sommigen blijft ademhalen moeilijk, ook al zijn hun zuurstofniveaus normaal.
Toch blijft het moeilijk deze symptomen te onderscheiden van andere aandoeningen. “Vermoeidheid staat met stip op één, maar zijn we allemaal niet moe na twee jaar pandemie?”, zegt Nahid Bhadelia, MD, oprichter en directeur van het Boston University Center for Emerging Infectious Diseases Policy and Research en associate professor Geneeskunde is aan de Boston University. “Er zijn ook mentale klachten, zoals depressie, angst en slapeloosheid”, vult Kathleen Bell aan. Net omdat er geen duidelijke definitie bestaat, is het diagnosticeren ervan niet eenvoudig. Bovendien kan long covid samen voorkomen met een andere ziekte.
Oorzaak van long COVID
Wat long covid veroorzaakt, is niet met zekerheid te zeggen. Er is een vermoeden dat een auto-immuunreactie aan de basis ligt. Verder worden type-2 diabetes, tekenen van het Epstein-Barr-virus in het bloed en abnormale bloedspiegels van SARS-CoV-2 RNA gelinkt aan een grotere kans op een post-COVID-19-aandoening. Tal van vragen doemen op: blijft het coronavirus in sluimerstand in het lichaam – in reservoirs – en flakkert het later weer op? Bieden vaccins en behandelingen bescherming tegen long covid? Een ander interessant gegeven is dat long covid opduikt bij zorgvragers waar dit niet verwacht werd. Zoals personen met een milde infectie. Het komt ook voor in alle leeftijdsgroepen.
“Het goede nieuws is dat de meeste mensen met de juiste ondersteuning en een goede verlichting van hun symptomen na verloop van tijd zullen herstellen van long covid”, zegt Bell nog. “Al kan dat herstel lang duren. Als je op intensieve zorg behandeld werd, dan herstel je niet alleen van het virus zelf, maar ook van de intubatie, secundaire infecties, secundaire longaandoeningen, misschien ander orgaanfalen en langdurige bedrust.” In ieder geval biedt long covid veel opportuniteiten voor gedetailleerder onderzoek. Door het groot aantal besmettingen is een massa aan data beschikbaar, wat een basis kan zijn voor een model dat in de toekomst op infectieziekten in het algemeen kan toegepast worden.
Jouw concrete vragen over de kwaliteitswet, beantwoord door professor Tom Goffin
Kwaliteitsvolle zorg heeft als drie belangrijke pijlers dienstverlening, controles en praktijkvoering. Rond dat laatste thema werd de voorbije jaren hard gewerkt aan een nieuwe wet. De wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering – ook wel de kwaliteitswet genoemd – ging op 1 januari 2022 al deels in voege. Op 1 juli 2022 volgt het tweede deel, met onder meer de toezichtscommissie.
Tijdens een informatief webinar georganiseerd door het NVKVV gaf Tom Goffin, professor gezondheidsrecht aan de Universiteit Gent, antwoord op enkele praktische vragen die verband houden met de kwaliteitswet en de dagelijkse werking van verpleegkundigen in de verschillende zorgdomeinen.
Je moet als zorgverlener voortaan je vakbekwaamheid aantonen aan de hand van een portfolio. Volstaat je werkervaring binnen een bepaalde zorgcontext dan?
“Als verpleegkundige zal het niet voldoende zijn om enkel met je ervaring je bekwaamheid aan te tonen. Je zal opleidingen moeten volgen en daarvan een digitaal dossier bijhouden. Dat noemen we het portfolio en zal hoe langer hoe meer een prominente rol spelen. De zorgvragers zullen dit portfolio niet kunnen raadplegen, je collega’s misschien wel. Dit in het kader van de zorgcontinuïteit, een belangrijke pijler binnen de kwaliteitswet. Al zal het hier nog zoeken zijn naar een modus operandi. Zo geeft de wet niet aan wat voldoende is voor een portfolio en hoe dat er precies moet uitzien. De verantwoordelijkheid ligt hier bij de zorgprofessional. Let wel op, want dit kan opgevraagd worden door de inspectie.”
De kwaliteitswet lijkt meer specialisaties te vragen. Hoe match je dit aan het groeiende tekort van verpleegkundigen en aan de toenemende vraag naar generalisten en multi-inzetbaar personeel?
“Dit valt zeker met elkaar te rijmen. Het portfolio zal enerzijds bijdragen aan de beroepsfierheid van verpleegkundigen. Anderzijds is het net een manier om de multi-inzetbaarheid te vergroten omdat je als zorgverlener kan aantonen van welke markten je thuis bent.”
Tot welke leeftijd en tot hoeveel dienstjaren moet je zo’n portfolio aanmaken en bijhouden?
“Dat zal nodig zijn zolang je in de zorg wil werken. Er is dus geen einddatum voorzien.”
Zal het aantonen van die vakbekwaamheid vertaald worden naar extra loon?
“Het gaat hier om een wettelijke verplichting die niet vertaald zal worden naar extra loon.”
Hoe krijgt het portfolio vorm voor een verpleegkundige in een woonzorgcentrum met een basisopleiding in ziekenhuisverpleegkunde? Stel dat deze verpleegkundige na jaren in een woonzorgcentrum opnieuw in een ziekenhuis wil werken, zal haar visum dan enkel gelden op geriatrie of kan teruggegrepen worden naar de basisopleiding?
“Dit is een vraag die we in de praktijk nog zullen moeten oplossen op basis van de voorziene leertrajecten. Momenteel durf ik te stellen dat hier ook een bepaalde verantwoordelijkheid bij de werkgever rust.”
Als je licence to practice/visum inkrimpt omdat je te lang op een bepaalde afdeling werkt, mag je dan nog inspringen op andere afdelingen? Zal dit de algemene inzetbaarheid van verpleegkundigen niet in het gevaar brengen?
“Verpleegkundigen inzetten volgens portfolio en niet volgens specialisatie of titel is net een positief verhaal die zal toelaten om zorg op een meer dynamische manier te organiseren. Inspringen op andere afdelingen zal dus zeker nog kunnen, net door het invoeren en bijhouden van dat portfolio.”
Hoe zullen mobiele equipes, interims, … georganiseerd worden? Zal dit voortaan ook op basis van specialisatie moeten en zullen we dan ook moeten evolueren naar een equipe intensieve zorg/spoed, equipe chirurgie, …?
“Ook vandaag moeten deze mobiele equipes en interims hun bekwaamheid al aantonen. Het enige verschil is dat het volgens de kwaliteitswet in een portfolio zal moeten.”
Een verpleegkundige die uit de zorg stapt om een geheel ander beroep uit te oefenen en na twintig jaar opnieuw in de zorg aan de slag wil, zal die nog een visum krijgen, eventueel aan de hand van het portfolio?
“Als je twintig jaar niet meer in de zorg gewerkt hebt, zal je je visum kwijt zijn. In deze situatie zullen leertrajecten een belangrijke rol spelen, na vijf jaar maar ook na twintig jaar. Zo kan je geleidelijk aan je portfolio weer opbouwen en je vakbekwaamheid aantonen.”
Valt de taalvereiste, het kennen van een van onze landstalen, voor zorgverleners volledig weg?
“Ja en neen. De taalvereiste zal niet langer een wettelijke verplichting zijn, maar zal wel de facto opgelegd worden voor het verkrijgen van een visum/licence to practice. Als je voldoen aan de criteria voor kwalitatieve zorg, zal je een van onze landstalen machtig moeten zijn.”
Continuïteit van zorg is een belangrijk aspect van de kwaliteitswet. Toch sluiten ziekenhuizen momenteel afdelingen door het gebrek aan medewerkers. Is dit dan niet in strijd met de garantie tot het verlenen van zorg?
“De pandemie is een zeer uitzonderlijke situatie waardoor inderdaad bepaalde ziekenhuisafdelingen moesten sluiten. De kwaliteitswet draait rond goede praktijkvoering en zal in principe niet zoveel veranderen voor zorginstellingen. In een ideale wereld matchen de bepalingen uit de wet al voor 95 procent aan de realiteit.”
Je patiënt geeft je een voorschrift voor het verlenen van de nodige zorgen. Is dit een automatische toestemming van de patiënt voor toegang tot de patiëntengegevens of moeten er nog specifiek geïnformeerde toestemmingen ondertekend worden door iedere zorgverlener?
“Het verpleegkundig voorschrift staat niet gelijk aan geïnformeerde toestemming. De GDPR-regels gelden hier nog steeds. Je hebt dus altijd nog een afzonderlijke toestemming van je patiënt nodig. Het gaat hier dan enkel om de noodzakelijke gegevens om zorgcontinuïteit te garanderen.”
Als ik 65 jaar ben en stop met mijn thuisverplegingspraktijk, hoe kan ik dan nog vijftig jaar lang de dossiers van mijn patiënten bijhouden?
“Een patiëntendossier bevat voortaan minimale inhoud en heeft een bewaartermijn tot na het laatste patiëntencontact. Het gaat hier om minstens dertig jaar en maximaal vijftig jaar. Stop je met je praktijk, dan kan je ze ook steeds overdragen aan een collega of vervanger.”
Gelden de regels rond praktijkinformatie en reclame maken enkel voor individuen of ook voor diensten? Hoe wordt de grens tussen ronselen van patiënten en rekruteren van personeel bepaald?
“De kwaliteitswet geldt voor iedereen. Zowel voor kleine praktijken als voor grote zorginstellingen en organisaties. Zeker wanneer het om de praktijkinformatie gaat. Je werkgever moet er steeds op toezien dat je de bepalingen uit de kwaliteitswet kan naleven. Het gaat dan om waarheidsgetrouwe, objectieve en wetenschappelijke informatie verspreiden of het meedelen van een bijzondere beroepstitel van de zorgverlener. Praktijkinformatie mag nooit aanzetten tot overbodige onderzoeken en behandelingen of het ronselen van patiënten en personeel.”
Hoe ga je om met darmfalen bij ouderen?
Marleen Corremans1, 2, 3, Trudy Bekkering1,2
De vraag “hoe ga je om met darmfalen bij ouderen” roept meteen bijkomende vragen op voordat we een antwoord kunnen zoeken. Zo willen we meer weten over de specifieke populatie, het besproken fenomeen en de context van darmfalen.
De populatie: Over welke oudere spreken we hier? Iemand met een normale veroudering of iemand met chronische aandoeningen?
Het besproken fenomeen: Wat wordt bedoeld met darmfalen? Is dit een vraag over interventies bij constipatie of diarree? Of gaat het hier eerder om verterings- of resorptiestoornissen? Wat wordt bedoeld met omgaan? Zoeken we medicatie of eerder niet farmacologische interventies?
Context: Thuissituatie? Woonzorgcentrum? Ziekenhuis? Palliatieve setting? Wie stelde deze vraag, waren dat verpleegkundigen? Patiënten zelf?
Methode
We gebruiken niet het welgekende Populatie-Interventie-Controle-Outcome (PICO) format voor deze vraag. Darmfalen is namelijk geen interventie die we zelf veroorzaken. We zien het darmfalen als een fenomeen dat we willen bekijken.
We gebruiken een alternatieve PICO. Die gaat als volgt: Population, phenomenon of Interest en COntext. Als we die goed aflijnen, vinden we de termen om de literatuur te bekijken.
Stel dat we op zoek gaan naar (niet-farmacologische) interventies om constipatie tegen te gaan in de thuiszorg. Dit leidt ons tot de volgende zoektermen
- Populatie: elderly
- Phenomenon of Interest: constipation
- Context: community
Resultaten
Bij ‘advanced search’ van de JBI database voeren we elderly AND constipation AND community in bij de keywords. Dat geeft 41 resultaten. We zouden nu al de titels kunnen doornemen of nog verder verfijnen.
We voegen het keyword ‘management’ toe en komen op 21 resultaten. De filter ‘aged care’ geeft nog 16 resultaten. We screenen de titels. Een zeer recente evidence summary, geschreven door Koh4, biedt meteen een mooi antwoord op onze vraag.
Klikken we vervolgens rechts, dan kunnen we het document in pdf openen en de aanbevelingen bekijken. We zien ook vermeld op welke literatuur deze aanbevelingen zijn gebaseerd. We zien acht aanbevelingen van Grade B. De aanbevelingen betreffen onder meer beweging, voeding en het gebruik van screeningsinstrumenten.
1 Bicep, an JBI affiliated center
2 Cebam, Leuven
3 Karel de Grote Hogeschool, Antwerpen
4Koh, Grace. CONSTIPATION (OLDER PEOPLE): NON-PHARMACOLOGICAL INTERVENTIONS. (2021). Retrieved from http://ovidsp.ovid.com/ovidweb.cgi?T=JS&PAGE=reference&D=jbi&NEWS=N&AN=JBI16779. Geraadpleegd op 28/01/2022
Ethisch zorgondernemen: meer dan een vanzelfsprekendheid
Er beweegt heel wat in de thuisverpleging. Deze veranderingen roepen een nood aan afspraken op die de behoeften van patiënten binnen een kwaliteitsvolle zorg centraal stellen. Daarom scharen de loontrekkende en zelfstandige organisaties en kartels binnen de thuisverpleging zich achter een ethisch Charter Thuisverpleging. Het doel? Een positief signaal de zorgwereld insturen.
Het Charter is een breed gedragen verhaal van samenwerking en ethisch zorgondernemerschap. “De inhoud is voor de ondertekenaars een vanzelfsprekendheid”, zegt Jan Vande Moortel, al jarenlang juridisch adviseur bij het NVKVV. Hij trad op als neutrale en verbindende figuur tijdens de besprekingen van het Charter. “Zorgkundigen en verpleegkundigen zorgen voor patiënten vanuit hun hart, niet vanuit winstbejag met het ronselen van patiënten en afwerven van collega’s uit andere praktijken of diensten. Het Charter geeft duidelijkheid over hoe thuisverpleegkundigen onder elkaar samenwerken en zich houden aan afspraken die uiteindelijk vooral correct en transparant zijn voor de patiënten, mantelzorgers, hun doorverwijzers en de betrokken thuisverpleegkundigen – om finaal een toegankelijke, correct betaalde en kwalitatief degelijke thuisverpleegkundige zorg te kunnen garanderen aan de patiënten die deze zorg ontvangen. Het is een engagement om op een ethische en transparante manier aan zorgondernemerschap te doen.”
Dit is thuisverpleging
Meer nog is het Charter Thuisverpleging een signaal aan het beleid, aan andere zorgpartners en aan patiënten en hun omgeving: dit is thuisverpleging. “En thuisverpleging is zorgen voor mensen, niet aan commerce doen. Natuurlijk moet je je boterham verdienen, maar dat kan op een ethische manier”, licht Jan toe. “Je handelt met respect, voor de patiënt en voor andere verpleegkundigen. Hen onder druk zetten en mensen ronselen horen daar niet bij. Je moet de vrijheid van iedere verpleegkundige in acht nemen. Ook zijn of haar vrijheid om eventueel elders te gaan werken. Faciliteer je als nieuwe werkgever de financiële of juridische gevolgen van een plots vertrek bij de collega, dan kadert dit binnen onethisch handelen.”
De prestaties van een thuisverpleegkundige worden grotendeels vanuit de ziekteverzekering vergoed. Soms worden ze ingeschakeld om tijdelijke ondersteuning te bieden aan huisartsen, laboratoria, woonzorgcentra, … “Bij deze opdrachten worden vaak abnormaal lage vergoedingen gehanteerd om daarna patiënten exclusief doorverwezen te krijgen. Een verpleegkundige of zorgkundige in de thuisverpleging moet altijd correct vergoed worden”, legt Jan uit. “Daarom spreken de leden van het Charter voor zulke prestaties een vergoeding van 47,25 euro per uur of 10,50 euro per prestatie af. Dit wordt door het Riziv beschouwd als kostendekkend. ”
Zorgkwaliteit en samenwerking
Kwaliteit van zorg staat voorop in het Charter Thuisverpleging. Een goede, transparante samenwerking tussen verschillende zorgactoren is dan ook noodzakelijk. Wordt een patiënt bijvoorbeeld doorverwezen door een arts, dan moet de kwaliteit van de zorgverlening primeren en niet de voordelen die aan deze doorverwijzer worden toegekend bij een al dan niet exclusieve doorverwijzing. “Betalen voor de doorverwijzing is in strijd met het verbod op dichotomie in de zorg, ongeacht of deze zorgverlener voordelen in cash en/of natura ontvangt”, zegt Jan. “Hier telt een nultolerantie onder de leden van het Charter.”
Het Charter spreekt dan ook eerder over richtlijnen dan over verplichtingen. Wat kan en wat kan niet? De zorgvrager en zorgverlener staan steeds centraal. “Omdat een grote groep die richtlijnen onderschrijft en al jarenlang deze als vanzelfsprekend toepast, is het ook duidelijk hoe ethisch zorgondernemen er uit ziet”, zegt Jan nog. “Bij misbruiken is het aan de overheid of het Riziv om te sanctioneren. Is er tussen de leden van het Charter een onenigheid over wat ethisch kan of niet kan dan wordt een onderling overleg georganiseerd om tot een oplossing te komen. Via www.charterthuisverpleging.be kunnen eventuele inbreuken van de partners aangekaart worden, maar kunnen ook andere organisaties aansluiten bij het Charter.”
Het Charter Thuisverpleging is een initiatief van het Wit-Gele Kruis, i-mens, Mederi, ZorgConnect en VBZV (Vlaamse Beroepsvereniging voor Zelfstandig Verpleegkundigen). Je leest het volledige charter op yeswecare.be.
Vlaams Zorgambassadeur Lon Holtzer gaat met pensioen: “Zorg vindt plaats van mens tot mens”
Handen, hoofd en hart. Het zijn haast iconische woorden geworden voor alle zorgprofessionals. Ze zijn toe te eigenen aan Eleonora – Lon – Holtzer. De Vlaamse Zorgambassadeur gaat vanaf 1 april 2022 met pensioen. Haar hele carrière lang zette ze zich aan tweehonderd procent in voor de zorg. De laatste elf jaar als geëngageerd ambassadeur voor alle zorgberoepen. Een terugblik, vol anekdotes, warme herinneringen en met hier en daar een kritische noot, zoals we intussen van haar gewend zijn.
Lon Holtzer heeft het altijd geweten: ze moest en zou verpleegkundige worden. Tijdens haar universitaire opleiding bleek een grote inzet. Tijdens vakanties en weekends werkte ze als vrijwilliger op de dienst hematologie. Ze deed er ervaringen op voor haar verpleegkundige competenties, maar die uren dienden ook als toetssteen voor haar studies. “Zo herinner ik me een situatie waarin een vrouw stierf. Ik zocht nog een arts die haar reanimeerde, ook al had dat geen zin meer. Toen ik vroeg waarom hij dat deed, antwoordde hij: ‘Zo kan mijn supervisor zeggen dat ik het geprobeerd heb.’ Ik besefte toen dat artsen ook maar mensen zijn. Zulke situaties vormden mijn visie op zorg. Het is iets wat van mens tot mens plaatsvindt.”
Op 1 juli 1982 startte Lon in het UZ Leuven met werken op de dienst cardiovasculaire geneeskunde. Na 1,5 jaar werd ze al hoofdverpleegkundige op oncologie. “Mijn eerste dag op de dienst was verschrikkelijk. Er waren vier overlijdens. Maar op oncologie deed ik wel de meest beklijvende ervaring op.” Onder invloed van die ervaring zette ze later in haar carrière onder meer projecten op zoals het Inloophuis in samenwerking met Kom op tegen Kanker. Ze mogen me alles afnemen, maar niet de jaren die ik oncologie meemaakte. Ik heb er op jonge leeftijd – 27 jaar – leren leven en leren relativeren. Het bood veel pure momenten, als verpleegkundige en als mens.” Na drie jaar op deze dienst groeide Lon door naar het middenkader geriatrie, algemeen inwendige en psychiatrie. Ook daar bleef ze een drietal jaar. “Geestelijke gezondheidszorg vond ik ook zeer boeiend. Vanuit somatische zorg konden we er veel leren over het juiste niveau van geïntegreerde zorg. Geriatrie vond ik een heel moeilijke discipline, maar wel ongelooflijk boeiend. Geriatrie is de meest onderschatte discipline qua complexiteit. Je maakt kennis met zeer veel verscheiden pathologie en komt ook in aanraking met de sociale context, de familie en het netwerk van de patiënt en palliatieve zorg. Die multidisciplinariteit op de afdeling is zeer belangrijk. Mijn eerste opdracht was er de kwaliteit van de zorg op de zeven afdelingen te verbeteren . In die tijd – eind de jaren ’80 – moest ik voor alle niet-gekwalificeerde mensen een andere job binnen het ziekenhuis vinden.”
Routine loslaten
Het was tijdens haar periode op geriatrie dat Lon een eerste basis probeerde leggen voor de verpleegkundig specialist. Het zijn voor haar universitair opgeleide verpleegkundigen die meewerken in de zorg en evalueren wat klinisch beter kan om good practices en protocollen te ontwikkelen. “De functie heeft een warme, diepe plaats in mijn hart. Het zijn vooruitstrevende, proactieve verpleegkundigen die samen met artsen de verpleegkundige praktijk verder ontwikkelen”, zegt Lon. “Maar ze staan ook in het veld en dat vind ik zeer belangrijk. Je moet voeling houden met wat er gebeurt en zo andere verpleegkundigen meenemen in je verhaal. Zo kan ook transmurale zorg tot uiting komen. Heel mijn carrière heb ik contact met het werkveld proberen behouden. Ook toen ik directeur verpleegkunde werd op de campus Pellenberg of Zorgambassadeur, ging ik nog altijd meehelpen in de zorg, weliswaar eerder vanuit de functie zorgkundige omdat ik zelf vond dat ik niet meer over alle nodige competenties beschikte om als verpleegkundige de verantwoordelijkheid op te nemen voor patiënten of bewoners.”
De multidisciplinaire aanpak kreeg Lon ook mee als verpleegkundig directeur in revalidatiecentrum Pellenberg. Verpleegkundigen moesten er toen vechten voor hun plaats en hun meerwaarde aantonen. “Onze deskundigheid kwam toen onvoldoende naar boven en onze specifieke meerwaarde voor patiënten was niet duidelijk. We boden zorgcontinuïteit maar wogen onvoldoende op het multidisciplinaire team.. En als je dat niet kan, dan ben je de titel van verpleegkundige niet waardig. Een verpleegkundige is altijd aanwezig en altijd sturend”, zegt Lon. “Daarom vind ik de uitspraak ‘meer handen aan het bed’ het meest ontmenselijkende dat er is. Een patiënt is geen bed. Hij of zij heeft een eigen verhaal, een ziel en emoties. Een zorgverlener heeft hopelijk ook een hoofd om na te denken en een ziel om met een goed ethisch kompas in de zorgrelatie te stappen. Je reduceert er zorg mee tot iets mechanisch, terwijl zorg verlenen iets professioneels en menselijks is.”
Volgens Lon hervallen we als zorgprofessionals nog te veel in routinematige zorg. Het menselijke aspect gaat verloren. “We kijken te weinig naar wat zinvol is voor de zorgvrager en wat hij kan met zijn huidige beperkingen. Als zorgverlener moet je aan de zorgvrager betekenis en zin geven. Dat doe je enkel door routines los te laten en tijd te maken voor zingeving. Maar ik besef dat dat een dijk van een opdracht is. Je gaat met mensen in gesprek en moet verder doordenken en een betekenisvolle relatie op te bouwen. Als je routine loslaat, heb je daar tijd voor. Als je twee dagen op rij hetzelfde doet, ben je eigenlijk niet goed bezig. Let op, je techniek moet perfect en klinisch juist zijn, maar er zit veel meer achter. Die deskundigheid wordt vandaag net zo ondergewaardeerd.”
Opvolgster staat klaar
Op 1 maart startte Candice De Windt als opvolgster van Lon Holtzer. Ze werd aangesteld door Vlaams minister van Welzijn en Volksgezondheid Wouter Beke. De minister laat vooral noteren blij te zijn een waardige opvolger gevonden te hebben. “Lon verzette bergen werk, maar is een krappe arbeidsmarkt, ook in de zorg. Een sterk aanspreekpunt op het terrein is nodig en daar speelt de Zorgambassadeur absoluut een rol in”, klinkt het. Candice De Windt wacht alvast de grote uitdaging om ondanks de 6.000 openstaande vacatures, waarvan meer dan 40 procent voor verpleegkundigen, kwaliteitsvolle zorg te garanderen. Ze ziet het alvast volledig zitten: “Het juiste talent aanspreken om de zorg van morgen op een kwaliteitsvolle manier te realiseren en organiseren, dat is de uitdaging die voor ons allen ligt. Dit heeft te maken met instroom en zijinstroom, maar ook met durven loskomen van en kritisch kijken naar bestaande organisatiemodellen. Daar heeft iedereen in zorg- en welzijnssector een rol in te spelen.”
Geslaagde campagnes
Begin 2000 werd Lon dan verpleegkundig directeur binnen het UZ Leuven. Dat was, zonder dat ze het toen wist, een eerste stap richting haar job als Zorgambassadeur. In 2007 stelde Lon vast dat binnen UZ Leuven bij gelijkblijvende in- en uitstroom, er in 2017 drie eenheden zouden moeten sluiten. “De enige optie was dus de instroom te verbeteren. In andere provincies liepen al verschillende initiatieven om campagnes op te zetten en dus kwamen we op het idee om mensen uit alle provincies en Brussel uit het onderwijs en ziekenhuizen samen te brengen met als doel te brainstormen over een verbetering van die instroom. Dat groepje van twaalf begon te leven en uit te breiden en het doel raakte wat verloren. In 2008 was Marc Van Ranst griepcommissaris en toen kwamen we op het idee dat een commissaris verpleegkunde nodig was. Er waren twee vergaderingen om het profiel en de functieomschrijving te bepalen. Dat werd opgestuurd naar minister Vandeurzen, die dat idee oppikte.”
2010 was de start van het zorgambassadeurschap. De taak van Lon was enerzijds de instroom verbeteren en anderzijds te werken aan de kwaliteit van de opleidingen. Zo combineerde ze haar taak als Zorgambassadeur lange tijd halftijds met werk binnen de Associatie KU Leuven, waar onder meer de basis werd gelegd voor de vierjarige opleiding verpleegkunde. “Tot in 2019 de vraag van de minister kwam om toch voltijds Zorgambassadeur te zijn, want de toekomst zag er niet goed uit”, vertelt Lon. “Daar volgden succesvolle campagnes uit. Ikgaervoor.be heeft meer dan 10.000 views per maand. We organiseerden inleefmomenten in 240 zorg- en welzijnsorganisaties. Voor corona deden gemiddeld 200 mensen per maand mee aan zo’n inleefmoment om kennis te maken met een zorg of welzijnsberoep. De zorgvrager in de ogen kijken en voelen wat dat met je doet: dat is de opdracht voor de kandidaat-inlever. Word je er blij van, dan zit je goed. Maar vind je het toch niet zo fijn, doe het dan niet. Een inlever die afhaakt heeft evenveel waarde als een inlever die na het inleefmoment bewust voor een zorgjob kiest. Er was ook de campagne met een mobiele escape room waarmee we naar honderd secundaire scholen trokken. Verpleegkundigen gaven dan buiten die espace room uitleg over de job. Een heerlijke campagne was dat”
Ondanks die successen en de duidelijk verbeterde instroomcijfers voor de zorgopleidingen, is Lon wel bezorgd over de toekomst. “Covid liet de instroom van 18-jarigen stijgen en dat is goed. Ook de beeldvorming in de media zit beter. Maar veel mensen beseffen niet hoeveel deskundigheid zorg en welzijn vragen. Door alles – zorg en verpleegkunde – op één hoop te gooien maken we alles heel gemiddeld. Die middelmatigheid is gevaarlijk. Kwetsbare mensen verdienen dat er met aandacht comfortzorg wordt verleend maar ook dat met een kritisch en ethisch kompas en deskundigheid verpleegkundige zorg verleend wordt. Een spuitje zetten is niet moeilijk, maar al lachend spuit je iemand dood. Je moet weten waar je mee bezig bent. Lief en vriendelijk zijn is niet genoeg. Je bent een advocaat voor je patiënt en positieve assertiviteit is nodig. Je mag niet klakkeloos uitvoeren wat een arts zegt, maar moet kritisch nadenken. Moest ik altijd hebben uitgevoerd wat artsen voorschreven, dan had ik nu een aantal doden op mijn geweten. Zeker weten.”
Ups en downs
In een rijkgevulde carrière zijn er altijd ups en downs. De vierjarige opleiding beschouwt Lon dan ook als een van de grootste successen die ze mee hielp realiseren. “Die was noodzakelijk en ik ben blij om te horen dat het vierde jaar een verschil maakt. Die 2.300 uren stage zijn belangrijk. Velen vroegen me om naar Europa te trekken met de vraag die uren af te bouwen. Dat weigerde ik. Stage is superbelangrijk. Je leert in contact met zorgvrager”, zegt Lon. “De Zorgladder had ik graag nog afgerond, met een specifiek en volwaardig HBO5-profiel dat in zijn eigenheid kon staan.” Ook voor het NVKVV heeft ze nog wijze raad. “Het NVKVV ziet verpleegkundigen als een professie, niet langer als een vakbond en dat is goed. Maar dat moet nog meer in de media naar voor komen. De beroepsorganisatie moet een echte woordvoerder zijn en de meerwaarde en professionaliteit van verpleegkundigen tonen. Ze moeten de publieke opinie bespelen en duidelijk maken wat verpleegkunde is.”
En haar toekomstplannen? “Ik ben een gelukkige vrouw, die veel kansen kreeg en zich steeds kon inzetten voor de kwaliteit van zorg voor de patiënt. Ik wil me nu inzetten voor mijn kleinkinderen en heb me ingeschreven voor een opleiding tot gebarentolk. Verder zetel ik in verschillende raden van bestuur. Dat blijf ik nog doen tot de voeling met het werkveld weg is. Dan is het mooi geweest.”
Slaap, oudere, slaap?
Eén op drie Belgen kampt met slaapproblemen. Bij ouderen zien we zelfs dat één op twee kampt met een vorm van slapeloosheid of insomnia. Slaapproblemen bestaan uit problemen met het inslapen, doorslapen of vroeg ontwaken. Slapeloosheid wordt vastgesteld als deze klachten langer dan drie nachten per week gedurende drie maanden lang aanhouden. Al zijn de effecten van slapeloosheid vaak snel voelbaar na enkele nachten zonder goede kwalitatieve slaap. Slecht slapen gaat gepaard met gestegen vermoeidheid en futloosheid overdag, de neiging om overdag bij te slapen, vergeetachtigheid, prikkelbaarheid en moeite om jezelf te concentreren of de focus erbij te houden. Daardoor gaan je algehele functioneren en prestaties achteruit.
Zijn die symptomen van slaaptekorten ook bij ouderen zichtbaar?
Bij ouderen zien we vooral leeftijdgerelateerde veranderingen in slaap zoals bijvoorbeeld meer tijd doorbrengen in bed (ook overdag), maar minder tijd doorbrengen in slaap. Daarnaast zien we dat ouderen vaker wakker liggen vooraleer ze inslapen. Ze worden vaker wakker ’s nachts en ze hebben ontwaken ’s morgens te vroeg. Dat maakt dat hun slaap eerder gefragmenteerd en oppervlakkig verloopt. Op termijn resulteren deze veranderingen in slaapproblemen die gekenmerkt worden door algehele vermoeidheid overdag, dutten, futloosheid, weinig energie om de dag door te komen, negatieve en zelfs depressieve gedachten, alsook meer kans op angst en stressgerelateerde problematiek en problemen met het geheugen en concentratie.
Wat kan je dan als verpleegkundige doen aan slaapproblemen bij ouderen?
Het is belangrijk om vermoeidheid en slaapproblemen op te merken en bespreekbaar te maken. Merk je dat je patiënten klagen over vermoeidheid overdag en merk je dat er veel geslapen wordt overdag? Of merk je dat je patiënten vaak wakker liggen ’s nachts waardoor ze zichzelf overdag niet fris en monter voelen om aan het dagelijkse activiteitenpatroon te kunnen deelnemen? Bevraag hun slaap dan.
Slaap in kaart brengen, hoe doe je dat?
Bij het in kaart brengen van slaap is zowel de slaapkwantiteit als de slaapkwaliteit van belang. Volgens de laatste internationale richtlijnen geldt dat ouderen (65+) idealiter 7 à 8 uur slapend doorbrengen tijdens de nacht. Hier zit dagslaap niet ingerekend. Bevraag ook hoelang het voor ouderen duurt om in slaap te vallen alsook hoe vaak ze ’s nachts wakker worden. Wat betreft de slaapkwaliteit kan je ouderen vragen hoe goed ze slapen, hoe lang ze wakker liggen, in welke mate ze zich hierin frustreren, maar ook hoe verfrissend hun algemene slaap is, de volgende morgen. Volgende vragen kunnen daarin als gespreksopener dienen: Ben je ’s morgens uitgerust om de dag door te komen? Voel je je fris en actief om aan de dag te beginnen? Vind je het vervelend als je ’s nachts wakker ligt? Waar denk je dan aan? Die antwoorden geven een indicatie van de slaapkwaliteit. Slaapkwaliteit kan je ook gaan bevragen aan de hand van gevalideerde meetschalen zoals PSQI (Pittsburgh Sleep Quality Index) of ISI (Insomnia Severity Index).
Ouderen nemen toch net slaapmedicatie om beter te slapen?
Vaak nemen ouderen chronisch medicatie om beter te kunnen slapen. Dat kan een vertekend beeld geven over hun slaap. Wat we geleerd hebben uit de literatuur is dat de slaapmedicatie op lange termijn vaak meer negatieve effecten met zich meebrengt. Slaapmedicatie kent heel wat bijwerkingen zoals concentratieverlies, evenwichtsstoornissen, vergeetachtigheid en zelfs gedaalde slaapkwaliteit. Daarnaast zorgen slaapmedicatie ook voor gewenning en zelfs afhankelijkheid. Als verpleegkundige kan je dus ook aandacht hebben voor de negatieve bijwerkingen van slaapmedicatie. Herneem de sectie bijwerkingen van de bijsluiters grondig en maak een risicoanalyse van de oudere die je voor je hebt. Als je weet dat slaapmedicatie ook evenwichtsstoornissen teweeg brengt, dan zorg je er best voor dat de oudere ’s avonds, ’s nachts en ‘s morgens op een veilige manier in en uit bed kan om valincidenten te voorkomen. Als je weet dat slaapmedicatie concentratieverlies en vergeetachtigheid met zich meebrengt, dan word je als verpleegkundige wellicht meegaander als ouderen geen zin meer hebben in bepaalde activiteiten, en kan je het activiteitenaanbod wellicht wat aanpassen op maat van deze oudere. En hoewel activering van ouderen een positief effect kan hebben op hun slaappatroon is regelmaat en ritme enorm belangrijk voor ons bioritme.
Wil je als verpleegkundige dus bijdragen aan een goed geolied bioritme van de ouderen die je verzorgt, probeer dan te streven naar ritme en regelmaat. Dat wil zeggen, ochtendzorgen en maaltijden keurig inplannen op quasi dezelfde tijdstippen. Langs de andere kant kan je er ook voor zorgen dat de avondzorgen en de activiteiten die bedtijd voorafgaan ook steeds op dezelfde tijdstippen doorgaan. Ben je verantwoordelijk voor het activiteitenpatroon overdag? Plan dan activiteiten in waarin beweging, daglicht en buitenlucht vooropstaan. Die helpen je bioritme ook te balanceren en te resetten.
Helpen dutjes overdag dan niet om verloren slaap in te halen?
Het is een utopische gedachte dat je met dutjes overdag, verloren nachtslaap zou kunnen inhalen. Verloren slaap haal je nooit meer in. Net als je de voorbije tijd ook niet meer kan terugdraaien, zal je slaap van voorbije nachten niet kunnen inhalen door te gaan bijslapen overdag. Wat je wel kan doen is de volgende dag en nacht te focussen op activiteiten en patronen die je slaap ten goede komen in de toekomstige nachten. Slapen overdag als lapmiddel om verloren slaap in te halen is dus niet aanbevolen. Een powernap of kort dutje overdag kunnen echter wel om de energiedip (die we allemaal wel eens ervaren) tegen te gaan. Beperk een powernap in de namiddag dus tot maximaal 30 minuten en steeds voor 15 uur. Als je dit beperkt in tijd zorg je ervoor dat je geen gehele slaapcyclus doorloopt, dat je niet tot in je diepe slaap terecht komt en dus ook geen slaap van de volgende nacht gaat afsnoepen waardoor je ’s avonds weer langer gaat wakker liggen.
Hoe kan een slaaptherapeut dan helpen bij slaapproblemen?
Het spreekt voor zich dat mensen met vage vermoeidheidssymptomen niet steeds naar de dokter lopen. Iedereen is wel al eens vermoeid zeker? Toch kan het lonen om slaapproblemen meteen en bij de wortel aan te pakken. Je hoeft er dus geen drie maanden mee rond te lopen vooraleer je hiervoor hulp hoeft te zoeken. Als er vermoedens zijn van slaapproblemen of als ouderen zich storen aan hun slaappatroon, dan loont het om ouderen door te sturen naar een slaaptherapeut. Een slaaptherapeut kan ouderen op niet-farmacologische wijze helpen bij hun bestaand slaapprobleem. Verder kan slaaptherapie ook preventief ingezet worden om slaapproblemen in de toekomst te gaan voorkomen. Tijdens slaaptherapie worden evidence based methoden uit cognitieve gedragstherapie gecombineerd met lichaamsgerichte ontspanningstechnieken om mensen beter toe te leiden naar ontspanning en slaap. Tevens helpt slaaptherapie voor mensen die slaapmedicatie wensen af te bouwen. Dit laatste gebeurt steeds onder medewerking van de voorschrijvend arts.
Wil je meer weten over slaap of de behandeling van slaapproblemen? Ga dan een kijkje nemen op www.slaappraktijk.be
Bronnen:
- Ohayon et al. (2017). National Sleep Foundation’s sleep quality recommendations: first report. Sleep Health; 3(1):6-19. doi: 10.1016/j.sleh.2016.11.006.
- Hirshkowitz et al. (2015). National Sleep Foundation’s updated sleep duration recommendations: final report. Sleep Health;1(4):233-243. doi: 10.1016/j.sleh.2015.10.004.
- Vanderlinden et al. (2020) Effects of physical activity programs on sleep outcomes in older adults: a systematic review. Int J Behav Nutr Phys Act; 5;17(1):11. doi: 10.1186/s12966-020-0913-3.
- Vanderlinden et al. (2021). The relation between physical activity and sleep in older adults. The associations with movement behaviours and effects of a real-life lifestyle program. PhDThesis, KULeuven (Leuven, Belgium)
- Vanderlinden (2020). Infographic Slaapkwaliteit en Slaapkwantiteit. https://slaappraktijk.be/