Soft skills zijn hard skills

Prof. dr. Dominique Benoit, diensthoofd intensieve zorg en sectorvoorzitter van de kritieke diensten in het UZ Gent, combineert zijn medisch-technische expertise met een sterke focus op ethische besluitvorming. Deze opmerkelijke combinatie komt ook tot uiting in zijn wetenschappelijke werk. In een recente publicatie (2024) presenteert hij de resultaten van een coachingtraject voor artsen om hen bij dat thema te ondersteunen.

 

DE UITDAGING

 

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest? 

“Als het over ethiek gaat,” vertelt Dominique, “focus ik op emotionele intelligentie. Persoonlijke ontwikkeling wordt vaak gezien als iets cognitiefs. Ook ethische keuzes worden meestal zo benaderd, terwijl ethische vraagstukken bijna altijd weerstand, spanningen en intuïtieve reacties met zich meebrengen. Hoe je daar op een emotioneel mature manier mee omgaat, krijgt nog te weinig aandacht.”

Dominique stoort zich aan de manier waarop technische vaardigheden vaak hoger worden ingeschat dan emotionele vaardigheden. “We zien medische expertise als hard skills en interpersoonlijke relaties als soft skills. Niets is minder waar. Soft skills zijn de hard skills. Het zijn vaardigheden die hoger op de agenda moeten staan en waarin we ons moeten trainen. Waarom? Omdat we allemaal zoekende zijn: naar wie we zijn, wat we belangrijk vinden en naar hoe dat zich verhoudt tot anderen. Dat gaat gepaard met angsten. Wat denken anderen van mij? Hoe moet ik mij profileren? Als je aan de slag gaat met die angsten en schaamte, kom je op een dieper niveau, waar je handelt vanuit je eigen waarden.”

“Emotionele ontwikkeling betekent dat je je durft afvragen waarom je doet wat je doet”, licht Dominique toe. “Door te peilen naar je eigen waarden, zoek je naar een diepere motivatie om goed te doen, in plaats van te handelen uit angst om iets verkeerd te doen. Zeker in de levenseindezorg is dat frappant. Vanuit die angst durven we bepaalde gesprekken niet aangaan of blijven we knopen ontwijken tot we honderd procent  zekerheid hebben. Dat is een van de redenen waarom we patiënten boven de tachtig jaar blijven reanimeren, ook al weten we dat dit bijzonder slechte resultaten oplevert. Zulke keuzes ontstaan vanuit angst, niet vanuit reflectie over patiëntgerichte zorg.”

 

DE TOOL: coaching

 

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“In ons ziekenhuis zetten we sterk in op bewustwording rond de eigen emoties die inherent zijn aan complexe medisch-ethische besluitvorming en die inzicht bieden in de waarden van die persoon”, vertelt Dominique. “We gingen ervan uit dat zelfreflectie, gecombineerd met open communicatie met collega’s, een positief effect zou hebben op ethisch bewustzijn. Hiervoor organiseerden we coachingsessies voor vijftig artsen, verspreid over tien afdelingen. Samen met professionele coaches lieten we hen stilstaan bij specifieke casussen en interacties met patiënten. Wat doet het met je als mens om moeilijke beslissingen te nemen? Waarom vermijd je ze soms? Wat, bijvoorbeeld, als je je machteloos voelt? Daagt dit gevoel je uit om je eigen verantwoordelijkheid te erkennen en af te wegen tegenover de verantwoordelijkheden van je team of organisatie?”

Gemiddeld doorliepen de artsen vijf sessies. “We maten de impact hiervan en zagen een verdubbeling in eindelevensbeslissing via een NDR-beleid. Met andere woorden: ineens werden dubbel zoveel gesprekken gevoerd waarbij de therapie werd stopgezet, wat een moedige besluitvorming vergt. Ook zagen we dat artsen zich nauwer verbonden voelden met het team. Ze werden nederiger en communiceerden gemakkelijker met collega’s. Zestig procent van de deelnemers zegt ook dat hun welzijn verbeterde. Tachtig procent vindt dat ze beter kunnen omgaan met conflicten en discussies. En dat alleen door stil te staan bij waarom je op een bepaalde manier reageert.”

 

Hoe ga je daarbij te werk?

Gebruik van professionele begeleiding is geen overbodige luxe, vindt Dominique, want je wil voldoende veiligheid waarborgen voor zoiets. “Tegelijk besef ik dat dit niet voor elk team haalbaar is. Een algemene tip: heb de moed om je collega’s open te vragen hoe zij jou zien, vanuit een oprecht verlangen om jezelf beter te leren kennen en te groeien. Hoe ervaren zij jouw rol als er een moeilijke situatie ontstaat? Waar kan je in verbeteren? Goede feedback is ontzettend leerrijk, maar ook altijd op zijn minst een beetje kwetsend. Als het niet kwetst, dringt het niet door en raakt het je waarden niet.”

 

WIE VOLGT?


Aan wie wil je de vraag naar ethische uitdagingen en bruikbare tools doorgeven?

“Geert Froyen heeft veel ervaring opgedaan rond het gebruik van tools bij ethische dilemma’s. Ik ben benieuwd naar zijn inzichten.”

 

De resultaten van de coaching studie vind je terug in: Benoit DD, De Pauw A, Jacobs C, et al. Coaching doctors to improve ethical decision-making in adult hospitalized patients potentially receiving excessive treatment. The CODE stepped-wedge cluster randomized controlled trial. Intensive Care Med 2024; 50: 1635-46


De ontwikkeling van de professionele rolidentiteit van startende verpleegkundigen in een algemeen ziekenhuis

De ontwikkeling van de professionele rolidentiteit van startende verpleegkundigen in een algemeen ziekenhuis

Het wereldwijde tekort aan verpleegkundigen groeit waardoor retentiestrategieën onmisbaar zijn (1). Belgisch onderzoek wijst uit dat één op de tien verpleegkundigen het beroep wil verlaten en dat er een uitstroom verwacht wordt door een golf van pensioenen (2). Startende verpleegkundigen blijken dan weer kwetsbaar om het beroep vroegtijdig te verlaten (3-5).

Literatuur toont aan dat een sterke professionele rolidentiteit (PRI) een indicator vormt voor retentiegerelateerde uitkomsten (6-10). De PRI van een verpleegkundige omvat persoonlijke waarden, houdingen en overtuigingen, gecombineerd met de kenmerken van het beroep (7). Dit onderzoek heeft als doel inzicht te verwerven in al dan niet beïnvloedende aspecten op de PRI van startende bachelorverpleegkundigen in een Vlaams algemeen ziekenhuis.

Methode

Dit kwalitatieve onderzoek maakte gebruik van face-to-face-interviews met acht bachelorverpleegkundigen die minder dan twee jaar werkervaring hebben, allen werken ze op gespecialiseerde ziekenhuisafdelingen in de regio Antwerpen. De dataverzameling vond plaats tussen november 2023 en april 2024. De verzamelde data werden geanalyseerd door middel van een inductieve thematische analyse.

Resultaten

De analyse identificeerde vijf thema’s: menselijke interactie en relaties, individuele mate van empowerment, professionele groei en samenwerking, maatschappelijke beeldvorming en tenslotte organisatorische structuur. De respondenten beleven aspecten zoals verbondenheid, vertrouwen in competentie, autonomie, waardering en erkenning binnen het zorgteam en een ondersteunende veilige werkomgeving waarin leren centraal staat, als essentieel voor de ontwikkeling van hun PRI. Waarden als respect, gelijkwaardigheid, collegialiteit en horizontaliteit in relaties staan voorop. Leidinggevenden spelen een rol in het faciliteren van dit klimaat. Door een vertrouwensband met een mentor worden verpleegkundigen zelfverzekerder in hun rol binnen het interprofessionele team. Onrealistische beroepspercepties worden als belemmerend ervaren. De verpleegkundigen uiten frustratie en boosheid over de omgeving die het beroep stereotypeert als de persoon die enkel uitvoert en doet wat de dokter zegt, terwijl ze het beleven als een volwaardig beroep waarvoor je heel wat competenties moet ontwikkelen en een volwaardige vierjarige opleiding moet volgen.

Conclusie

Dit onderzoek biedt waardevolle inzichten. In de literatuur wordt het belang van erkenning en waardering van hun expertise binnen een samenwerkend zorgteam benadrukt om een sterke PRI te ontwikkelen (11-17). Zelfvertrouwen groeit in een ondersteunend, psychologisch veilig werkklimaat (18, 19) dat autonomie, betrokkenheid en inspraak bevordert, wat professioneel leren en groeien ondersteunt (20, 21). PRI wordt verder ontwikkeld in interactie met collega’s, waarbij integratie en verbondenheid essentieel zijn (22, 23). Empowerend leiderschap (24-28) en het bijsturen van een onrealistische perceptie van het beroep versterken de PRI en het zelfbeeld (29, 30). Verder onderzoek naar het concept kan helpen bij het zoeken naar gerichte interventies ter bevordering van PRI en retentie van startende verpleegkundigen.

  1. WHO. Global Strategy on human Resources for Health 2020 [cited 2023 27/10]. Available from: https://www.who.int/health-topics/health-workforce#tab=tab_1.
  2. Geuens N, Van Bogaert P, Franck E. Vulnerability to burnout within the nursing workforce—The role of personality and interpersonal behaviour. Journal of clinical nursing. 2017;26(23-24):4622-33.
  3. Blomberg H, Welander J. A narrative study of newly graduated registered Swedish nurses’ establishment in the profession and the portrayal of a healthcare organisation. Journal of health organization and management. 2019;33(4):413-25.
  4. Powers K, Herron EK, Pagel J. Nurse preceptor role in new graduate nurses’ transition to practice. Dimensions of Critical Care Nursing. 2019;38(3):131-6.
  5. Gardiner I, Sheen J. Graduate nurse experiences of support: A review. Nurse education today. 2016;40:7-12.
  6. Kristoffersen M. Does professional identity play a critical role in the choice to remain in the nursing profession? Nursing open. 2021;8(4):1928-36.
  7. Philippa R, Ann H, Jacqueline M, Nicola A. Professional identity in nursing: A mixed method research study. Nurse education in practice. 2021;52:103039.
  8. ten Hoeve Y, Castelein S, Jansen G, Roodbol P. Dreams and disappointments regarding nursing: Student nurses’ reasons for attrition and retention. A qualitative study design. Nurse education today. 2017;54:28-36.
  9. Keyko K, Cummings GG, Yonge O, Wong CA. Work engagement in professional nursing practice: A systematic review. International journal of nursing studies. 2016;61:142-64.
  10. Ruijters MC. Queeste naar goed werk. Over krachtige professionals in een lerende organisatie Deventer: Vakmedianet. 2018.
  11. Reinders JJ, Krijnen W. Interprofessional identity and motivation towards interprofessional collaboration. Medical Education. 2023;57(11):1068-78.
  12. Tsakitzidis G, Van Royen P. Leren interprofessioneel samenwerken in de gezondheids-en welzijnszorg2022.
  13. Tsakitzidis G, Kool E. Van multidisciplinaire naar interprofessionele samenwerking: vijf bouwstenen voor zorgteams. Huisarts nu: maandblad van de Wetenschappelijke Vereniging van Vlaamse Huisartsen-Brussel. 2022;51(1):18-22.
  14. De Vos AM. Over Leven Lang Leren 2023 [cited 2024 16/04]. Available from: https://hbo-kennisbank.nl/details/sharekit_av:oai:surfsharekit.nl:32b58cdd-d638-45c5-8e83-c67f091994ff?q=%22Vos%2C+Annemarie+de%22.
  15. Pelone F, Harrison R, Goldman J, Zwarenstein M. Interprofessional collaboration to improve professional practice and healthcare outcomes. Cochrane database of systematic reviews. 2017(6).
  16. House S, Havens D. Nurses’ and physicians’ perceptions of nurse-physician collaboration: a systematic review. JONA: The Journal of Nursing Administration. 2017;47(3):165-71.
  17. Forbes TH, Evans S. From anticipation to confidence: A descriptive qualitative study of new graduate nurse communication with physicians. Journal of nursing management. 2022;30(6):2039-45.
  18. Edmondson AC. De onbevreesde organisatie: creëer psychologische veiligheid op de werkvloer om innovatie en groei te stimuleren: Business Contact; 2019.
  19. O’Donovan R, De Brún A, McAuliffe E. Healthcare professionals experience of psychological safety, voice, and silence. Frontiers in Psychology. 2021;12:626689.
  20. Ryan R, Deci E. Basic psychological needs in motivation, development, and wellness. Sevent Avenue. 2017.
  21. Vos M. Lang Leve Leren. Deventer: Windesheim Hogeschool. 2020.
  22. Zarshenas L, Sharif F, Molazem Z, Khayyer M, Zare N, Ebadi A. Professional socialization in nursing: A qualitative content analysis. Iranian Journal of Nursing and Midwifery Research. 2014;19(4):432-8.
  23. Frögéli E, Rudman A, Gustavsson P. The relationship between task mastery, role clarity, social acceptance, and stress: An intensive longitudinal study with a sample of newly registered nurses. International journal of nursing studies. 2019;91:60-9.
  24. Vermeulen H, van Oostveen C. Persoonsgericht leiderschap: een participatief actieonderzoek over verpleegkundig leiderschap. Nederlands Tijdschrift voor Evidence Based Practice. 2017;15(3):23-4.
  25. INTERREG V. BLIJF AAN Z. 2022.
  26. Cardiff S, McCormack B, McCance T. Person-centred leadership: A relational approach to leadership derived through action research. Journal of clinical nursing. 2018;27(15-16):3056-69.
  27. Sahraei Beiranvand M, Beiranvand S, Beiranvand S, Mohammadipour F. Explaining the effect of authentic and ethical leadership on psychological empowerment of nurses. Journal of nursing management. 2021;29(5):1081-90.
  28. Laschinger HKS, Wong CA, Grau AL. The influence of authentic leadership on newly graduated nurses’ experiences of workplace bullying, burnout and retention outcomes: A cross-sectional study. International journal of nursing studies. 2012;49(10):1266-76.
  29. van der Cingel M, Brouwer J. What makes a nurse today? A debate on the nursing professional identity and its need for change. Nursing philosophy : an international journal for healthcare professionals. 2021;22(2):e12343.
  30. Rodríguez-Pérez M, Mena-Navarro F, Domínguez-Pichardo A, Teresa-Morales C. Current Social Perception of and Value Attached to Nursing Professionals’ Competences: An Integrative Review. International journal of environmental research and public health. 2022;19(3):1817.

Door enthousiasme en betrokkenheid wil Linda Boeken verpleegkundigen professioneel motiveren via een goede samenwerking en communicatie. Met 35 jaar werkervaring als psychiatrisch verpleegkundige behaalde ze in juni 2024 mijn masterdiploma aan de Universiteit Antwerpen. Haar masterproef kreeg de prijs “Impact op het werkveld binnen het domein verpleegkunde 2024”, uitgereikt door NETWERK VERPLEEGKUNDE en de FNBV.


Meer kans op burn-out op intensieve zorg?

Meer kans op burn-out op intensieve zorg?

Arnaud Bruyneel1, Simon Dello2, Jérôme E. Dauvergne3, Dorothea Kohnen2, Walter Sermeus2

1 Health Economics, Hospital Management and Nursing Research Dept, School of Public Health, Université Libre de Bruxelles, Belgium

2 Leuven Institute for Healthcare Policy, KU Leuven, Kapucijnenvoer 35 blok D bus 7001, Leuven 3000, Belgium

3 Nantes Université, CHU Nantes, Department of Anaesthesiology and Critical Care at Laënnec Hospital, University Hospital of Nantes, F-44000 Nantes, France

Burn-out bij verpleegkundigen heeft een impact op de veiligheid en kwaliteit van zorg die ze verlenen, op de patiënttevredenheid en op hun productiviteit. Slecht nieuws dus wanneer hun werkomstandigheden leiden tot fysieke en emotionele uitputting. Enkele eerdere studies wezen uit dat burn-out vaker voorkwam bij verpleegkundigen op een intensieve zorgafdeling dan op een algemene afdeling, en dit door de zware workload, ethische conflicten en een hogere blootstelling aan overlijdens. Is dat ook in België zo en hoe kunnen we die impact verkleinen? Deze studie onderzoekt de oorzaken van burn-outs bij verpleegkundigen en met welke maatregelen die voorkomen kunnen worden.

Doelstelling

Met dit onderzoek werd de prevalentie van burn-out, afwezige verpleegkundige zorg en de intentie om de zorgsector te verlaten onderzocht bij verpleegkundigen op algemene en intensieve zorgeenheden in ziekenhuizen in België, Engeland, Duitsland, Ierland, Noorwegen en Zweden. De risicofactoren voor deze uitkomsten werden in beide groepen geanalyseerd. Ook de impact van de covidpandemie met extra risicofactoren, zoals meer stress en traumatische situaties, werd onderzocht.

Samenvatting van de resultaten van de studie

De prevalentie van burn-out was met 27,1 procent significant lager onder verpleegkundigen op intensieve zorg dan op algemene zorgeenheden, waar het 30,3 procent bedroeg. Ook verzuim van zorg kwam significant minder vaak voor bij die eerste groep, met 65,5 procent tegenover 75,4 procent. De intentie om te stoppen met werken was dan weer vergelijkbaar op beide types afdelingen. Verpleegkundigen die in een betere werkomgeving en met een lagere werkdruk werkten, hadden statistisch significant lagere percentages burn-out en intentie om hun baan te verlaten dan verpleegkundigen die in een slechtere werkomgeving en met een hogere werkdruk werkten.

Landenspecifieke analyse toonde een hoger burn-outpercentage en meer intentie om de sector te verlaten bij verpleegkundigen die in Duitsland, Ierland, Scandinavië en Engeland werken in vergelijking met België.

Conclusie

Omgekeerd aan wat verwacht werd, lopen verpleegkundigen op intensieve zorg geen grotere kans op burn-out, en hebben ze significant minder kans op verzuim van zorg en een verandering van job dan hun collega’s op algemene afdelingen.

Gevolgen voor de praktijk

Het beleid moet prioriteit geven aan het creëren van gezonde werkomgevingen en het verlagen van de werkdruk. Dit is de meest efficiënte manier om burn-outcijfers te verlagen, gemiste zorg te minimaliseren en de intentie om de sector te verlaten onder verpleegkundigen te verminderen.

Bron: https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S0964339724002702?via%3Dihub


Het gebruik van morfine bij oncologische patiënten: feiten en fabels

Door Marie Blondeel1 en Dr. Caroline Lamot2

1 Verpleegkundig specialist palliatieve zorg – Vitaz / Doctoraatsstudent – Centre for Research and Innovation in Care (CRIC) – Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen – Universiteit Antwerpen / Nurse and Pharmaceutical Care
2 Oncoloog en palliatief arts – Vitaz

De incidentie van pijn wordt gerapporteerd bij meer dan 50% van de kankerpatiënten. Bij patiënten met gevorderde kanker loopt dit op tot meer dan 90% [1, 2]. Daarnaast blijkt dat bij 43% van de kankerpatiënten pijn onvoldoende wordt behandeld [3]. Farmacologisch management is de hoeksteen van pijnbestrijding bij kanker en omvat zowel opioïde als niet-opioïde medicatie volgens de richtlijnen van de WHO, bekend als de analgesieladder [4]. Veel barrières belemmeren het effectieve gebruik van opioïden bij pijnmanagement [5, 6]. In dit artikel bespreken we enkele fabels en feiten over het gebruik van morfine.

Fabel: Morfine mag enkel gebruikt worden bij palliatieve patiënten

Uit onderzoek blijkt dat kankerpatiënten die morfine aangeboden kregen voor pijnverlichting dit vaak interpreteerden als een “laatste redmiddel”. Omdat patiënten zelf niet klaar waren om te sterven, weigerden ze morfine en andere opioïden als pijnstillers, ondanks de pijn die ze hierdoor moesten doorstaan. Patiënten hechten veel waarde aan het vertrouwen van zorgverleners in het gebruik van opioïden [7].

  • Leg uit dat morfine een effectieve en veilige pijnstiller is wanneer het correct wordt gebruikt, ongeacht de fase van de ziekte [8].
  • Benadruk dat het gebruik van morfine niet betekent dat de patiënt stervende is, maar gericht is op het verbeteren van de kwaliteit van leven door pijn te verlichten.
  • Goede pijnstilling zorgt voor betere kwaliteit van leven en kan op die manier ook bijdragen om de oncologische behandelingen goed te doorstaan.
  • De fabel dat het te vroeg starten met opioïden in het ziekteproces zou leiden tot een verminderde werking op latere momenten, klopt niet.

 

Fabel: Morfine zal het overlijden versnellen

Studies tonen aan dat pijnbestrijding met opioïden niet geassocieerd is met een verkorting van de levensduur [9-11]. Ondanks dit bewijs blijft de overtuiging dat opioïden het leven verkorten persistent aanwezig. Deze overtuiging heeft een aanzienlijke invloed op pijnmanagement, aangezien patiënten het aanbod van opioïden vaak weigeren omwille van deze perceptie.

  • Benadruk dat morfine bij correct gebruik niet bedoeld is om het leven te verkorten, maar om pijn te verlichten (=comfortzorg).
  • Werk nauw samen met artsen, apothekers en andere disciplines om consistentie in informatie en zorg te waarborgen.

 

Feit: Morfine gaat gepaard met bijwerkingen

Bijwerkingen van opioïden, waaronder morfine, omvatten onder andere; duizeligheid, misselijkheid, braken, obstipatie, fysieke afhankelijkheid, tolerantie en ademhalingsdepressie. Fysieke afhankelijkheid en de angst voor verslaving kunnen zorgen voor terughoudendheid bij voorschrijven, wat leidt tot onvoldoende pijnbestrijding [12].

De meest voorkomende bijwerkingen zijn obstipatie en misselijkheid, waarbij vooral obstipatie moeilijk te behandelen is en vaak geen tolerantie ontstaat. Deze bijwerkingen kunnen zo ernstig zijn dat ze het gebruik van opioïden beperken, wat leidt tot onderdosering en onvoldoende pijnstilling[13].

Het wisselen van opioïden of toedieningsroutes kan voordelen bieden. Zorgvuldige screening, educatie en preventieve behandeling van mogelijke bijwerkingen zijn essentieel om de effectiviteit van opioïden te maximaliseren en bijwerkingen te minimaliseren [14].

  • Bespreek de mogelijke bijwerkingen en stel patiënten gerust dat er effectieve manieren zijn om hiermee om te gaan.
  • Overleg met de arts over het wisselen van opioïden of het aanpassen van de toedieningsroute (bijvoorbeeld van oraal naar transdermaal) als bijwerkingen te hinderlijk worden.
  • In de palliatieve setting is gewenning heel beperkt en heeft de uitbreiding van de ziekte een grotere invloed: morfine kan zonder gevaar in hogere dosis en langdurig gebruikt worden.
  • Sufheid en slaperigheid zijn slechts tijdelijke bijwerkingen. Artsen zullen daarom voorzichtig beginnen met een lage dosis en deze geleidelijk verhogen.

 

Referenties

  1. Saifan, A., et al., Patient- and family caregiver-related barriers to effective cancer pain control. Pain Manag Nurs, 2015. 16(3): p. 400-10.
  2. van den Beuken-van Everdingen, M.H., et al., Update on Prevalence of Pain in Patients With Cancer: Systematic Review and Meta-Analysis. J Pain Symptom Manage, 2016. 51(6): p. 1070-1090.e9.
  3. Roberto, A., et al., Living systematic review to assess the analgesic undertreatment in cancer patients. Pain Pract, 2022. 22(4): p. 487-496.
  4. Organization, W.H., Cancer pain relief: with a guide to opioid availability. 1996.
  5. Kwon, J.H., Overcoming barriers in cancer pain management. J Clin Oncol, 2014. 32(16): p. 1727-33.
  6. Wiffen, P.J., et al., Opioids for cancer pain – an overview of Cochrane reviews. Cochrane Database Syst Rev, 2017. 7(7): p. Cd012592.
  7. Reid, C.M., R. Gooberman-Hill, and G.W. Hanks, Opioid analgesics for cancer pain: symptom control for the living or comfort for the dying? A qualitative study to investigate the factors influencing the decision to accept morphine for pain caused by cancer. Ann Oncol, 2008. 19(1): p. 44-8.
  8. Paice, J.A., et al., Use of Opioids for Adults With Pain From Cancer or Cancer Treatment: ASCO Guideline. J Clin Oncol, 2023. 41(4): p. 914-930.
  9. Thorns, A. and N. Sykes, Opioid use in last week of life and implications for end-of-life decision-making. Lancet, 2000. 356(9227): p. 398-9.
  10. Good, P.D., P.J. Ravenscroft, and J. Cavenagh, Effects of opioids and sedatives on survival in an Australian inpatient palliative care population. Intern Med J, 2005. 35(9): p. 512-7.
  11. Morita, T., et al., Effects of high dose opioids and sedatives on survival in terminally ill cancer patients. J Pain Symptom Manage, 2001. 21(4): p. 282-9.
  12. Maltoni, M., Opioids, pain, and fear. Ann Oncol, 2008. 19(1): p. 5-7.
  13. Glare, P., D. Walsh, and D. Sheehan, The adverse effects of morphine: a prospective survey of common symptoms during repeated dosing for chronic cancer pain. Am J Hosp Palliat Care, 2006. 23(3): p. 229-35.
  14. Benyamin, R., et al., Opioid complications and side effects. Pain Physician, 2008. 11(2 Suppl): p. S105-20.


Gezondheid van vrouwen: specifieke noden, structurele uitdagingen

Van een menopauzeconsulent voor AZ Rivierenland, over een vergrote zichtbaarheid van endometriose via pers, sociale media en podcasts, tot zelfs een heus televisieprogramma gewijd aan de menopauze. Exclusief vrouwelijke aandoeningen krijgen meer aandacht en dat is maar goed ook. Want uit het Women’s Health Report 2024 van Sciensano blijkt dat meisjes en vrouwen nog steeds vaker dan mannen ondergediagnosticeerd en onderbehandeld worden waardoor ze niet hun volledige gezondheidspotentieel kunnen bereiken. Pijnpunten die vragen om dringende actie: in het beleid, het werkveld, de opleidingen en in ons dagelijkse leven.

Waar een aantal andere landen al rapporten over de verschillen in gezondheid tussen mannen en vrouwen hadden, bestond dat in België nog niet. Nochtans bevat zo’n studie belangrijke informatie om de gezondheidszorg goed te organiseren. Daarom nam Sciensano het heft in handen. In april 2024 publiceerde het federale onderzoeksinstituut voor de volksgezondheid het Women’s Health Report 2024[1]. “Een van onze kerntaken bij Sciensano is data en indicatoren verzamelen en onderzoeken om te meten wat de gezondheidsstatus van de Belgische bevolking is met als doel die te verbeteren”, vertelt Laura Van den Borre, socioloog bij de dienst gezondheidsinformatie van Sciensano. “Op basis van die onderzoeken formuleren we beleidsaanbevelingen voor verschillende aandoeningen, doelgroepen en in diverse regio’s. We merkten op dat in België nog nooit een rapport verscheen over de verschillen in gezondheid tussen mannen en vrouwen. Een groot tekort voor de organisatie van onze gezondheidszorg, dus namen wij het initiatief. We brengen in het rapport een overzicht van belangrijke verschillen, de problemen die deze ongelijkheden met zich meebrengen, waar de ergste pijnpunten zitten en hoe erop te anticiperen.”

Belangrijkste bevindingen

Over het algemeen zijn vrouwen gezonder dan mannen. Toch merkt Sciensano een aantal belangrijke gezondheidsproblemen op: meer dan mannen hebben vrouwen te maken met mentale gezondheidsproblemen, spier- en gewrichtsaandoeningen, en dementie. “Gezondheid is meer dan afwezigheid van ziekte. Het gaat om levenskwaliteit en daar blijkt nog veel ruimte voor verbetering bij vrouwen”, aldus Laura. “Vrouwen leven langer dan mannen, maar ze brengen die extra jaren vaker door in slechte gezondheid. Oudere vrouwen hebben vooral te maken met dementie, spier- en gewrichtsaandoeningen, en botontkalking. Daarnaast merken we ook dat ze vaker dan mannen verschillende ziektes of aandoeningen tegelijkertijd ervaren, wat een impact heeft op de levenskwaliteit.”

Een belangrijke oorzaak ligt in de ongelijkheid in diagnose en behandeling. Veel medische richtlijnen zijn nog steeds gebaseerd op historisch onderzoek bij blanke mannen, wat kan leiden tot onderdiagnose bij vrouwen. Dit is vooral duidelijk bij hart- en vaatziekten, waar symptomen bij vrouwen moeilijker herkend worden. Ook mentale gezondheid is een pijnpunt: vrouwen kampen vaker met angst, depressie en psychosomatische klachten. “Bij adolescenten zien we een alarmerend verschil: meisjes rapporteren veel meer stress, somberheid en slaapproblemen dan jongens. Daarbovenop komen sociale ongelijkheden: alleenstaande moeders, vrouwen met een migratieachtergrond of lagere opleiding hebben minder toegang tot zorg en lopen meer risico op gezondheidsproblemen.”

Dialoog bevorderen

Het rapport richt zich in de eerste plaats op thema’s met een grote impact op de gezondheid van vrouwen zoals mentale gezondheid en musculoskeletale aandoeningen. Toch zijn er nog andere onderwerpen en indicatoren, zoals geweld tegen vrouwen, die buiten de scope van dit onderzoek vielen. “Het was nooit onze bedoeling om exhaustief te zijn. Het is dus geen volledig overzicht van de problematiek. We focusten op biologische en administratieve definities van mannen en vrouwen, los van genderidentiteit of seksualiteit. Dit omwille van beschikbare data. Uiteraard kunnen hier in de toekomst andere onderzoeken uit voortvloeien.”

Sciensano wil met het Women’s Health Report 2024 een belangrijke kenniskloof dichten. “Er is nog steeds te weinig aandacht voor de specifieke gezondheidsnoden van vrouwen, zowel in onderzoek als in de praktijk”, aldus Laura. “In het rapport richten we ons daarom ook op enkele unieke gezondheidsproblemen van vrouwen, zoals endometriose en menopauze. Hier botsten we op een enorm gebrek aan relevante en beschikbare data en kennis. Dit is het gevolg van ongelijkheden die diepgeworteld zijn in de samenleving. Ons doel is een startpunt te bieden voor verdere discussie en onderzoek, en vooral de noodzaak van een gendergerichte benadering in de gezondheidszorg aan te tonen.”

Nood aan gestructureerde data

Beschikbare data, het blijkt een heikel punt in onze gezondheidszorg. Zeker over specifiek vrouwelijke gezondheidstoestanden na een zwangerschap, of over menopauze en endometriose bijvoorbeeld, zijn heel weinig gestructureerde gegevens beschikbaar. Laura: “Nochtans zijn dit net zaken die een heel grote impact hebben op de verdere levenskwaliteit van vrouwen. We hebben veel data, maar voor een aantal aandoeningen helemaal niet of weinig. Of door administratieve procedures zijn de gegevens niet bruikbaar. Zo bestaat er bijvoorbeeld een databank over in-vitrofertilisatie, maar die is volledig gericht op het medische aspect van de behandeling. We hebben dus informatie over het aantal IVF-behandelingen, maar niet over pakweg de sociale profielen van deze vrouwen, de complicaties op de lange termijn, de mentale impact ervan, barrières die er zijn om toegang te hebben tot deze zorg, zoals kostprijs, …”

We hebben al veel gezondheidsgegevens om te onderzoeken. Er bestaan databanken bij talloze instanties, maar de informatie is niet goed op elkaar afgestemd. Zo bestaan er verschillende definities van eenzelfde aandoening (bijvoorbeeld burn-out), worden in de ene instelling bepaalde gegevens wel geregistreerd en in een andere niet of is er door de GDPR-wetgeving geen of moeilijk toegang tot specifieke data. “Anno 2024 moeten we toch in staat zijn relevante data te verzamelen en te vergelijken. Op dat vlak beweegt er gelukkig het een en ander. Zowel op Europees niveau als in België is er vraag naar meer open data. We zijn er nog niet, maar het moet in de nabije toekomst een pak efficiënter zijn om de historische data te verrijken met nieuwe materie.”

Vrouwen in de zorg: dubbele bodem

In België waren in 2022 zo’n 502.371[2] personen arbeidsongeschikt, met een spectaculaire toename van langdurig zieke vrouwen tegenover mannen. Als je weet dat in België ruim tachtig procent van de verpleegkundigen een vrouw is, dan is de rekensom snel gemaakt. Laura: “Het zorgberoep is fysiek en emotioneel zwaar, en veel verpleegkundigen voelen zich ondergewaardeerd en overbelast. De chronische pijn, musculoskeletale aandoeningen en mentale klachten waar oudere vrouwen vaker mee te maken hebben, gecombineerd met sociale druk zoals de combinatie van werk en gezinsleven, leiden tot een verhoogd risico op uitval. Dit heeft ernstige gevolgen voor de zorgsector die nu al met grote tekorten kampt. Het is een vicieuze cirkel want hoe meer vrouwen uitvallen, hoe groter de druk wordt op de collega’s die aan het werk blijven, wat het risico op uitval verder verhoogt.”

Het rapport pleit dan ook voor gerichte preventie, zoals ergonomische ondersteuning, mentale gezondheidszorg en gendersensitieve beleidsmaatregelen om het welzijn van vrouwelijke zorgverleners te verbeteren. Het aanpakken van deze problemen is essentieel voor de gezondheid van verpleegkundigen zelf en om continuïteit van zorg te garanderen.

Actie ondernemen

Het Women’s Health Report 2024 werd in april gepubliceerd. Meteen daarna volgde een eerste uitwisseling over de nood om te werken aan gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen  met onder andere de minister van Volksgezondheid. “We slaan al langer met verschillende instanties op dezelfde nagel en het rapport bracht verder schot in de zaak”, zegt Laura nog. “We merken meer en meer aandacht voor de gezondheid van vrouwen en genderspecifieke aandoeningen. Het is belangrijk dat deze onderwerpen bespreekbaar worden in de hele maatschappij, zo creëren we een breder bewustzijn. Mediacampagnes, subsidies voor gezondheidsbevorderende initiatieven en gestandaardiseerde zorgprotocollen zijn allemaal stappen in de goede richting.”

[1] Sciensano. Gezondheid van vrouwen, Health Status Report, 29 Apr 2024, Brussel, België

[2] Bron: RIZIV


Ziekenhuisopnames aanpakken door preventief medicijn tegen RSV

RSV of het Respiratoir Syncytieel Virus duikt het meest op van oktober tot en met maart en tast de bovenste luchtwegen aan. Vooral baby’s zijn erg kwetsbaar voor deze luchtweginfectie, vaak met ernstige symptomen en een ziekenhuisopname tot gevolg. Sinds 1 oktober 2024 wordt een preventief medicijn tegen RSV terugbetaald voor kindjes geboren na 1 april 2024.

Kinderen en volwassenen kunnen besmet worden met RSV. Waar de symptomen bij volwassenen eerder neigen naar een lastige verkoudheid, kan zich dit bij baby’s erger manifesteren en zelfs evolueren tot bronchiolitis of een longontsteking. Zo krijgen jaarlijks gemiddeld 14.500 kinderen jonger dan vijf jaar RSV. Tussen de 3.200 à 3.600 belanden in het ziekenhuis. De helft van die infecties en drie kwart van de ziekenhuisopnames doen zich voor bij kinderen jonger dan twee jaar[1].

Een directe behandeling tegen RSV bestaat niet. Wie in het ziekenhuis terechtkomt, krijgt aerosol- en kinesitherapie, in sommige gevallen aangevuld met ademhalingsondersteuning. Ook het neusje van het kind wordt regelmatig gespoeld met fysiologisch serum. Sinds 1 oktober 2024 is er een nieuw medicijn op de Belgische markt: Nirsevimab (Beyfortus™). Dit is een monoklonaal antilichaam dat tijdens het eerste levensjaar bij zeer jonge kinderen wordt geïnjecteerd.

Vaccin vs. medicijn

Het gaat om een preventief medicijn, niet om een vaccin. Al bestaat er wel een vaccin, Abrysvo®, voor zwangere vrouwen. De mama wordt ingeënt met dit immunoglobuline tussen de 28ste en 36ste week van de zwangerschap, wanneer de uitgerekende bevaldatum in het komende RSV-seizoen valt. Zo geeft de moeder de antistoffen door aan haar kind, tot zes maanden na de geboorte. Dit vaccin wordt momenteel nog niet terugbetaald.

Nirsevimab (Beyfortus™) kost normaal 777,44 euro[2], maar wordt sinds 1 oktober 2024 terugbetaald voor kinderen geboren vanaf 1 april 2024 op voorwaarde dat de moeder tijdens de zwangerschap niet is ingeënt met Abrysvo®. Zo kost het de ouders nog 12 euro, of 8 euro in het geval van een verhoogde tegemoetkoming.

Het preventieve medicijn werkt vijf tot zes maanden lang, waardoor kindjes het hele RSV-seizoen lang beschermd zijn tegen een ernstige infectie. De inspuiting is niet verplicht, maar wordt wel sterk aangeraden door de Hoge Gezondheidsraad in het kader van een immunisatiecampagne. Zij schatten in dat het risico op een ziekenhuisopname door RSV dan met tachtig procent vermindert. Uit een rondvraag door VRT NWS[3] midden november 2024 blijkt dat in het UZ Leuven en in het ZAS bijna alle pasgeborenen na 1 oktober 2024 de inspuiting ontvingen, in het UZ Gent sprak men van tachtig procent. Deze ziekenhuizen merkten voorzichtig minder opnames op, maar besluiten de wintermaanden verder af te wachten vooraleer ze definitieve conclusies trekken. Zo meldt Sciensano dat het aantal ziekenhuisopnames voor een ernstige acute respiratoire infectie veroorzaakt door RSV is toegenomen in week 44 van 2024[4]. De wintermaanden zullen meer duidelijkheid brengen.

[1] hgr-css.be/nieuwe-perspectieven-voor-rsv-preventie-bij-babys

[2] baop.be/rsv/rsv-information-for-healthcare-workers

[3] vrt.be/vrtnws/nl/2024/11/14/inenting-bij-baby-s-tegen-rsv-werpt-vruchten-af/

[4] Wekelijks bulletin acute luchtweginfecties: sciensano.be/nl/biblio/bulletin-acute-luchtweginfecties-week-46-2024-gepubliceerd-op-20112024


Nood aan meer draagkracht voor patiëntenverenigingen

Het gaat niet zo goed met de patiëntenverenigingen in ons land. Toch hebben ze een zeer grote relevantie voor patiënten en voor de kwaliteit en efficiëntie van zorg. De noodkreet van een tachtigtal patiëntenorganisaties leidde tot een onderzoek uitgevoerd door het zorgonderzoekscentrum LUCAS, KU Leuven en het onderzoeksbureau Indiville, met de steun van het Vlaams Patiëntenplatform, la Ligue des Usagers des Services de Santé, Rare Diseases Organisation Belgium, Trefpunt Zelfhulp, Patient Expert Center en de Koning Boudewijnstichting.

Het onderzoek naar de meerwaarde van patiëntenverenigingen en patiëntenparticipatie in de Belgische gezondheidszorg stoelt op drie evoluties die we in het huidige zorglandschap zien: de shift naar zelfzorg, preventie en kwaliteitsvol thuis wonen, de ervaringsdeskundigheid van de patiënt en de patiënt als sturende kracht met de patiëntenvereniging als motor. Net die patiëntenorganisaties hebben het moeilijk. “Ze zitten in een kwetsbare positie”, zegt Else Tambuyzer, directeur van het Vlaams Patiëntenplatform. “Enerzijds omdat hun werking vaak gebaseerd is op vrijwilligers die ze duurzaam aan boord moeten zien te houden, anderzijds omdat ze geen subsidies ontvangen en dus afhangen van fondsenwerving. Toch zijn deze organisaties ontzettend belangrijk. In 2008 werd al een onderzoek uitgevoerd naar de relevantie van patiëntenparticipatie en patiëntenverenigingen. Met het luik participatie is toen aan de slag gegaan. Dit onderzoek gaat dieper in op de problematieken van patiëntenverenigingen, met een stand van zaken waarop verder gewerkt kan worden.”

Het onderzoek gebeurde in verschillende fases van desk research, interviews met patiëntenorganisaties en focusgroepen tot een benchmarkstudie naar hoe onze buurlanden en Canada het aanpakken. Daarnaast ontvingen alle Belgische patiëntenverenigingen ook online vragenlijsten die naar objectieve en subjectieve kenmerken peilden.

Erkenning en hoop

Uit eerder onderzoek blijkt dat het lang duurt voor zorgvragers de stap naar een patiëntenvereniging zetten. Als verpleegkundige kan je bijdragen door je patiënten te informeren, mits een correcte beeldvorming. “We merken nog te vaak dat er gesproken wordt over een koffietje drinken en eens goed klagen”, zegt Else. “Patiëntenorganisaties doen veel meer dan dat. Lotgenotenwerking en het delen van ervaringen leidt tot erkenning en herkenning. Contact met iemand die hetzelfde meemaakte geeft hoop en je kan praktische tips delen over het leven met of na de ziekte.”

Daarnaast vervullen deze organisaties ook een belangrijke rol naar zorgverleners toe: wat hebben mensen echt nodig van de zorg, wat kan anders, hoe maak je dat patiënten hun aangeraden therapie volhouden, … “Patiëntenverenigingen kunnen opleidingen geven, folders verspreiden of als ervaringsdeskundige langsgaan in het ziekenhuis, voor zover hun werking dat toelaat”, vult Else aan. “Deze organisaties nemen een complementaire rol op door samen te werken met zorgverleners. Zij zetten hun collectieve ervaringskennis in om zorgprocessen, behandelingen en geneesmiddelen te verbeteren.”

Patiëntenorganisaties als cruciale schakel

Er zijn vandaag ongeveer driehonderd patiëntenverenigingen. De overheid kan niet elke organisatie steunen. Toch is het onderzoek een warme oproep om na te denken over erkenningscriteria voor patiëntenorganisaties en daar dan middelen aan te koppelen. “Al vertrekken we wel van een ongelijk speelveld. Grote verenigingen kunnen mensen vrijmaken om die criteria voor subsidies in orde te brengen en zijn veerkrachtiger om de verantwoording en administratie die bij financiering komt kijken te dragen”, zegt Else nog. “In het buitenland merken we op dat er naar een model van centralisatie en samenwerking gegaan wordt. Al schuilt daar het risico dat we de diversiteit van al die verenigingen verliezen. Nederland werkt met een subsidieregeling onder strikte voorwaarden, Duitsland koppelt het aan de ziekenfondsen en in Frankrijk werkt men met een ‘democratie sanitaire’, een type participatiecultuur waar burgers of patiënten uitwerken wat nodig is om kwaliteitsvolle zorg te bieden en te ervaren. Onze oproep na dit onderzoek is dus eerder: zet projecten op en laat het werk niet liggen. Het doel is patiënten te helpen en patiëntenorganisaties spelen daarin een belangrijke rol.”

 

Trefpunt Zelfhulp stelt met www.zelfhulp.be een handig overzicht van Vlaamse patiëntenverenigingen ter beschikking waar je per aandoening en per regio kan filteren.


Hoe verzoenen we de Belgische ziekenhuisfinanciering met de toekomstige uitdagingen in de zorg?

Hoe stonden de ziekenhuizen er financieel voor in 2023 en is er beterschap op komst in 2024? Jaarlijks analyseert Belfius de cijfers van de algemene ziekenhuizen in ons land. Dat leidt tot de MAHA-analyse[1]. Voor het jaar 2022 was de conclusie niet bepaald rooskleurig, met negatieve resultaten en verliezen voor de ziekenhuizen. In 2023 noteren we alvast een lichte stijging, zowel in omzet als in kosten.

De MAHA-sectoranalyse van Belfius editie 2024 was meteen de dertigste keer dat de bank samenwerkte met de gezondheidssector om de financiële situatie van de algemene ziekenhuizen in ons land in kaart te brengen. De voorbije dertig jaar ontwikkelde Belfius Strategic Research & Belfius Public Banking een uniek analyse- en benchmarkinstrument om de resultaten beter en relevanter weer te geven. Zo ondersteunen ze de sector met inzichten die helpen bij het nemen van beslissingen. Daarnaast maakt Belfius ook analyses voor psychiatrische en universitaire ziekenhuizen, voor woonzorgcentra en voor centra voor mensen met een handicap. Zo schetsen ze een totaalbeeld van hoe de socialprofitsector evolueert. Aan de analyse van 2023/2024 namen alle 89 Belgische algemene ziekenhuizen deel door hun jaarrekeningen voor 2023 te delen. Daarnaast nam 72 procent van die ziekenhuizen deel aan een enquête over het eerste semester van 2024 die toelaat een eerste raming te schetsen voor dat jaar.

Waar de algemene ziekenhuizen in 2022 nog de impact van de coronacrisis voelden in hun omzet, merken we voor 2023 dat de omzet opnieuw steeg. Helaas stegen de kosten nog sterker. Al is er wel een lichte verbetering ten opzichte van vorig jaar waar te nemen. Het resultaat van het boekjaar 2023 stijgt van 37 naar 82 miljoen euro. Dat is 0,4 procent van een omzet van 20,5 miljard euro. Toch zitten vier op de tien algemene ziekenhuizen met een negatief resultaat.

Verdere daling van klassieke ziekenhuisopnames

De ziekenhuisactiviteit groeit tot in totaal 3,6 miljoen opnames. Dat is 7,9 procent meer dan in 2019. De oorzaak daarvan is de omslag naar dagopname. Het gaat dan om chirurgische daghospitalisaties waarvoor de lijst begin 2023 werd uitgebreid, maar ook over ambulante zorgen zoals oncologische therapieën of chronische pijnbehandelingen. De ligduur wordt korter. Waar die in 2019 nog 5,3 dagen bedroeg, was dat in 2023 slechts 4,7 dagen. Die daling is al twintig jaar aan de gang. Daarnaast verbeterde de overheid de financiering van daghospitalisaties om onnodige overnachtingen te vermijden.

Meer opbrengsten, nog meer kosten

De kosten stegen in 2023, dat voelden we allemaal in onze eigen portefeuille. Voor ziekenhuizen was dat niet anders: voeding en energie waren duur en stegen respectievelijk met 10,3 en 59 procent. Dit jaar wordt verwacht dat de energierekening zal dalen. Daarnaast gingen de uitgaven voor farmaceutische producten omhoog, goed voor 4.221 miljoen euro aan geneesmiddelen. Verwacht wordt dat ook dit bedrag in 2024 zal dalen.

Toch is de grootste kostenpost het personeel. De bezoldiging van artsen steeg met 11,3 procent naar 4.902 miljoen euro. Naar de lonen van verpleegkundigen en ondersteunend personeel gaat  43,6 procent van de jaarlijkse omzet. De totale personeelskost landt op 8.961 miljoen euro, een stijging met 6,6 procent. Voor 2024 wordt een extra stijging van 5,3 procent verwacht voor lonen.

Ten opzichte van 2022 stegen de kosten in 2023 met 8,4 procent, daar waar de bedrijfsopbrengsten een stijging van 8,3 procent noteren. Zo wordt al enkele jaren meer omzet gehaald uit de apotheek en farmaceutische producten, goed voor 4.135 miljoen euro. Ook de bijdrage door de indexering van de honoraria van artsen ging zo omhoog met 8,7 procent tot 7.885 miljoen euro. Voor 2024 wordt opnieuw een groei van 8,2 procent verwacht. Tot slot zien we aan de inkomstenzijde meer opbrengsten uit kamersupplementen en nevenproducten tot in totaal 145 miljoen euro. Kijken we naar het Budget Financiële Middelen (BFM), dan steeg dat in 2022 met 10,4 procent en in 2023 met 6,2 procent, door de hoge indexering van de lonen. Voor 2024 wordt een beperkte stijging van 2 procent verwacht.

Kijken we naar de voorbije tien jaar, dan staat het gewoon bedrijfsresultaat onder druk. Sinds 2022 is het zelfs negatief door de inflatie en energiecrisis. Dat is te zwak om de nodige investeringen te doen en beschermt de zorginstellingen niet tegen crisissen. Als het resultaat toch positief lijkt, is dat door de steun van de overheid.

Personeelstekorten blijven

In de Belgische ziekenhuizen werken 108.137 mensen (VTE). Van verpleegkundigen tot administratieve medewerkers en paramedici. Dat personeelsbestand groeide sinds 2019 met 6.678 VTE’s (voltijdse equivalenten). Ook de personeelskosten gingen de hoogte in. Zo kost een voltijdse verpleegkundige 86.000 euro per jaar, waarvan een deel uit de eigen middelen van het ziekenhuis komt. Toch blijven de tekorten aanzienlijk, zeker wat verpleegkundigen betreft. In 2023 kwamen er 497 verpleegkundigen bij, maar dat hield niet tegen dat ziekenhuizen afdelingen moesten sluiten of geremd werden in hun groei. De MAHA-analyse stelt vast dat ziekenhuizen vaker interimmedewerkers inschakelen, voornamelijk verpleegkundigen. In 2023 ging het om 2.400 VTE’s. Daarnaast valt op te merken dat het ziekteverzuim bovengemiddeld hoog is. Waar we in de bredere samenleving over 10 procent spreken, is dat in de zorg 12,2 procent. Daarvan is 4 procent langdurig afwezig.

Vroeger en nu

Deze dertigste MAHA-analyse kijkt terug naar de voorbije jaren. Zo is de samenstelling van de omzet veranderd sinds 1999, met een veel groter aandeel (20 procent) van farmaceutische producten. Het Budget Financiële Middelen levert slechts 36,9 procent van de omzet, ten opzichte van 42,1 procent in 1999. Het eigen vermogen van ziekenhuizen werd in 2023 aangesterkt, al moesten ze tegelijk meer voorzieningen aanspreken. De schulden groeiden naar 7.248 miljoen euro waardoor steeds meer ziekenhuizen gebruikmaken van een liquiditeitsplanning om de kosten de baas te kunnen. Het eigen vermogen van Vlaamse ziekenhuizen is in orde. Waalse en Brusselse ziekenhuizen hebben het op dat vlak iets moeilijker. Toch merken we dat ziekenhuizen blijven investeren, met Vlaanderen op kop in 2023. Zo ging er 577 miljoen euro naar investeringen, het dubbele van 2022. Een verklaring daarvoor zou de gestegen bouwkost kunnen zijn. Zo nam Vlaanderen ZAS Cadix in gebruik. In Wallonië zien we een daling van 140 naar 114 miljoen euro, omdat het jaar voorheen een groot gebouw opgeleverd werd. Brussel investeerde slechts een vierde van het bedrag van in 2022. De verschuiving van deze cijfers hangt vaak af van de investering van één ziekenhuis tijdens dat jaar. Al liggen investeringen in de volledige sector wat moeilijk omdat er nog geen duidelijkheid is over de hervorming van de ziekenhuisfinanciering.

Kortom, ziekenhuizen hebben het niet eenvoudig. De personeelstekorten en het ziekteverzuim maken de situatie extra uitdagend. Deze analyse noteert een herstel van de sector, met een lichte groei aan activiteit na de covidpandemie. Toch daalt het gemiddelde resultaat, ondanks de financiële steun van overheden. De sector staat op een kantelpunt en wordt financieel steeds fragieler. Het zorglandschap moet robuust zijn, zodat ziekenhuizen zich veerkrachtig kunnen tonen en klaarstaan voor de toekomstige uitdagingen en ontwikkelingen in de sector.

[1] Belfius MAHA sectorstudie 2024, cijfers 2023/2024


Conventiepremie voor verpleegkundigen

Volledig geconventioneerde verpleegkundigen ontvangen van het RIZIV een jaarlijkse financiële tegemoetkoming voor de jaren 2024, 2025 en 2026. Met deze vergoeding speelt het RIZIV in op de oplopende praktijkkosten voor onder meer personeel en energie.

Pas je als verpleegkundige de wettelijke tarieven toe voor de verstrekkingen bij een patiënt, dan reken je vanaf 2024 voor de komende drie jaren op een premie van het RIZIV. Om hiervan te genieten, gelden een aantal voorwaarden. Zo moet je toegetreden zijn tot de nationale overeenkomst verpleegkundigen – ziekenfondsen en dit ten laatste vanaf 15 februari van het premiejaar. Die toetreding moet trouwens gelden voor de rest van dat jaar. Wanneer je na 15 februari pas je RIZIV-nummer ontving, moet je eveneens voor de rest van het jaar volledig geconventioneerd blijven.

Tegelijk stelt het RIZIV voorwaarden rond het aantal prestaties. Enkel verstrekkingen in een ambulante setting komen in aanmerking. Bovendien moet je een minimumdrempel aan verstrekkingen uitvoeren. In 2024 ligt de drempel op 12.446,72 euro en komt de financiële vergoeding uit op 538,66 euro. Verpleegkundigen die in medische huizen onder een forfait werken, komen niet in aanmerking voor de conventiepremie.

Aanvraag en uitbetaling

Voldoe je aan alle voorwaarden, dan betaalt het RIZIV de premie automatisch. Je moet enkel je rekeningnummer doorgeven via ProGezondheid. Dit dient te gebeuren ten laatste op 31 mei van het jaar na het premiejaar. Aangezien de conventiepremie bedoeld is om kosten te compenseren, komt deze mogelijk ten goede van je werkgever. Check dus zeker eventuele interne afspraken, alvorens een rekeningnummer op te geven.

De uitbetaling van de premie hangt af van de beschikbare activiteitsgegevens (profielgegevens). Behaal je op basis van die gegevens al in de eerste jaarhelft de minimumdrempel, dan betaalt het RIZIV de premie uit in januari van het jaar erop. Zijn de data van de tweede jaarhelft nodig om vast te stellen of je de minimumdrempel behaalt, dan volgt de betaling in juli van het volgende jaar. In beide gevallen moet het RIZIV de profielgegevens tijdig ontvangen.

Ben je actief als verpleegkundige en als vroedkundige? Dan zijn alternatieve scenario’s mogelijk voor de uitbetaling. Meer informatie vind je hier.


Breek het ijs

In deze rubriek gaan we op zoek naar  prangende ethische uitdagingen die zich voordoen in de praktijk. Tegelijkertijd ontdekken we welke methodes ons kunnen helpen om deze uitdagingen bespreekbaar en hanteerbaar te maken. We gaan hiervoor te rade bij collega’s in de zorg die dagelijks met ethische vraagstukken worden geconfronteerd.

In de vorige editie stuurde Céline Baele me op pad naar dr. Fleur Helewaut, huisarts in een groepspraktijk in Hooglede-Gits. Die job combineert ze met onderwijs en onderzoek aan de faculteit geneeskunde van de UGent, waar ze verantwoordelijk is voor de lijn ‘Professioneel gedrag’ en het aanleren van communicatievaardigheden. Daarnaast werkt ze aan haar doctoraat over compassievolle zorg, met als titel Harde feiten, zachte zorg.

 

DE UITDAGING

 

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest? 

 

“Medische innovaties staan niet stil”, vertelt Fleur. “We kunnen steeds meer, maar de zorg wordt daardoor ook complexer. Voor zorgverleners is het een uitdaging om die informatie helder en op maat van de patiënt over te brengen, vooral als het gaat om complexe risico’s en kansberekeningen. Daarnaast is er nog een belangrijke uitdaging: blijven ruimte maken voor de beleving van de patiënt en de impact die die informatie op hem heeft.”

Fleur geeft het voorbeeld van genetische testing, iets wat de laatste vijf jaar duidelijk om een andere aanpak vraagt. “Onlangs zag ik een jonge vrouw op consultatie, die bij haar gynaecoloog was geweest om de kinderwens van haar en haar partner te bespreken. Het bleek dat één van hen drager is van een genetische afwijking die het risico op bepaalde kankers verhoogt. Ze was volledig van streek, omdat er bij de gynaecoloog blindelings van uitgegaan werd dat het koppel een traject van pre-implantatiediagnostiek zou volgen. De optie van een spontane zwangerschap werd niet eens genoemd. Ik vond het opvallend hoe vanzelfsprekend dat leek, terwijl een medisch begeleide zwangerschap voor dat koppel helemaal niet evident was. Wat als vooruitgang wordt gezien, kan voor zorgverleners soms een vanzelfsprekendheid worden, gedreven door een medisch denkmodel van maakbaarheid en beheersbaarheid. Deze casus vroeg ook om een andere manier van communiceren, zonder oordeel over goed of fout.”

“Daarom heb ik met de vrouw alle scenario’s doorgenomen”, zegt Fleur. “Wat betekent het bijvoorbeeld als je voor een gewone zwangerschap gaat en een gezond kindje krijgt? Heb je dan ‘geluk’ gehad? Wat als je kindje drager is en later ziek wordt? Of stel dat je kiest voor pre-implantatie, en er blijken geen geschikte embryo’s te zijn? Ook dat geeft geen garantie op succes. We hebben deze scenario’s besproken, niet om een beslissing op te leggen, maar om helder te krijgen wat de boodschap voor hen betekent en wat voor hen echt belangrijk is. Het vereist wel dat ik zelf even op de rem ga staan, want het is erg verleidelijk om een adviserende rol in te nemen. Ik probeer dat heel bewust niet te doen, omdat ik geloof dat mensen zelf moeten kunnen reflecteren en beslissen in lijn met hun eigen waarden.”

 

DE TOOL: I.C.E.

 

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

 

Voor Fleur is het belangrijk om een onderscheid te maken tussen feitelijke communicatie en een gesprek over beleving. “Om informatie op maat te geven, moet je eerst begrijpen hoe iemand iets beleeft en ervaart. Dat bepaalt ook welke informatie ze willen ontvangen. Niet iedereen wil alles weten. Maar wie is de ‘gemiddelde patiënt’? Kunnen we de diversiteit en eigenheid van het individu blijven respecteren?”

Die eigenheid vang je op door te vragen hoe iemand een bepaald gegeven ervaart en vervolgens actief te luisteren. Fleur licht toe: “Door actief te luisteren speel je in op de woorden die mensen kiezen, die vaak een bepaald denkkader verraden. Met gerichte vragen kan je iemand aanzetten tot reflectie en hen laten nadenken over dingen waar ze eerder nooit bij stilstonden. Vaak leidt dit tot inzichten over waarden die voor die persoon belangrijk zijn, iets wat je als zorgverlener niet zomaar zelf kan invullen.”

Voor het koppel in kwestie leidde het nieuws over de genetische aandoening vooral tot verdriet over het feit dat een normale zwangerschap minder vanzelfsprekend werd. “Die vrouw hechtte veel belang aan wat als natuurlijk wordt gezien, iets wat de gynaecoloog, die vasthield aan zijn eigen waardenkader en mensbeeld, over het hoofd zag.”

 

Hoe ga je daarbij te werk?

Fleur hanteert de I.C.E.-methode als basisstructuur voor actief luisteren, waarbij ze peilt naar iemands Ideas, Concerns en Expectations. “Het is een universele manier om inzicht te krijgen in de kennis en beleving van patiënten”, legt Fleur uit. “Maar je moet het wel op een spontane manier kunnen afstemmen op de context.”

Fleur verduidelijkt de I.C.E.-methode met het voorbeeld van de vrouw die moest beslissen over pre-implantatietechniek. “Door te beginnen met de vraag ‘Wat doet het met jou om te weten dat één van jullie drager is van een genetische aandoening?’, kwamen al veel ideeën en achtergrondinformatie naar boven. Dat is de eerste stap: peilen naar Ideas. Ze gaf aan ergens bang voor te zijn, waarmee we bij haar bezorgdheden (Concerns) kwamen. Door verder te vragen, bleek dat het koppel vooral bang was voor afwijzing door anderen als ze voor een natuurlijke zwangerschap zouden kiezen. Toen ik vervolgens vroeg hoe ik haar kon ondersteunen in haar vragen en twijfels over pre-implantatie – waarmee ik peilde naar haar verwachtingen (Expectations) – werd duidelijk dat ze niet op zoek was naar een oplossing. Ze zocht simpelweg een veilige plek om haar twijfels te delen. Als zorgverleners zijn we in de positie om naar die twijfels en bezorgdheden te luisteren. Dat is waar compassievolle zorg om draait: vanuit empathie proberen de ander zo goed mogelijk te begrijpen en hun lijden te verzachten als klankbord en compagnon de route.”

 

WIE VOLGT?


Aan wie wil je de vraag naar ethische uitdagingen en bruikbare tools doorgeven?

Dominique Benoit, intensivist in het UZ Gent, rondde een heel interessante studie af rond therapeutische hardnekkigheid. Zijn verhaal zal jullie lezers zeker boeien.