Bacheloropleiding verpleegkunde in de lift

Volgens de voorlopige inschrijvingscijfers gaat het goed met de bacheloropleiding verpleegkunde. De opleiding op HBO5-niveau scoort wat minder. Dat heeft volgens Vlaamse Zorg- en Welzijnsambassadeur Candice De Windt te maken met de nodige hervorming van de opleiding naar een graduaatsopleiding basisverpleegkunde. En de masteropleiding? “De definitieve cijfers zijn nog niet beschikbaar, maar wanneer we naar de voorbije drie academiejaren kijken, dan is dit steeds stabiel rond de 400 inschrijvingen.”

Verpleegkunde, vroedkunde, logopedie en audiologie en voedings- en dieetkunde zitten als opleidingen in de lift. Zowel wat het aantal instromers als generatiestudent vanuit het secundair betreft, als de zij-instromers. In totaal gaat het om een stijging van 2,30 procent, goed voor in totaal 7.872 studenten verpleegkunde. De hogescholen merken vooral een stijging bij de generatiestudenten en studiestarters in de opleiding verpleegkunde, respectievelijk met 5,37 en 6,09 procent. Daarnaast noteren we dat de studenten vaker uit een ASO-richting komen. Dat is opmerkelijk want in de periode tussen 2010 en 2023 kwamen 31,36 procent van de  bachelor verpleegkundestudenten uit het ASO, 37,04 procent uit het TSO en 8,26 procent uit het BSO.

Wat de masteropleiding verpleegkunde en vroedkunde betreft, zijn er nog geen definitieve cijfers maar weten we dat dit altijd stabiel is. Ter vergelijking: de voorbije dertien jaar volgde 54,97 procent van de leerlingen vooraf ASO, 21,73 procent TSO en 1,03 procent BSO.

En-enverhaal

“Het zijn positieve cijfers”, zegt Candice De Windt. “Er is duidelijk meer aandacht voor de opleidingen in zorg en welzijn. We merken duidelijk dat er in het secundaire onderwijs meer ingezet wordt op promotie voor de opleidingen in zorg en welzijn. Dat kan en moet nog versterkt worden om de instroom te blijven garanderen. Het is hoe dan ook een en-enverhaal. Enerzijds heb je de positieve beeldvorming waar we heel hard op inzetten. Anderzijds investeert Vlaanderen veel in een correcte verloning, een goede work-lifebalance, … Met Careēr als branding promoten we ook de vele kansen die je hebt in zorg en welzijn. Er is een plaats voor elk talent in zorg en welzijn. Daar is de leerladder het beste bewijs van.”

Het inzetten op dat goede imago doet de Vlaamse Zorg- en Welzijnsambassadeur plezier. “Toch moeten we opletten dat we een authentiek beeld scheppen. Het is een fijne job, met veel uitdagingen, met veel afwisseling, met veel kansen op groei en professionalisering en met – wat vaak vergeten wordt – een goede verloning. Maar we moeten ook durven aangeven dat het ook een zware job is, met vaak vele shiften en met vele uitdagingen mentaal en fysiek. Maar we mogen niet vergeten dat elke job, elke functie, elke uitdaging gepaard gaat met ook heel wat verrijkende zaken.”

Instroom vs uitstroom

Instroom is belangrijk. Toch is volgens Candice De Windt retentie het nieuwe goud. “We moeten mensen warm blijven maken om te kiezen, maar ook om te blijven kiezen voor de sector”, zegt ze. “Dat doen we door in te zetten op een gericht personeelsbeleid. De klassieke hiërarchie werkt niet meer. We hebben andere vormen van leiderschap nodig, zet als organisatie in op voldoende autonomie en betrokkenheid. Het loon is belangrijk, maar elke dag tevreden naar je werk gaan is dat ook.”

Kunnen we met deze positieve trend de uitdagingen in de zorg aan? “We moeten niet flauw doen. De uitdagingen die er zijn en nog moeten komen op onze arbeidsmarkt en maatschappelijk omwille van de vergrijzing, zorgen ervoor dat we elke talent nodig hebben. Vandaag staan gemiddeld 2.500 vacatures open voor verpleegkundigen bij de VDAB, toekomstprojecties met betrekking tot de aanwervingsbehoefte van verpleegkundigen tonen alleen maar grotere vraag aan. Het succes van de opleiding zal nog moeten blijven duren om de vergrijzing en stijgende zorgvraag aan te kunnen samen met de vele andere stappen die we met Vlaanderen zetten.”

Bron cijfers: AHOVOKS en Oktobertelling 2024 van de Vlaamse Hogescholenraad


Een crosssectioneel onderzoek naar de persoonskenmerken bij eerste- en laatstejaarsstudenten verpleeg- en geneeskunde in Vlaamstalige onderwijsinstellingen

Interprofessionele samenwerking (IPS) tussen artsen en verpleegkundigen speelt een essentiële rol bij het verbeteren van patiëntenzorg en -uitkomsten. Conflicten en communicatieproblemen, veroorzaakt door traditionele hiërarchieën en verschillen in professionele identiteit, belemmeren evenwel deze samenwerking.

Inleiding

Het belang van effectieve IPS voor de kwaliteit van de zorg wordt algemeen erkend, toch blijft het onderzoek naar de persoonskenmerken van artsen en verpleegkundigen beperkt. Deze kenmerken zijn nochtans belangrijk omdat ze direct invloed hebben op individueel gedrag, communicatievaardigheden en bijgevolg de teamdynamiek. Dit onderzoek richt zich op de identificatie van persoonskenmerken bij verpleeg- en geneeskundestudenten, met als doel aanbevelingen te formuleren voor onderwijs en leiderschap in de gezondheidszorg om zo de IPS en uiteindelijk de kwaliteit van zorg te optimaliseren.

Methode

Via een crosssectioneel onderzoeksdesign werden gegevens verzameld bij 659 eerste- en laatstejaarsstudenten in de opleidingen verpleeg- en geneeskunde. Vijf Vlaamstalige hogescholen en vier universiteiten namen deel. De persoonskenmerken werden gemeten via de NEO Five-Factor Inventory-persoonlijkheidstest (NEO-FFI). De datacollectie vond plaats tijdens het academiejaar ’22-’23 en ’23-‘24 via het platform Qualtrics®.

Resultaten

Er werden drie significante persoonskenmerken geïdentificeerd: neuroticisme, openheid en consciëntieusheid. Verpleegkundestudenten scoorden over het algemeen hoger op neuroticisme en lager op openheid vergeleken met geneeskundestudenten, terwijl eerstejaars verpleegkundestudenten bijkomend een lagere consciëntieusheid toonden ten opzichte van eerstejaars geneeskundestudenten. Via een logistische regressie kon de studiekeuze voorspeld worden aan de hand van dezelfde persoonskenmerken, waarbij gecontroleerd werd op leeftijd, geslacht, woonvorm en stage-ervaring in de gezondheidszorg.

Besluit

Dit onderzoek onderstreept het belang van zelfbewustzijn over persoonlijke kenmerken voor effectievere communicatie en samenwerking binnen zorgteams, wat de patiëntenzorg kan verbeteren. Daarnaast benadrukt het de noodzaak van verder onderzoek naar complexe factoren die samenwerking beïnvloeden, met het oog op het ontwikkelen van effectievere onderwijsstrategieën en interventies met als doel de zorgkwaliteit en patiëntenuitkomsten te verbeteren.

Joyce Refuge heeft een uitgebreide expertise in kwaliteitsmanagement binnen de gezondheidszorg. Momenteel vervult zij de rol van kwaliteitscoördinator in het Algemeen Ziekenhuis Jan Portaels in Vilvoorde. Eerder werkte zij in datzelfde ziekenhuis als stafmedewerker kwaliteit. In het Universitair Ziekenhuis Antwerpen was Joyce actief als stafmedewerker kwaliteit en als kwaliteitscoördinator JACIE/co-stamceltransplantatie op de afdeling hematologie. Gedurende bijna twintig jaar bekleedde ze diverse functies in het Universitair Ziekenhuis Brussel, waaronder als genetisch consulent en fertiliteitsvroedkundige. Academisch heeft Joyce een sterke achtergrond, met een Master of Science in Nursing and Midwifery optie Leiderschap in Zorg en Gezondheid (UAntwerpen), een postgraduaat in genetische counseling (UGent), een banaba Zorgmanagement (EhBrussel) en Bachelor Vroedkunde (EhBrussel). Haar kennis wordt verder ondersteund door opleidingen in projectmanagement en kwaliteitszorg. Joyce behaalde haar masterdiploma, kaderopleiding en diploma vroedkunde telkens met grote onderscheiding en ontving daarbij steeds de grootste onderscheiding voor haar eindproeven.


Anticholinergica in Palliatieve Sedatie: Noodzakelijk of Overbodig?

Door Gianni Wijnants[1] en Professor dr. Johan Wens[2]

Bij palliatieve sedatie kan een ‘doodsreutel’ ontstaan als gevolg van opstapeling van secreties in de keel en de luchtpijp door een verminderde hoestreflex en het terugvloeien van slijmen in de keel. Naast niet-medicamenteuze maatregelen, kan een anticholinerg geneesmiddel nuttig zijn (1).

Anticholinergica blokkeren muscarine receptoren, wat leidt tot een reductie van speeksel- en slijmproductie (2). Hoewel anticholinergica zoals scopolamine en buthylhyoscine bromide (Buscopan) vaak worden gebruikt bij palliatieve sedatie, bestaat de vraag of het gebruik ervan altijd noodzakelijk is of eerder overbodig.

Effectiviteit en evidentie

Onderzoek toont aan dat het profylactisch toedienen van scopolamine effectief is in het voorkomen van de doodsreutel bij patiënten in de laatste levensfase. Er werd geen significant verschil gevonden in het aantal bijwerkingen tussen patiënten die wel of geen scopolamine ontvingen tijdens palliatieve sedatie. Het starten van de behandeling met scopolamine wanneer de doodsreutel al aanwezig is, wordt echter minder ondersteund door wetenschappelijk bewijs. Evidentie toont wel aan dat het gebruik van scopolamine tijdens palliatieve sedatie het overlijden van de patiënt kan vertragen in vergelijking met het niet toedienen van het middel (3).

Het gebruik van anticholinergica houdt echter altijd een risico op bijwerkingen in, waaronder slaperigheid, delirium, hallucinaties, xerostomie en urineretentie. Dit laatste maakt het plaatsen van een verblijfskatheter noodzakelijk. In tegenstelling tot scopolamine zou Buscopan minder kans geven op delirium, gezien het niet doorheen de bloed-hersenbarrière geraakt (1,4).

Hoewel studies hebben aangetoond dat anticholinergica de emotionele last voor naasten en zorgverleners kan verminderen, is er beperkt bewijs dat het daadwerkelijk het comfort van de patiënt zelf verbetert. Het geluid kan voor de omgeving verontrustend zijn, maar wijst niet noodzakelijk op lijden van de patiënt (5-6).

Het verpleegkundige aspect

Verpleegkundigen moeten deze aspecten bespreken met de naasten van de patiënt. Het geluid van de doodsreutel kan namelijk een psychologische belasting vormen voor zowel de naasten als de zorgverleners. Dit leidt vaak tot een medische interventie, zoals het toedienen van anticholinergica, zelfs wanneer het directe effect op de patiënt ongekend is. Verpleegkundigen kunnen niet-medicamenteuze maatregelen toepassen zoals het plaatsen van de patiënt in half-zittende houding, voorzichtige aspiratie van secreties achteraan in de keel, en het beperken van de vochttoediening (4).

Als naasten begrijpen dat de bronchiale secreties een normaal onderdeel vormen van het stervensproces, kan dat hun bezorgdheid verminderen (5,7). Kiezen de naasten voor een  anticholinergicum, dan kan de verpleegkundige de verwachte voordelen en mogelijke bijwerkingen toelichten en de arts informeren.

 

Bronvermelding

  1. Nackaerts, K. (2001). BEHANDELING VAN DOODSREUTEL. InFolia Pharmacotherapeutica (Vol. 28, Nummer oktober, pp. 92–93). https://www.bcfi.be/folia_pdfs/NL/P28N10F.pdf
  2. Zorginstituut Nederland. scopolamine. Beschikbaar op:https://www.farmacotherapeutischkompas.nl/bladeren/preparaatteksten/s/scopolamine
  3. Van Esch HJ, Van Zuylen L, Geijteman ECT, Hoop EOD, Huisman BAA, Noordzij-Nooteboom HS, e.a. Effect of Prophylactic Subcutaneous Scopolamine Butylbromide on Death Rattle in Patients at the End of Life. 5 oktober 2021;326(13):1268. Beschikbaar op:https://doi.org/10.1001/jama.2021.14785
  4. (z.d.). BCFI.https://www.bcfi.be/nl/chapters/1?frag=9990177
  5. Lokker ME, Van Zuylen L, Van Der Rijt CCD, Van Der Heide A. Prevalence, Impact, and Treatment of Death Rattle: A Systematic Review. Journal Of Pain And Symptom Management. 18 juni 2013;47(1):105–22. Beschikbaar op: https://doi.org/10.1016/j.jpainsymman.2013.03.011
  6. Potter J, Korownyk CS. Reducing death rattle at the end of life. Canadian Family Physician. 1 juli 2023;69(7):477. Beschikbaar op: https://doi.org/10.46747/cfp.6907477
  7. Van Esch HJ, Lokker ME, Rietjens J, Van Zuylen L, Van Der Rijt CCD, Van Der Heide A. Understanding relatives’ experience of death rattle. BMC Psychology. 12 juni 2020;8(1). Beschikbaar op:https://doi.org/10.1186/s40359-020-00431-3

[1] Verpleegkundige MSc Wit-Gele Kruis Limburg / NuPhaC

[2] Hoogleraar huisartsgeneeskunde Universiteit Antwerpen, dept. Huisartsgeneeskunde en Sociale Gezondheid (FAMPOP), Eerstelijns- en interdisciplinaire Zorg Antwerpen (ELIZA).


Het NutriWound-project: Optimaliseren van nutritionele zorg bij de preventie en behandeling van decubitus

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Auteurs: Inge Tency1,2, Flore De Vylder1,3, Dimitri Beeckman2,4, Tim Torsy1,2,4

1Opleiding Verpleeg- en Vroedkunde, Odisee Hogeschool

2Universitair Centrum voor Verpleeg- en Vroedkunde, Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Gent

3Vakgroep Bewegings- en Sportwetenschappen, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Gent

4Skin Integrity Research Group (SKINT), Universitair Centrum voor Verpleeg- en Vroedkunde, Vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Gent

Inleiding

Decubitus is een beschadiging van de huid en/of onderliggende weefsels door druk- en schuifkracht, met grote impact op de gezondheid van de zorgvrager1. Een adequate en evenwichtige voeding speelt een sleutelrol in preventie van decubitus, en is op lange termijn ook effectief en kostenbesparend in de behandeling, vooral door het positieve effect op de wondgenezing2,3. Naast een gepaste nutritionele ondersteuning is ook een multidisciplinaire aanpak essentieel om een succesvolle behandeling van decubitus te realiseren.

De implementatie van nutritionele interventies bij decubitus vindt echter moeilijk ingang in de praktijk. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn de hoge werkdruk en personeelstekort4,5 en de strikte organisatie van maaltijden, waardoor gepersonaliseerde maaltijden en aanpassingen in frequentie en tijdstip beperkt mogelijk zijn4. Succesfactoren zijn een gemotiveerde zorgvrager en voldoende kennis en vaardigheden van zorgverleners op vlak van voeding bij decubitus5. Het is momenteel niet duidelijk in welke mate kennis hierover toereikend is bij Vlaamse zorgverleners en wat het huidig voedingsbeleid is bij decubituspatiënten. Daarom werd het NutriWound-project opgestart. Dit project richt zich op het verbeteren van nutritionele zorg bij de preventie en behandeling van decubitus, en onderzoekt welke voedingsinterventies hierin mogelijk een rol kunnen spelen.

Via kwantitatief en kwalitatief onderzoek werd gestart met een (probleem)analyse van de feitelijke zorg met als doel (1) kennis, attitude en praktijk van zorgverleners over voedingsinterventies bij decubituspatiënten in kaart te brengen en (2) obstakels en succesfactoren te identificeren. Dit artikel bespreekt de resultaten van het kwalitatieve onderzoek, gebaseerd op focusgroepsdiscussies met zorgverleners.

Methodologie

De focusgroepen werden gehouden met Vlaamse en Nederlandse zorgverleners die in contact komen met decubituspatiënten. Dit zijn bijvoorbeeld (huis)artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen, verzorgden, verpleegkundig specialisten, diëtisten, logopedisten en ergotherapeuten, die in verschillende werkomgevingen actief zijn, zoals ziekenhuizen, woonzorgcentra, revalidatiecentra of thuiszorg. Zorgverleners werden benaderd via verschillende kanalen, zoals zorginstellingen, professionele netwerken, sociale media en beroepsorganisaties.

Om consistentie te waarborgen over de verschillende discussies heen, werd gebruik gemaakt van een interviewleidraad met een duidelijke structuur. Elke discussie startte met een algemene vraag: “Wat komt er in eerste instantie in u op als u denkt aan voedingsinterventies bij zorgvragers met doorligwonden? Wat zijn uw ervaringen?” Vervolgens werden drie hoofdthema’s besproken:

  • Wat is het huidig beleid rondom voedingsinterventies?
  • Wat is de kennis over nutritionele screening en voedingsinterventies?
  • Wat zijn de lacunes, behoeften, obstakels en succesfactoren?

Alle discussies werden opgenomen en letterlijk uitgeschreven om alle details en nuances van het gesprek goed vast te leggen. De interviews werden meermaals doorgelezen waarbij tekstdelen en concepten die regelmatig terugkwamen werden gemarkeerd. Vervolgens werden de gegevens handmatig gesorteerd en geanalyseerd, waarbij hoofd- en subthema’s werden geïdentificeerd en geïllustreerd met citaten.

De studie werd goedgekeurd door het Ethisch Comité van het Universitair Ziekenhuis Gent (registratienummer B6702024000057). Alle deelnemers hebben vooraf toestemming gegeven voor hun deelname, nadat ze goed geïnformeerd waren over het onderzoek.

In mei en juni 2024 werden vijf digitale focusgroepen gehouden met in totaal 16 deelnemers uit diverse werkomgevingen binnen de gezondheidszorg en met verschillende functies. De deelnemers waren 2 directeurs (werkzaam in woonzorgcentra met verpleegkunde als basisopleiding), 7 verpleegkundigen (waarvan 6 in woonzorgcentra en 1 in de thuiszorg), 3 diëtisten (werkzaam in 2 woonzorgcentra en 1 in een universitair ziekenhuis), 2 logopedisten (in woonzorgcentra) en 2 accountmanagers enterale/medische voeding (in farmaceutische bedrijven). Woonzorgcentra waren met 12 deelnemers de meest vertegenwoordigde setting.

Resultaten

Decubitus

In woonzorgcentra komt decubitus vooral voor bij zorgvragers die erg verzwakt zijn, vaak na een ziekenhuisopname. Verpleegkundigen hebben over het algemeen voldoende kennis over hoe ze decubitus kunnen voorkomen, maar bij andere zorgverleners, zoals diëtisten en logopedisten, is die kennis soms minder aanwezig. Daarom is het belangrijk om iedereen die bij de zorg betrokken is bewust te maken van de risico’s van decubitus en preventieve maatregelen.

Decubituspreventie kan lastig zijn, zeker bij oudere zorgvragers. De nadruk ligt meestal op het voorkomen en vroegtijdig signaleren van problemen, terwijl de rol van voeding minder aandacht krijgt. Screening wordt vaak uitgevoerd met hulpmiddelen zoals de Bradenschaal, maar in woonzorgcentra gebeurt dit doorgaans niet standaard. Het gebeurt vooral wanneer er specifieke aanwijzingen zijn, zoals een verminderde eetlust bij de zorgvrager.

Het is standaard ingebakken bij woonzorgcentra om die preventieve maatregelen heel sterk uit te bouwen, zodat het aantal decubituswonden zeer laag is. …  Er wordt eigenlijk niet zo sterk ingegaan op het mogelijk aanpassen van de voeding. Focus ligt vooral op de manier van wondzorg en preventieve maatregelen. (Deelnemer 1)

Onze wondzorg is momenteel wel redelijk gedaald door onze preventieve aanpak … Ik probeer altijd mijn medewerkers uit te leggen waarom preventie belangrijk is, want preventie zorgt ervoor dat je minder werkdruk hebt. … Maar het feit is dat niet iedereen daarbij stilstaat en dat je soms wel een keer goed moet uitleggen van, we doen het wel daarvoor. (Deelnemer 6)

We werken met alternerende matrassen en zo. Maar door de artrose en contracturen is wisselhouding soms ook heel erg moeilijk. Bewoners blijven of willen niet altijd in wisselhouding liggen om de stuit, schouder of enkels te ontlasten. (Deelnemer 10)

Voeding

Voedingsbeleid: visie en aanpak

Het voedingsbeleid in woonzorgcentra is niet alleen gericht op het voorkomen van decubitus, maar ook op het bevorderen van de algehele gezondheid en het welzijn van zorgvragers. Het is belangrijk om te focussen op het behoud van een goede voedingstoestand van de zorgvrager. Bijkomend wordt benadrukt dat vermageren eigen is aan het verouderingsproces, zeker wanneer er sprake is van dementie. Daarnaast is een holistische en individuele benadering van voeding essentieel, waarbij niet alleen de lichamelijke gezondheid, maar ook de kwaliteit van leven, mentaal welbevinden, comfort, waardigheid en zelfstandigheid van de zorgvrager centraal staan. Hierbij kunnen hulpmiddelen een grote rol spelen.

Wij hebben hier veel dementerende bewoners op onze afdeling, die voeding weigeren, waardoor ze vermageren en de familie heel ongerust is. Nu dat hoort bij het proces en bij het achteruit gaan. Dus wij forceren niet … Het is eigenlijk van bewoner tot bewoner dat we dit evalueren. Is dit nog kwaliteit van leven? Is dit nog nuttig? (Deelnemer 16)

De ergo probeert ook wel de mensen de hulpmiddelen aan te bieden om zo lang mogelijk zelfstandig te eten en te drinken. Omdat dit heel belangrijk is. (Deelnemer 5)

De mensen in hun waardigheid laten. Dat is ook heel belangrijk. … Ik vind ook de hele omgeving belangrijk. Als je een bewoner hebt waar ook de familie mee is en een keer iets extra doet, dat ook de moraal omhoog krikt, dat dit toch allemaal een grote rol speelt bij de genezing. (Deelnemer 11)

We proberen holistisch te kijken en dan gaat het ook verder dan voeding. Dat betekent dat we niet alles gaan oplossen, ook met voeding. (Deelnemer 13)

Misschien ook aandacht voor het comfort voor de patiënt, bijvoorbeeld bij bedlegerige patiënten. Als je een plateau schuift bij een patiënt die plat ligt in bed, dan gaat die uiteraard niet eten … Vooral bij onze patiënten die langer liggen, merken wij ook vaak dat de psyché, depressieve gevoelens ook een heel belangrijke rol kunnen spelen in de intake, dat mogen we zeker ook niet uit oog verliezen. (Deelnemer 3)

Uit de focusgroepen blijkt dat het voedingsbeleid sterk verschilt, afhankelijk van de setting (vb. ziekenhuis, woonzorgcentrum) en de beroepsgroep (vb. verpleegkundige, diëtiste). Vaak ontbreekt een specifieke procedure of protocol, en wordt er vooral gekeken naar het voedingspatroon van de zorgvrager om te bepalen wat het beste voor hem of haar is.

Er is niet echt een beleid, dus eerder van kijk, die bewoner heeft een doorligwonde, wat gaan we doen. (Deelnemer 7)

Het is afhankelijk van wie er hier werkt … Het is afhankelijk van de goodwill van de verzorging. Ze hebben een belangrijke signaalfunctie, maar als dat niet gebeurt … (Deelnemer 5)

Wij merken wel in ons team dat afhankelijk van de afdeling, afhankelijk van de arts, de aanpak wat verschillend is of ze ons [=diëtisten] er al dan niet bij roepen of er al dan niet een graad van de decubitus vermeld wordt. (Deelnemer 3)

Aanpak nutritionele screening

Nutritionele screening gebeurt niet systematisch of gestandaardiseerd in woonzorgcentra (in tegenstelling tot ziekenhuizen). Wanneer er wel gescreend wordt, gebruiken zorgverleners meestal de Mini Nutritional Assessment (MNA). De wisselende aanpak heeft enerzijds te maken met een tekort aan kennis, maar anderzijds wordt ook de nauwkeurigheid van screening bij oudere zorgvragers in vraag gesteld, omdat de gebruikte meetinstrumenten vaak niet afgestemd zijn op deze doelgroep.

Er gebeurt bij elke opgenomen patiënt sowieso een prescreening naar het risico op ondervoeding. Is die positief, dan komt er een diëtiste langs om de effectieve screening uit te voeren. (Deelnemer 3)

Ik moet zeggen over nutritionele screening hebben we nu eigenlijk niet echt heel veel kennis. Zorgkundigen en verpleegkundigen komen wel doorgeven als een bewoner minder eet, daar is wel aandacht voor, zodat we dit kunnen opvolgen. (Deelnemers 8 en 9)

Wij zijn jaren geleden gestart met de MNA screening. Maar als we de screening deden, dan was iedereen ofwel een risicobewoner of ondervoed. En eigenlijk was dat niet het geval. Dus waar wij tegenaan lopen is, dat we nood hebben aan een tool die werkbaar is. … Tot op vandaag is dat niet zo, vandaar dat we ook gestopt zijn met de MNA, omdat het eigenlijk geen zin heeft. (Deelnemer 13)

De voedingsstatus wordt vaak opgevolgd via manieren die verder gaan dan nutritionele screening met een meetinstrument. Dit gebeurt bijvoorbeeld door observatie tijdens maaltijdbegeleiding, zodat personeel en vrijwilligers goed zicht hebben op het eetgedrag van zorgvragers. Zo kunnen problemen tijdig gesignaleerd worden en kunnen de nodige aanpassingen worden doorgevoerd. Soms wordt gestart met een voedingsregistratie op papier of in het dossier. Gewichtscontrole (wekelijks of maandelijks) wordt standaard toegepast om gewichtsverlies vast te stellen, al wordt dit vaak als lastig ervaren, omdat vermageren ook een normaal onderdeel van het ouder worden is. Bijkomend is het niet evident om telkens onder dezelfde omstandigheden het gewicht van de zorgvrager te meten. De gewichtsevolutie geeft wel een algemeen beeld, maar het is belangrijk om te onderzoeken wat de oorzaak is, en daarop in te spelen.

We doen ook altijd een maaltijdobservatie, om dan echt te gaan kijken, wat eet die bewoner bij het ontbijt, bij het avondeten, op de middag? Dat wordt dan een week of twee gemonitord. (Deelnemer 7)

Wij doen een driedaagse voedingsregistratie en kijken wat zijn de knelpunten, wat kunnen we met voeding bereiken? (Deelnemer 5)

Wij hebben maar één weegstoel per afdeling en we hebben drie gangen. Soms is het ook wel moeilijk om consequent te wegen op die manier. Niet Iedereen weet ook goed hoe ze met de weegstoel moeten werken. Je mag bijvoorbeeld je armen niet op de leuning leggen, ze moeten gekruist zijn, want armen op de leuning kan al een gewichtsverschil geven. …  Wij wegen altijd met kleren of schoenen aan. Dit is onze regel, maar dat is niet altijd evident. (Deelnemer 15)

Als het meer dan 5% verschilt, dan wordt een aandachtspunt gegeven. Dan moeten we inderdaad kijken of dat de weegschaal wel op nul stond. Dat het juist gemeten is. Soms is dat ook vocht ophouden in de zomer of een week griep had en inderdaad vermagerd. Dan linken we dit wel. (Deelnemer 16)

Verrijken van voeding

Zorgverleners erkennen dat voeding een belangrijke rol speelt bij de behandeling van decubitus. In de focusgroepen werd duidelijk dat het verrijken van voeding vaak de eerste stap is, wanneer oudere zorgvragers minder eten of vermageren. Dit gebeurt vooral met eiwit- en energierijke poeders die aan soep, yoghurt, puree, enz., worden toegevoegd, maar ook via eiwitrijke dranken of pudding. Dit zou eigenlijk al preventief moeten gebeuren, nog vóór er sprake is van decubitus. Voldoende vochtinname is ook van belang. Daarnaast is het belangrijk om de nierfunctie, het stoelgangpatroon en de mogelijke interacties met medicatie in het oog te houden, zeker wanneer er bijvoeding wordt opgestart.

Als je gaat kijken naar voedingsinterventie dan moet daar eigenlijk al veel eerder mee gestart worden, voordat je überhaupt een wonde hebt. Als er onvoldoende vocht zit in de cellen, dan heb je veel meer kans op een doorligwonde. … Op een bepaalde leeftijd of in bepaalde situaties, moet er meer aandacht gaan naar beweging en voeding. (Deelnemer 10)

Wij doen vaak eiwitpoeder in de soep, omdat het inderdaad geen extra product is dat men moet innemen en dat bewoners dan onbewust hun eiwitten innemen. We hebben ook veel bewoners die plots geen vlees meer moeten hebben, maar wij bieden dan wel eitjes aan bij het middageten of vis. (Deelnemer 16)

Bij sommige bewoners moeten we natuurlijk ook wel opletten hoe de nierfunctie is. Je hebt niet altijd de vrije keuze wat te doen, ook met medicatie, de multimedicatie die zij nemen, dat dit eigenlijk ook een grote rol speelt. (Deelnemer 11)

Opstarten van bijvoeding

Bijvoeding wordt meestal pas opgestart als er sprake is van decubitus, maar soms gebeurt het ook preventief bij een verhoogd risico. In een woonzorgcentrum informeert de hoofdverpleegkundige of afdelingsverantwoordelijke de huisarts over het gewichtsverlies en verminderd eetpatroon van de zorgvrager. Soms wordt ook gevraagd om een bloedafname te doen of het medicatieschema te bekijken. Uiteindelijk is het de huisarts die beslist of bijvoeding nodig is. In de thuissituatie wordt aan de huisarts gevraagd om langs te komen.

Wij geven pas de bijvoeding als er een doorligwonde is. Meestal is dit als ze van het ziekenhuis terugkomen en wij blijven wel die eiwitrijke drankjes geven tot 3 maanden na genezing. (Deelnemers 8 en 9)

In eerste instantie werd bijvoeding opgestart als er doorligwonden zijn, maar nu is die visie toch wel wat aan het veranderen. Van zodra we zien dat de bewoner heeft toch wel wat neiging of risico op doorligwonden heeft, dan gaat er preventief gehandeld worden. (Deelnemer 7)

In een woonzorgcentrum luister de huisarts vaak naar de hoofverpleegkundige, die band is meestal ook wel redelijk goed, omdat ze elkaar al jaren kennen. … Hij ontvangt toch wel een vrij precieze omschrijving van wat bewoners wel of niet eten. Dus de vraag of er gestart mag worden [met bijvoeding] is dus eerder retorisch. (Deelnemer 1)

We proberen met de huisarts in contact te blijven en te vragen regelmatig langs te komen. We vragen advies aan de huisarts voor vitamines en andere interventies om het eetpatroon te verbeteren. Maar als de huisarts zelf geen initiatief neemt, dan is het voor ons soms heel moeilijk. (Deelnemer 2)

Bij zowel het verrijken van voeding als het geven van bijvoeding is het belangrijk om regelmatig op te volgen en tussentijds te evalueren, zodat er tijdig kan bijgestuurd worden. Multidisciplinaire samenwerking (en gedeelde verantwoordelijkheid) zijn hierbij van belang (zie succesfactoren).

Aankoop van voedingsproducten

Uit de focusgroepen blijkt dat het aankoopbeleid sterk verschilt tussen instellingen. Het is niet altijd duidelijk wie verantwoordelijk is voor de aankopen. Soms wordt dit gedaan door de instelling zelf, de chef-kok, de cateraar, de diëtist, de directeur, de aankoopdienst, of zelfs direct via het farmaceutisch bedrijf, de apotheek of de familie.

De aankoop van voedingsproducten wordt altijd in samenspraak met onze chef-kok gedaan. We hebben maandelijks ons beleidsteam om te zien wat we missen … De chef-kok kijkt wat er nog in de ligdagprijs kan, waar nog een extraatje kan voorzien worden. (Deelnemer 6)

Het kan zijn dat het de diëtisten zijn die bestellen, of dat dit de logo of hoofdverpleegkundige is. Het kan ook iemand zijn die totaal niks met voeding te maken heeft, zoals een directeur of aankoopmanager. Het is dus heel uiteenlopend. (Deelnemer 4)

Betrokkenheid van de zorgvrager en familie

Het is belangrijk om familie van zorgvragers te betrekken bij beslissingen over voeding. In woonzorgcentra worden zij geïnformeerd via informele gesprekken, familieraden of infokrantjes. De familie speelt een grote rol, zowel als informatiebron over de voedingsgewoonten van de zorgvrager, als observator tijdens de maaltijd. Wanneer opstart van bijvoeding nodig is, wordt dit doorgaans met de familie besproken. Hun attitude en het financiële aspect (zie obstakels) zijn hierbij bepalend.

De familie is ook betrokken partij en uiteraard steunen ze wel of soms zeggen ze ook het hoeft niet meer of het hoeft wel nog en dan kan je wel eens starten met bijvoeding, dus de familie of de mantelzorger is wel een betrokken partij in het verhaal. (Deelnemer 1)

Als het over bijvoeding gaat, dan wordt dit eigenlijk altijd eerst besproken met de familie, omdat dit toch wel prijzig is. (Deelnemers 8 en 9)

Wij zijn in de thuissituatie afhankelijk van de samenwerking met de familie. Als die samenwerking goed is, dan kunnen we tot prachtige resultaten komen. (Deelnemer 2)

Vooral bij personen met dementie is het ook belangrijk hoe de verhouding is met de familie, want zij zijn van heel veel zaken op de hoogte. Zij kennen de voedingsgewoonten van hun mama of papa. Het is heel belangrijk dat we daarrond info krijgen en dat deze wordt meegenomen. (Deelnemer 5)

Ik zie vaak dat de familieleden zelf ook observators zijn, dat zij soms ook wel de eerste persoon zijn die zeggen van, ze is vermagerd of we moeten opletten of ze eet wat minder. … Wij hebben heel wat familieleden die als vrijwilliger komen helpen bij de maaltijden. Zij merken soms ook wel meer zaken op. (Deelnemer 6)

Ook de betrokkenheid en inspraak van de zorgvrager zelf is van belang. Dit gebeurt door in gesprek te gaan, bijvoorbeeld via anamnese, bewonersraden, werkgroepen over maaltijdzorg, zodat hun wensen en voorkeuren kunnen worden meegenomen. Het erkennen van de autonomie, zelfstandigheid en waardigheid van de zorgvrager staat centraal. Uiteindelijk hangt alles af van de medewerking van zorgvragers en hun bereidheid om eten. Daarnaast kunnen taalbarrière en culturele voedingsgewoonten een rol spelen.

Ik denk dat het even belangrijk is om met bewoners in gesprek te gaan. Of het nu oudere zorgvragers zijn of niet, zolang ze wilsbekwaam zijn en zolang ze hun mening kunnen uiten, is het belangrijk dat je de moeite doet om de uitleg naar hen te doen. En ook wel eens te luisteren hoe zij het zien, soms geven ze zelf ook heel veel oplossingen of antwoorden op vragen. (Deelnemer 6)

Dwang werkt nooit. Je moet het niet nemen, maar je mag het nemen. … Dus de keuze voor zover mogelijk bij de patiënt laten. … Als je zegt van, als je dit gebruikt, dan kan dat een gunstig effect hebben voor je genezing. Zou je dat willen? … Het gaat om autonomie. (Deelnemer 10)

Je moet rekening houden met de thuissituatie wensen, gewoonten overtuiging. En dan ook wel een beetje ingaan tegen vooroordelen. Heel vaak is het van, ah bijvoeding, het is toch zwaar, het is niet lekker, er ook een beetje tegenin gaan, informeren en motiveren. Waarom doen we het? (Deelnemer 3)

Als de bewoners niet de appetijt of niet meer de moed hebben om te eten, dan stuit je tegen een muur, hé. Dan kan je veel dingen proberen, maar op een keer stopt het wel. (Deelnemer 11)

Obstakels, behoeften en succesfactoren

Obstakels

Verpleegkundigen weten goed hoe ze decubitus kunnen voorkomen en behandelen, maar hun kennis over het belang van voeding, als een bredere factor, is vaak beperkt. Andere zorgverleners, zoals logopedisten, ergotherapeuten en diëtisten, hebben vaak minder kennis over deze preventiemaatregelen. Wat betreft (onder)voeding en aanvullende voedingsbehandelingen, ligt de expertise voornamelijk bij diëtisten, terwijl de kennis bij huisartsen en verpleegkundigen hierover vaak ontoereikend is. Algemeen is er nood aan een bewustwording over het belang van voeding in het genezingsproces. Specifieke richtlijnen zijn niet door iedereen gekend of ontbreken.

Het is raar dat er nooit wordt gekeken naar voeding en de genezing van doorligwonden, hoe logisch het ook is, dat dit wel met elkaar te maken heeft. Vandaar dat er veel vraag is naar bijscholing. (Deelnemer 10)

Ik denk dat de kennis zeker nog heel wat beter kan, het belang van voeding wordt soms nog niet ingezien. Of ook dat er te laat gemeld wordt, dat er iets niet goed loopt of dat er iets moet aangepast worden aan de voeding. Of dat ze ook niet op de hoogte zijn van wat er allemaal kan of wat er in het aanbod is. (Deelnemer 14)

Een tweede obstakel is het personeelstekort en bijkomend wisselend personeel, waardoor het in combinatie met een hoge werkdruk niet altijd evident is om aandacht te hebben voor (onder)voeding of om bijvoorbeeld de organisatie van maaltijden aan te passen. Dus ook hier is sensibiliseren van personeel, net zoals bij decubituspreventie, van belang.

Ik ben er mij wel van bewust dat er daar bij ons wel meer vorming kan rond gegeven worden, want we hebben de laatste tijd heel veel instroom en uitstroom onder het personeel, daardoor personeelstekort en dat maakt het er allemaal niet gemakkelijker op. De mensen zijn allemaal met andere dingen bezig en dan blijven die zaken een beetje liggen. (Deelnemer 12)

De kostprijs van bijvoeding is een derde obstakel dat naar bovenkwam tijdens de focusgroepen. Verrijking van voeding is meestal inbegrepen in de ligdagprijs, maar bijvoeding is ten laste van de zorgvrager. Het is van belang om rekening te houden met de financiële draagkracht van de zorgvrager/familie en met hen in dialoog te gaan. De prijs kan gedrukt worden door eerst te starten met verrijking van voeding of evt. te werken met sportsupplementen.

Ik merk ook vaak dat het voor patiënten een hindernis is om bijvoeding in te nemen voor de prijs, want er is geen terugbetaling. Ze moeten thuisverpleging betalen. Ze moeten wondzorg betalen en het wondzorgmateriaal is ook niet goedkoop. En dan komt de bijvoeding er nog eens extra bij. (Deelnemer 4)

Bijvoeding wordt door de bewoners zelf betaald. Vervangvoeding vervangt de maaltijd en wordt door de organisatie betaald. We zien wel dat bepaalde producten inderdaad duurder zijn en dat we daarover soms wel opmerkingen krijgen. Vandaar dat we dan eigenlijk zijn beginnen zoeken naar alternatieven, gebruikt in de sportwereld, die een stuk goedkoper zijn. (Deelnemer 13)

Behoeften

Er is een duidelijke behoefte aan meer opleiding en informatie over (onder)voeding en de rol bij decubitus. Daarbij is het belangrijk om niet alleen zorgverleners, maar het volledige team – van logistiek, poetsdienst tot keuken – te betrekken.

Bij het ontbijt helpt onze poetsdienst mee, ze zijn ook wel op de hoogte en weten van deze bewoner heeft die specifieke voeding. Als we opleiding geven over bijvoorbeeld voeding, dan betrekken we het hele team, zelfs de poetsdienst. Wij zijn één team. Zij delen ook eten uit en observeren bewoners en komen het ook aan ons melden. (Deelnemers 8 en 9)

Verder wordt aangegeven dat het belangrijk is een diëtist op de afdeling te hebben om het voedingsbeleid goed af te stemmen. In sommige woonzorgcentra is een diëtist werkzaam, of komt deze langs op zelfstandige basis. Dit is echter geen standaard praktijk.

Ik kom ook in heel veel instellingen waar geen diëtiste in dienst is, soms ook zelfs geen logo. Dan merk ik toch wel dat het heel moeilijk is om dat voedingsbeleid echt op peil te krijgen. Omdat er ook weinig kennis is, ook heel veel onzekerheden en vragen, van ja, doe ik het wel goed of wat kan ik doen? (Deelnemer 4)

Een diëtiste hebben wij niet in huis, dat is wel jammer en eigenlijk heel erg nodig Maar daar is blijkbaar geen budget voor. Daar wordt in woonzorgcentra veel te weinig op ingezet, vind ik. (Deelnemer 11)

Wat er voor een woonzorgcentrum nog interessant zou zijn, is om op regelmatige basis adviezen te krijgen van een diëtiste. (Deelnemer 1)

Succesfactoren

De context en omgeving zijn van belang om een voedingsbeleid tot een succes te maken. Een goede organisatie van de maaltijden speelt hierbij een grote rol. Het gezamenlijk eten in een gemeenschappelijke ruimte, in plaats van op de kamer, is een belangrijke succesfactor. Dit maakt het mogelijk om zorgvragers beter te observeren en zorgt voor een gezellige sfeer. Het spreiden van de maaltijden over de dag is ook belangrijk, al kan dit lastig zijn in grote woonzorgcentra. Wanneer zorg en maaltijden beter op elkaar zijn afgestemd, heeft dit een positief effect op de eetlust van zorgvragers. Ook kleine porties en aantrekkelijke presentatie van de voeding kunnen de eetlust bevorderen. Een interne keuken maakt het makkelijker om de maaltijden aan te passen aan de wensen van de zorgvragers, wat vaak lastiger is met een externe cateraar of een grootkeuken.

Bewoners zitten allemaal samen in de leefzaal. Je merkt echt dat de bewoners meer gaan eten, omdat ze elkaar ook zien eten, dat de sfeer ook beter is en ook voor het zorgpersoneel is het veel gemakkelijker, je merkt sneller op als iemand minder eet of als het moeilijker gaat. (Deelnemer 14)

Ik denk nog gewoon aan het feit, dit staat los van decubitus, maar de manier waarop voeding gepresenteerd wordt, is natuurlijk ook bepalend voor wat men eet. Ook de context bijvoorbeeld, met wie zit je aan tafel, de contacten, maar ook de omgeving, is het huiselijk, is het aangenaam , is het gezellig, zijn er niet teveel prikkels, enz. … Dus daar zou ik heel sterk op inzetten, op context en omgeving, de omstandigheden waarin je eet. (Deelnemer 13)

Er is soep en een maaltijd, maar ze eten te weinig, omdat het teveel en te dicht bij elkaar is. … Het eten zo aantrekkelijk mogelijk maken, ook kleine porties geven, zodat het te overzien is. Dan beginnen bewoners er ook beter aan. (Deelnemer 11)

Een multidisciplinaire samenwerking is essentieel voor een effectief voedingsbeleid. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van verpleegkundigen, zorgkundigen, logopedisten, diëtisten, huisartsen, wondzorgverpleegkundigen, keuken- en logistiekpersoneel, en directie. Succes hangt af van een duidelijk trekkersfiguur, goede communicatie en ondersteuning, vorming en training. De trekkersrol kan opgenomen worden door een logopedist, een diëtist, een teamverantwoordelijke of coach, een hoofdverpleegkundige of een verpleegkundige. Interne communicatie gebeurt doorgaans via verschillende kanalen zoals dossiers, opvolgbladen, dieet observatiebladen, of briefings, maar wordt niet altijd optimaal benut. Ook een goede externe communicatie is van belang, bijvoorbeeld bij de transfer tussen woonzorgcentrum en ziekenhuis of omgekeerd.

Als je bijvoorbeeld iemand kan ondersteunen of laten bijscholen, dat dit op zich niet altijd een logo of een diëtiste moet zijn, maar dat er gewoon ook iemand is die trekker wordt, we gaan dat hier eens in handen nemen, hoe gaan we dat doen, wat hebben we nodig? Oké, ja, dat is iets van lange adem natuurlijk. Maar het is wel mogelijk als er zich iemand daarvoor engageert. (Deelnemer 6)

Er is bij ons bij het personeel wel veel affiniteit met voeding. Binnen het kleinschalig genormaliseerd wonen is koken een belangrijk onderdeel, dat is eigenlijk een bevoegdheid voor iedereen. Dit wil zeggen dat men van de schoonmaak tot de verpleegkundige of hoofdverpleegkundige aan de kookpotten kan staan. Voeding is eigenlijk heel sterk verweven in onze werking. (Deelnemer 13)

Discussie en conclusie

Zorgverleners erkennen het belang van voeding in de behandeling van decubitus, maar kennis en beleid verschillen sterk per setting en beroepsgroep. Uit ons kwantitatief onderzoek blijkt dat diëtisten meer kennis hebben over voeding bij wondheling dan verpleegkundigen6. Dit werd ook bevestigd in de focusgroepen: verpleegkundigen hebben vooral kennis over decubitus en minder over voeding. Diëtisten, met hun specifieke opleiding, hebben een beter inzicht in calorie- en eiwitbehoeften. Daarom is voedingsgerichte training voor verpleegkundigen belangrijk4. Bij andere beroepen (zoals logopedisten en ergotherapeuten) is kennis over decubitus eerder beperkt. Voor hen is gerichte scholing op maat nodig.

Het voedingsbeleid wordt doorgaans consistenter toegepast in ziekenhuizen in vergelijking met thuiszorg en woonzorgcentra. Dit kan mogelijks verklaard worden door de beschikbaarheid van protocollen en meer middelen6. In woonzorgcentra speelt echter ook een andere visie op voeding een rol. Er wordt gewerkt met oudere zorgvragers, bij wie voeding complex is door een combinatie van fysieke, psychologische en sociale factoren. Gebits- en slikproblemen, eenzaamheid en depressie beïnvloeden bijvoorbeeld de eetlust en motivatie om te eten7,8. Bestaande meetinstrumenten voor nutritionele screening zijn dan ook onvoldoende afgestemd op deze doelgroep. Tijdens de focusgroepen werd het belang van een breed voedingsbeleid benadrukt, waarbij de focus niet alleen op decubituspreventie ligt, maar ook op het behoud van een goede voedingstoestand. Een holistische, individuele aanpak, die uitgaat van het voedingspatroon van de zorgvrager, is hierbij belangrijk. Omwille van bovenstaande factoren ontbreken vaak specifieke procedures of protocollen in woonzorgcentra, wat de implementatie van voedingsinterventies bemoeilijkt.

Naast een gebrek aan kennis over de rol van voeding bij wondheling zijn er andere obstakels die goede voedingszorg beïnvloeden. Net zoals in andere studies4,8 blijkt dat personeelstekort en een hoge werkdruk ervoor zorgen dat de tijd beperkt is om voedingsvoorkeuren van zorgvragers te bevragen of om gepersonaliseerde voedingsbegeleiding te geven. Daarnaast vormt de kostprijs van bijvoeding een probleem, omdat deze vaak door de zorgvrager zelf moet betaald worden. De financiële situatie van de zorgvrager speelt hierbij een grote rol. Het is daarom belangrijk om samen met de zorgvrager en diens familie naar oplossingen te zoeken. Bijvoeding wordt in België niet terugbetaald, in tegenstelling tot andere Europese landen waarbij dit op voorschrift van een arts of diëtiste (vb. in Nederland) wel het geval is.

Een succesvolle aanpak voor een effectief voedingsbeleid vraagt om een multidisciplinaire samenwerking. Hoewel een duidelijke coördinator en goede communicatie belangrijk zijn, is het essentieel dat alle betrokkenen hun verantwoordelijkheid opnemen. Het volledige team, van zorgverleners tot logistiek en keukenpersoneel, moet daarom betrokken worden bij vorming en training. Een belangrijke samenwerking is die tussen verpleegkundigen en diëtisten. Door hun gezamenlijke inspanningen kunnen voedingsplannen en resultaten bij decubituspatiënten aanzienlijk verbeteren6. Toch blijkt uit de focusgroepen dat diëtisten niet standaard aanwezig zijn in woonzorgcentra. Ook in de thuiszorg worden ze niet systematisch ingeschakeld. Externe consulten van diëtisten brengen daarenboven extra kosten met zich mee voor de zorgvrager6. Diëtisten zouden standaard deel moeten uitmaken van de nutritionele zorg in woonzorgcentra en thuis bij de zorgvrager. Financiële ondersteuning is daarom noodzakelijk om zo voedingszorg betaalbaar en toegankelijk te houden voor iedereen.

Implicaties voor de praktijk

Onze resultaten tonen een aantal uitdagingen in de preventie en behandeling van decubitus, waarbij een integrale aanpak nodig is om de zorg voor decubituspatiënten te verbeteren. Zorgverleners hebben extra opleiding nodig over de rol van voeding bij het voorkomen, behandelen en genezen van decubitus. Daarnaast is een helder en samenhangend voedingsbeleid binnen zorginstellingen essentieel, met betrokkenheid van alle actoren (o.a. artsen, verpleegkundigen, zorgkundigen, diëtisten, logopedisten, apotheek, keuken en logistiek personeel, directie, familie, zorgvragers en patiënten, enz.). Belangrijke aandachtspunten zijn interdisciplinaire samenwerking, de expertise van diëtisten en gestandaardiseerde richtlijnen. Om dit te realiseren, zijn beleidsmaatregelen nodig, zoals financiële en organisatorische ondersteuning en terugbetaling van bijvoeding. Tot slot kunnen beslissingsondersteunende hulpmiddelen een veelbelovende oplossing bieden, met name in wondzorgmanagement9. Door in deze tools ook voedingsparameters mee te nemen, wordt een meer holistische en gepersonaliseerde zorg mogelijk, wat de uitkomst voor decubituspatiënten aanzienlijk kan verbeteren.

 

Voor bijkomende vragen of informatie kun je de onderzoekers contacteren via tim.torsy@odisee.be.

Referenties

  1. Li Z, Lin F, Thalib L Chaboyer W (2020) Global prevalence and incidence of pressure injuries in hospitalised adult patients: A systematic review and meta-analysis. International journal of nursing studies 105, 103546.
  2. Saeg F, Orazi R, Bowers GM Janis JE (2021) Evidence-Based Nutritional Interventions in Wound Care. Plastic and reconstructive surgery 148, 226-238.
  3. Ghaly P, Iliopoulos J Ahmad M (2021) The role of nutrition in wound healing: an overview. British journal of nursing (Mark Allen Publishing) 30, S38-S42.
  4. Eide HD, Halvorsen K Almendingen K (2015) Barriers to nutritional care for the undernourished hospitalised elderly: perspectives of nurses. Journal of clinical nursing 24, 696-706.
  5. Taylor C, Mulligan K McGraw C (2021) Barriers and enablers to the implementation of evidence-based practice in pressure ulcer prevention and management in an integrated community care setting: A qualitative study informed by the theoretical domains framework. Health & social care in the community 29, 766-779.
  6. De Vylder, F., Tency, I., Beeckman, D., & Torsy, T. (2024). Knowledge, attitudes and practices of healthcare professionals in nutritional management of patients with pressure ulcers: an online survey in Flanders and the Netherlands. Ongepubliceerd manuscript, Odisee Hogeschool, Universiteit Gent.
  7. Harris PS, Payne L, Morrison L et al. (2019) Barriers and facilitators to screening and treating malnutrition in older adults living in the community: a mixed-methods synthesis. BMC family practice 20, 100.
  8. Hestevik CH, Molin M, Debesay J et al. (2019) Healthcare professionals’ experiences of providing individualized nutritional care for Older People in hospital and home care: a qualitative study. Bmc Geriatr 19, 317.
  9. Dabas M, Schwartz D, Beeckman D Gefen A (2023) Application of Artificial Intelligence Methodologies to Chronic Wound Care and Management: A Scoping Review. Advances in Wound Care 12, 205-240.


Navigeren door taalbarrières in de zorg

Dit is een onderzoek naar de kwaliteit van communicatie tussen anderstalige patiënten en verpleegkundigen op het operatiekwartier. Het onderzoek richt zich op het thema ‘kwaliteit van zorg en ondernemerschap’, met als doel de zorgkwaliteit te verbeteren door taalbarrières tussen anderstalige patiënten en verpleegkundigen te overbruggen. Via een diepgaande analyse werd gezocht naar concrete acties om de zorg voor een diverse patiëntenpopulatie te optimaliseren.

Doel

De kwaliteit van zorg verbeteren via specifieke acties die de communicatie tussen anderstalige patiënten en zorgverleners in de operatiezaal optimaliseren.

Methode

Het onderzoek naar verbeteracties is gebaseerd op een PICO-model en richt zich op strategieën voor een betere communicatie met anderstalige patiënten op het operatiekwartier. De literatuurstudie gebruikte wetenschappelijke databases zoals PubMed, met zoektermen als ‘translation apps’, ‘language barrier’, en ‘hospital’. Dit leverde artikels op die dienden als basis voor twee belangrijke verbeteracties: de implementatie van een vertaalapplicatie en het gebruik van een zakboek met communicatierichtlijnen. Daarnaast werden interviews met zorgverleners afgenomen om praktijkuitdagingen te identificeren.

Resultaten

De verbeteracties richten zich op het optimaliseren van de communicatie met anderstalige patiënten in de operatiezaal door de invoering van een vertaalapp en een zakboek met communicatierichtlijnen. De eerste actie betreft de implementatie van de vertaalapp SayHi. Die is effectief gebleken in het verbeteren van communicatie, het verminderen van afhankelijkheid van tolken en het verminderen van angst bij patiënten (Albrecht et al., 2013; Hwang et al., 2021). In tegenstelling tot Google Translate, dat onnauwkeurigheden vertoont in medische contexten (Taira et al., 2021), wordt SayHi aanbevolen vanwege zijn betrouwbaarheid en positieve ervaringen van zorgverleners.

De tweede actie introduceert een zakboek voor verpleegkundigen met richtlijnen voor het gebruik van tolken of vertaalapps en met vertaalde zinnen voor dagelijkse communicatie. Professionele tolken zijn het meest effectief voor patiënttevredenheid en veiligheid (Heath et al., 2023; Joseph et al., 2018), maar tweetalige medewerkers en telefonische tolken zijn een goed alternatief als professionals niet beschikbaar zijn (Squires, 2018). Het gebruik van familieleden als tolken wordt afgeraden vanwege risico’s op onnauwkeurige vertalingen en privacyverlies (Villarruel et al., 1999; Squires, 2018).

Conclusie

Uit de literatuurstudie blijkt dat verschillende strategieën toepasbaar zijn om de communicatie met anderstalige patiënten in het operatiekwartier te verbeteren. Professionele tolken genieten de voorkeur, omdat zij de patiënttevredenheid, communicatie en klinische resultaten aanzienlijk verbeteren (Heath et al., 2023; Joseph et al., 2018). In situaties waarin professionele tolken niet beschikbaar zijn, kunnen vertaalapps zoals SayHi een nuttig alternatief vormen (Albrecht et al., 2013; Hwang et al., 2021), hoewel de nauwkeurigheid van deze technologieën beperkt kan zijn, vooral in kritieke situaties (Panayiotou et al., 2019). Daarnaast kan het toewijzen van tweetalig personeel helpen om de communicatie te verbeteren zonder extra belasting van het personeel. Een combinatie van professionele tolken, vertaalapps en richtlijnen voor communicatie biedt verpleegkundigen effectieve tools om taalbarrières te overwinnen en de zorgkwaliteit voor anderstalige patiënten te verbeteren. Een zakboek met communicatierichtlijnen kan hierbij een waardevol hulpmiddel zijn voor de dagelijkse praktijk.

Ik ben Pauline Cloetens, 23 jaar en een enthousiaste verpleegkundige in het operatiekwartier van het UZ Leuven. Ik heb een passie voor dieren, koken en reizen. In mijn vrije tijd geniet ik van familie, terrasjes en de zorg voor mijn twee katten. Mijn sociale en betrokken karakter helpt me om patiënten de best mogelijke zorg te bieden, iets waar ik elke dag voldoening uit haal. Deze bachelorproef vormt het einde van mijn opleiding aan de UCLL in Leuven en is gebaseerd op ervaringen tijdens mijn stage op het operatiekwartier van het UZ Leuven.


Is zorgkundige aansprakelijk voor foute medicatiefiche?

Een zorgkundige uit een woonzorgcentrum moest zich voor de Brusselse correctionele rechtbank verantwoorden voor het overlijden van een bewoonster. Ze schreef een voorschrift foutief over op de medicatiefiche in het dossier. Een wekenlange overdosering van de ontstekingsremmer Ledertraxate werd de bejaarde vrouw fataal. Het vonnis, initieel voorzien voor 1 oktober, werd uitgesteld. In afwachting daarvan grijpt NETWERK VERPLEEGKUNDE deze zaak graag aan om het kluwen rond de aansprakelijkheid van zorgkundigen (en verpleegkundigen) voor je te ontwarren.

Het strafrechtelijke luik

Is dit voorval strafbaar? Volgens het huidige strafwetboek is er geen ‘verschoonbare vergissing’ gebeurd. Het gaat hier om onopzettelijke doding veroorzaakt door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zonder het oogmerk om te doden. “Naar mijn mening kan de zorgkundige geen ernstig gebrek ten laste worden gelegd”, zegt prof. dr. Jan Vande Moortel, expert binnen de Juridische Adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE. “Normaal moest de bewoonster op een andere afdeling opgenomen worden, maar het hoofd van die afdeling was ziek en de vervanger ook. De zorgkundige deed daarom uitzonderlijk de intake en zette een kruisje in het verkeerde vakje op de medicatiefiche. Het overlijden dat veroorzaakt werd, mag niet gebruikt worden om de ernst van de fout te beoordelen.”

Burgerlijke aansprakelijkheid

Het tweede juridische vraagstuk gaat over de burgerlijke aansprakelijkheid. Wie moet een schadevergoeding betalen voor de toegebrachte schade? “De burgerlijke wetgeving verandert op 1 januari 2025”, legt Jan uit. “Dossiers die de rest van het jaar nog zouden ontstaan, zullen sowieso pas in het nieuwe jaar voorkomen. Ik leg de focus dus graag op de nieuwe wetgeving. Daar ontstaat een fout zodra je een wettelijke bepaling schendt.”

De vraag is dus: heeft een zorgkundige de bevoegdheid om een voorschrift van een ziekenhuis op een medicatiefiche te schrijven? Aangezien een zorgkundige wettelijk gezien enkel in het dossier mag noteren wat ze zelf mag doen, is dat niet het geval. “Dat maakt de zorgkundige in dit verhaal vanaf 1 januari aansprakelijk, want er is een wettelijke bepaling geschonden door het noteren in het dossier. Indien het ging om een toegelaten handeling waardoor schade was veroorzaakt, hadden de advocaten ruimte voor discussie.”

Wie kan nog aansprakelijk gesteld worden?

Het is interessant om te bekijken wie nog aansprakelijk gesteld kon worden.

  • De verpleegkundige moest, op basis van haar deskundigheid, aan de alarmbel hebben getrokken door de dagelijkse toediening van Ledertraxate. Uit het verslag blijkt evenwel onvoldoende of ze dit deed. Er is dus geen duidelijke persoonlijke fout die de verpleegkundige verantwoordelijk stelt.
  • De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de daden van zijn werknemers. In die zin kan het woonzorgcentrum aansprakelijk zijn voor de fouten van de zorgkundige.
  • De hoofdverpleegkundige kan burgerlijk aansprakelijk zijn voor fouten van de zorgkundige, als er rechtstreeks toezicht was. Aangezien die niet in dezelfde ruimte was toen de medicatie werd overgeschreven, is dit hier niet van toepassing.
  • De huisarts van de bejaarde vrouw kon wel mee aansprakelijk gesteld worden, hij heeft de medicatiefiche nagekeken en gevalideerd. Bovendien heeft hij de patiënt twee keer bezocht, geen bloedonderzoek gedaan omwille van de slechte toestand van de vrouw en twee nieuwe voorschriften voor Ledertraxate uitgeschreven.

Dek jezelf in

“Het goede nieuws is dat het, zeker op strafrechtelijk vlak, voor zorgkundigen en verpleegkundigen beter wordt na de wetswijziging. Het moet dan al om een ernstige fout gaan. Een vergissing of vergetelheid met ernstige gevolgen kan dan niet zomaar aanleiding geven tot vervolging”, vat Jan nog even samen. “Met de verzekering van NETWERK VERPLEEGKUNDE hadden we deze rechtszaak misschien wel helemaal kunnen vermijden. Door een commissie af te dwingen en een schadevergoeding te betalen zonder procedure, was een rechtsgang wellicht helemaal niet nodig geweest. Dat betekent zekerheid en gemoedsrust, zonder de verpleegkundige financieel extra te belasten.”


Lid zijn en blijven van NETWERK VERPLEEGKUNDE? Deze leden zeggen volmondig ‘ja’

Ilke Claeys

“Ik ben al lid sinds 1994 en heb alle magazines tot nu toe bewaard. Er staat zo veel waardevolle informatie in dat ik telkens wel iets bijleer. Ook de talrijke studiedagen vind ik een grote plus, maar vooral de juridische bijstandsverzekering is een echte meerwaarde. Neen, ik heb nog nooit getwijfeld aan mijn lidmaatschap.”

Inne Minjauw en Olga Tchudinova

“Waarom we lid zijn van NETWERK VERPLEEGKUNDE? Om interessante nieuwe onderwerpen en mensen te leren kennen”, aldus Olga. “We stonden deze morgen elk afzonderlijk aan een tafeltje en zetten de studiedag nu samen verder. We kennen elkaar eigenlijk niet, maar we hebben al boeiende gesprekken gehad.”

Inne: “Klopt, dat is eigenlijk de essentie van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Tijdens studiedagen of via de magazines ontdek je inspirerende verhalen die je meeneemt naar de werkvloer. Als verpleegkundige is het essentieel om op de hoogte te blijven van alle veranderingen, dat lukt via het NETWERK. Dat dat op een leuke, interactieve manier kan, is natuurlijk nog een voordeel.”

Matthias Claerhout

“Ik werd als student al lid van NETWERK VERPLEEGKUNDE en ben van plan om lid te blijven. Vooral de bredere kijk die je krijgt op het verpleegkundige beroep is waardevol. Via de nieuwsbrieven, magazines en de diverse studiedagen van de beroepsorganisatie blijf ik op de hoogte van wat er leeft. De extra korting op die vormingsmomenten is uiteraard ook mooi meegenomen.”

Tine Prinsie

“De Week staat altijd met stip in mijn agenda. Ik ben al 25 jaar lid van NETWERK VERPLEEGKUNDE en dit is een van de vormingsmomenten die ik niet wil missen. Je krijgt er in een dag zo veel en zo’n gevarieerde informatie mee en leert er boeiende mensen kennen. Dus ook voor mijn eigen netwerk brengt mijn lidmaatschap mooie kansen met zich mee. Het belangrijkste vind ik de inzet van de beroepsorganisatie om de verpleegkunde op te waarderen, en dat op verschillende niveaus. De erkenning en fierheid over ons beroep, die steun ik graag.”

Ann Neirinck

“Als lid van NETWERK VERPLEEGKUNDE krijg je toegang tot een heel uitgebreid pakket aan voordelen: het tijdschrift, de verzekering, het vormingsaanbod, persoonlijk advies of juridische bijstand. Via de beroepsorganisatie kom je ook in contact met verschillende meningen en blijf je op de hoogte van wat er leeft in de sector. Het houdt je alert en dynamisch, zelfs als je al jarenlang in het veld staat. Die inspirerende inzichten neem ik heel graag mee naar de werkvloer.”

Aäziza El Massaoudi

“Ik ben nog maar heel recent lid, maar vond het vanuit mijn functie als kwaliteitscoördinator heel relevant om het lidmaatschap aan te gaan. Dat brengt mij bijvoorbeeld voor het eerst op De Week waar ik in een dag mee ben met nieuwe inzichten en al heel boeiende getuigenissen hoorde die ik wil meenemen naar mijn eigen praktijk. Wat me opvalt is de to-the-pointaanpak. Het is geen droge materie, maar een dynamische manier om relevante kennis te delen. Dat vind ik een warme gedachte: in NETWERK VERPLEEGKUNDE zijn we geen concurrenten, maar streven we samen naar de beste zorg.”

Myriam De Meester

Mijn collega’s zeiden vaak: “Maar Myriam, jij weet zo veel.” Dat heb ik aan NETWERK VERPLEEGKUNDE te danken. Voor mij is lid zijn van deze beroepsorganisatie een evidentie. Door actief betrokken te zijn in de werkgroepen of provinciale netwerken word je geprikkeld om het beter of anders te doen op de werkvloer. Het geeft goesting om innovaties uit te proberen. Die gedrevenheid verbindt alle leden. Dat maakt van NETWERK VERPLEEGKUNDE een heel waardevolle organisatie die al onze steun verdient.”


Agressie voorkomen door in te zetten op bemiddeling

Agressie in de zorg is helaas geen uitzondering. Verbaal en fysiek geweld komen vaak voor en zijn een verontrustende trend die niet alleen de veiligheid van zorgverleners in het gedrang brengt, maar ook die van zorgvragers. Hoe creëren we een omgeving waarin zorgverleners veilig kunnen werken? De organisatie Arts in Nood organiseerde een webinar met professor Béatrice Schaad. Zij bestudeerde conflictbeheersing op basis van ervaringen van patiënten en zorgprofessionals.

Een zorgverlener die zich goed en veilig voelt heeft een positieve impact op de kwaliteit van zorg en voor de manier waarop een zorgvrager benaderd en geholpen wordt. Daarnaast is agressie of een onveilig gevoel een belangrijke trigger voor burn-out, depressie of de zoektocht naar een andere job. Béatrice Schaad is auteur van het boek ‘(In)hospitalités hospitalières : Conflit, médiation, réconciliation’ ((On)gastvrije ziekenhuizen: conflict, bemiddeling en verzoening). Daarnaast is ze professor aan het Centre hospitalier universitaire vaudois (CHUV) in het Zwitserse Lausanne, een van de dertien beste ziekenhuizen wereldwijd[1]. Ze richtte er het project Hospita-liens op, bedoeld om bij te dragen aan de studie rond en het begrip van de relatie en interactie tussen zorgvragers en zorgprofessionals in ziekenhuizen. Op basis van ervaringen van beide groepen bekeek ze wanneer de relatie onder druk kwam te staan. Leidde dat tot conflict of tot ontevredenheid over de verleende zorg? Ruimte maken voor bemiddeling of een gesprek kwam naar voor als middel om escalatie te vermijden. Daarover ging ze in gesprek met Arts in Nood.

“De zorgvrager is geen nummer. Integendeel, hij wordt veeleisender, maar ook agressiever”, zegt professor Schaad. “Toch beschouw ik de zorgvrager ook als een bron om de zorgverlening te verbeteren. Zij zien blinde vlekken in de organisatie of in de zorg en merken zaken op die niet goed draaien. Wanneer je bijvoorbeeld op de spoeddienst een gips krijgt en die na één dag al weggehaald wordt door medisch advies dat van elkaar verschilt, dan wekt dat bij die patiënt frustraties op. Heeft die persoon daar een klacht over, dan is dat een kans tot bemiddeling en verbetering. Een ander voorbeeld dat ik vaak geef is de moeder die te horen krijgt dat haar kind lijdt aan een neurodegeneratieve ziekte en binnenkort zal sterven. Dat wordt haar verteld in vakjargon, zonder respect. Het ontbreekt op dat moment ook aan continuïteit van zorg en de arts onderbreekt het korte consult meerdere keren om een telefoonoproep te beantwoorden. Zulke situaties lees je niet in enquêtes.”

Verder kijken dan het conflict

Professor Schaad werkte daarom samen met collega’s een systeem uit dat patiëntenervaringen verzamelt en omzet in concrete acties en bemiddelingsprojecten. Het resulteerde in 2012 in een bemiddelingsruimte waar zorgvragers en zorgprofessionals conflicten of moeilijkheden kunnen melden. Daar worden ze bijgestaan door experts in conflictmanagement. De klachten worden op hun beurt gecodeerd zodat ze ziekenhuisbreed en per afdeling ingezet kunnen worden om zorg en de werkomgeving te verbeteren. “Bemiddeling is iets vertrouwelijks. Het is een dialoog die niet uitgaat van hiërarchische structuren. Er ligt veel druk op zorgverleners waardoor ze niet altijd de ruimte krijgen om uit te leggen wat er aan de hand is. Waar de literatuur steeds uitgaat van een conflict, kijken wij dieper: wat is het karakter van dat conflict? Bemiddeling is luisteren naar zorgvragers, hun naasten en zorgprofessional, de vertrouwensrelatie met het ziekenhuis herstellen en via bemiddeling tot een oplossing komen. Het is niet zoeken naar een bepaalde waarheid, wel kijken naar de perceptie van de situatie.”

Zo begon het team van Béatrice Schaad elke gemelde situatie te classificeren op basis van een honderdtal indicatoren. Wat was de zorgvraag, op welk moment in het zorgproces vond het incident plaats, wat is de leeftijd van de betrokkenen, … Vervolgens werden deze op basis van internationale studies onderverdeeld in drie domeinen (het klinische, het organisatorische en het relationele), categorieën en subcategorieën. “Een conflict gaat over kwaliteit en veiligheid. Krijgt de zorgvrager foute resultaten van onderzoeken, is er een medicatiefout of een gemiste diagnose, loopt de administratieve opvolging verkeerd, is er sprake van discriminatie, … We namen in onze studie 1.328 klachten op van ongeveer 600 verschillende personen. Die hebben we gekwantificeerd en geanalyseerd. Zo’n 39 procent van de klachten bevond zich in het relationele domein, 35 procent op organisatorisch vlak en 25 procent in het klinische domein. We merken dat slechts 10 procent van de klachten gaat over de kwaliteit van zorg. Mensen hebben het vaker over de communicatie, dat ze zich niet als volwaardig mens behandeld voelen of dat ze niet als prioritair behandeld werden omdat hun aandoening niet levensbedreigend is. Die kleine signalen maken een wereld van verschil als ze op de juiste manier geïnterpreteerd en aangepakt worden.”

Introspectie

De zorgconsumptie stijg en de druk op het zorgsysteem, de zorginstellingen en de zorgprofessionals dus ook. De tevredenheidsscore in het CHUV bedraagt 93 procent. Toch moet aan die andere 7 procent aandacht besteed worden. “Daar zit de marge voor verbetering”, zegt professor Schaad. “Zorginstellingen moeten klachten zien als een kans om problemen te vermijden. Vaak doen situaties zich niet met opzet voor, net daarom moet je klachten zien als een manier om de kwaliteit te verhogen”, licht professor Schaad toe. “Je gaat op zoek naar de gulden middenweg: hoe ben en blijf je de zorgprofessional die je wil zijn in relatie tot de zorgvrager?”

Professor Schaad merkt op dat geweld zich ook verplaatst naar sociale media, zoals tijdens het filmen van een consult. Een arts kan en mag zich dan niet verdedigen door het beroepsgeheim. “Klachten en bemiddeling zijn er niet enkel op initiatief van de zorgvrager. Vaak lijdt de arts of zorgverlener onder het gedrag van een patiënt. Dat is veelal taboe. Waar mensen vroeger met eerbied naar een arts keken, is die vorm van bescherming weggevallen. De patiënt komt door Google en ChatGPT nu vaak zelf met een diagnose. Als zorgverlener moet je daarnaast soms opletten hoe je iets verwoordt, zodat de zorgvragers het niet verkeerd opnemen. Vandaag lijkt het alsof de zorgvrager meer rechten dan plichten heeft, en voor de zorgverlener geldt het omgekeerde. Het bieden van dat soort weerstand moet mee in de opleiding zitten.”

Ook voor zorgverleners

Professor Schaad spreekt voornamelijk vanuit haar ervaringen met artsen, waarop haar studie gebaseerd was. Zij merkt dat er al veel moet gebeuren vooraleer artsen de stap naar bemiddeling zetten. “Er gaat een gevoel van schaamte of zich incapabel voelen mee gepaard”, zegt ze. “Nochtans pleeg je zo geen verraad. Integendeel, je wil de situatie verbeteren. Anderen hebben daar ook baat bij, want het ultieme doel van bemiddeling is om de volledige zorginstelling vooruit te helpen. Als het onder de radar blijft, kan niemand ingrijpen. Bottom-up iets veranderen voldoet vaker aan de noden en verwachtingen dan vanuit het leiderschap iets op te leggen.”

Bemiddelen staat niet gelijk aan straffen opleggen. Het is samenzitten en de dialoog toelaten. In die zin staat het ver van een juridische procedure omdat er geen schuldige wordt aangeduid. Er wordt vrijwillig op zoek gegaan naar wat fout liep. “Elke klacht is een kans. We spreken niet over moeilijke patiënten, wel over opportuniteiten die leiden tot een nieuw paradigma. Zorgvragers die klacht indienen willen vaak zelfs geen vergoeding, wel een uitleg en gehoord worden. Het werkt multidirectioneel, want ook de zorgprofessional moet de kans krijgen om iets uit te leggen.”

Van klacht naar groeikans

Vertrouwen staat centraal in het bemiddelingsproces. Gebrek aan vertrouwen veroorzaakt ruzies en frustraties. Daardoor ontstaat er langs de kant van de zorgverleners veel uitval. De relatie met de zorgvrager begrijpen en verbeteren gaat dit tegen. “De bemiddelaars in ons ziekenhuis zijn experts in hun vak. Ze luisteren naar een veelvoud van problemen en gieten dat in een analyse. Elke klacht is een getuigenis van een probleem, geen pathologie”, zegt professor Schaad nog. “Elke klacht wordt bij ons anoniem behandeld op verschillende niveaus. Zowel de directie buigt zich daarover, als de afzonderlijke diensten. Vervolgens worden verbeteringstrajecten voorgesteld, en gekoppeld aan opleiding en onderzoek die in het teken staan van de relatie tussen de zorgvrager en zorgprofessional. De voordelen zijn bijzonder groot. Je verhoogt namelijk de veiligheid op de werkvloer en van de zorg, maar ook de kwaliteit en de tevredenheid. Problemen in ziekenhuizen reflecteren vaak problemen in de maatschappij. Door bottom-up te werken herstel je vertrouwensrelaties, want in een ziekenhuis is geen plaats voor geweld.”

[1] https://www.newsweek.com/rankings/worlds-best-hospitals-2024


Onze raakbaarheid moeten we koesteren

In deze rubriek gaan we zoek naar  prangende ethische uitdagingen die zich voordoen in de praktijk. Tegelijkertijd ontdekken we welke methodes ons kunnen helpen om deze uitdagingen bespreekbaar en hanteerbaar te maken. We gaan hiervoor te rade bij collega’s in de zorg die dagelijks met ethische vraagstukken worden geconfronteerd.

 

Vraag aan Céline Baele, bedrijfspsycholoog, wat haar drijft, en je krijgt meteen een helder antwoord: “het welzijn van zorgverleners.” Het thema houdt haar al meer dan tien jaar bezig. Céline praat het liefst met zorgverleners over wat zij nodig hebben om sterk in hun schoenen te staan, ook als het moeilijk wordt. Ze werkt momenteel aan een doctoraat over morele stress, een vorm van stress waarbij zorgverleners het gevoel hebben dat ze de zorg niet kunnen geven zoals zij dat zouden willen. Ze kent de zorg ook van de andere kant: vorig jaar onderging ze zelf een intensieve kankerbehandeling.

 

DE UITDAGING

 

Welke ethische uitdagingen zie jij binnen jouw domein? Welke boeien jou het meest? 

“De uitdagingen waar ik me op richt gaan over hoe je er kan zijn voor je patiënt, zonder je eigen grenzen te overschrijden. Als zorgverlener worstel je vaak met tijdsdruk. Je komt een kamer binnen, een patiënt vertelt zijn verhaal en je voelt dat goede zorg in dat moment betekent: de tijd nemen om te luisteren. Maar je hebt nog een reeks andere patiënten te zien binnen een uur. Welke keuze je ook maakt, het levert stress op. Ofwel voel je dat je de patiënt tekortdoet door niet te luisteren, ofwel schiet je tekort voor de anderen die ook zorg nodig hebben. Het vergt emotionele intelligentie om dit dilemma te herkennen en vervolgens te erkennen dat beide opties stress veroorzaken. Alleen al door aan de patiënt aan te geven dat je zijn nood aan een babbel opmerkt en dat je worstelt met het feit dat er nog anderen wachten, toon je warmte en empathie. In zo’n mededeling zit al veel zorg.”

“Eigenlijk draait het om kwetsbaarheid. Door eerlijk te zijn over het feit dat je niet aan alle verwachtingen kunt voldoen, laat je zien dat je menselijk bent. En dat is precies wat patiënten nodig hebben: een echte, wederzijdse verbinding tussen mensen. We willen geen robots aan ons bed, ook al doen ze technisch alles perfect. We willen connectie, het gevoel dat iemand begrijpt wat we doormaken. Toen ik vorig jaar in het ziekenhuis lag voor een mastectomie, vroeg een stagiair-verpleegkundige waarvoor ik was opgenomen. Toen ik haar antwoordde, zei ze: ‘Ik krijg er kippenvel van.’ Dat voelde als echte verbinding. Het was iets anders dan de hoofdverpleegkundige die alleen uitlegde hoe ik het bed moest bedienen. Zorg gaat over mensen en dat betekent dat je geraakt kan worden door elkaar. Die raakbaarheid moeten we koesteren.”

DE TOOL: EMOTIEWERK

 

Welke methode vind je zelf bruikbaar om hiermee om te gaan?

“We verwachten van zorgverleners dat ze technisch goed zijn, maar een groot deel van hun werk draait ook om goed omgaan met de emoties die, zowel bij henzelf als bij de patiënt, opborrelen in specifieke zorgsituaties. Dat dit een essentieel onderdeel van zorgverlening is, heb ik zelf ervaren. Toch krijgen zorgverleners hier vaak geen opleiding in en het wordt zelden gezien als een selectiecriterium voor leidinggevende functies.”

“Het belang van emoties wordt dikwijls onderschat terwijl ze essentiële hulpmiddelen zijn voor goede zorg. Vaak merken we pas dat iets een ethische kwestie of uitdaging is omdat we er iets bij voelen. Emoties zijn als alarmbellen die aangeven dat een situatie iets van ons vraagt en die ons aanzetten tot actie. Ze laten ons zien wat we belangrijk vinden in een bepaalde situatie en helpen ons om de juiste prioriteiten te stellen.”

Hoe ga je daarbij te werk?

“Emoties zijn belangrijke hulpmiddelen voor goede zorg en verbinding. Dat inzicht mogen we bij onszelf en onze collega’s versterken. De emotionele dimensie van zorg verlenen – hoe het de patiënt en ons als zorgverlener raakt – moet een plek krijgen in ons dagelijkse werk. Op zich kan dat vrij gemakkelijk, zelfs tijdens een korte overdracht. Wat als we niet alleen taakgericht zouden overdragen, maar ook stilstaan bij wat we bij een patiënt voelen? ‘Ik heb vanmorgen Simone verzorgd, maar ik voelde me gefrustreerd omdat het de sterfdag van haar man is en ik er niet kon naar vragen.’ Zo’n boodschap kan anderen motiveren om die dag even met Simone te praten, en laat zien waar we het verschil kunnen maken.”

“Ook tijdens een teamoverleg kan het werken met emoties ingebed worden door aan de teamleden systematisch vragen te stellen zoals: ‘Wat gaf je voldoening deze week? Wat maakte je boos?’. Zulke gesprekken leiden tot interessante inzichten over de werking en tot een concreet actieplan. Als je in één adem kan meegeven wat een situatie bij je oproept, signaleer je niet alleen prioriteiten, maar bied je bovendien ook zorg aan de zorgverlener zelf.”

Céline erkent dat deze emotionele laag voor leidinggevenden ingewikkeld kan lijken. “Het is niet eenvoudig, zeker niet omdat veel mensen complexe emoties liever vermijden. Maar het loont om er actief mee te werken. Het verbetert de kwaliteit van zorg. Een zorgverlener die zich niet gezien voelt in zijn eigen emoties, hoe kan die een ander – een patiënt – echt zien? Als je te veel in je hoofd zit, sluit je je af van de ander. Je moet je goed voelen om je open te kunnen stellen voor een ander.”

Emotiewerk betekent overigens niet dat je je emoties helemaal in bedwang moet leren houden. “Wees mild voor jezelf”, besluit Céline. “Sta jezelf toe om af en toe emotioneel te zijn. Je mag laten zien dat je mens bent. In een klimaat waar je dingen kan delen in plaats van onderdrukken, krijg je daar waarschijnlijk veel voor terug. We zouden met alles wat we voelen en zijn in de zorg moeten kunnen staan.”

WIE VOLGT?


Aan wie wil je de vraag naar ethische uitdagingen en bruikbare tools doorgeven?

“Fleur Helewaut is huisarts in Hooglede en doet aan de UGent onderzoek naar het concept compassievolle zorg. Voor mij zijn de verbanden met emotiewerk meteen duidelijk.”


Samenwerking versterken via teamspel

Het Wit-Gele Kruis Limburg ontwikkelde een uniek spel voor haar medewerkers om als team goed te functioneren en effectief samen te werken. Teamconnect is een innovatieve oplossing om de samenwerking binnen de verschillende teams van de zorgorganisatie te versterken. Sinds september is het spel beschikbaar voor alle afdelingen.

Het Wit-Gele Kruis Limburg wil dicht bij haar patiënten staan en zorg op maat aanbieden. Daarom werkt de organisatie met kleinere, vaste wijkteams in de lokale regio’s. “Deze teams laten ons toe beter in te spelen op de noden van patiënten, zorgpartners en medewerkers”, licht algemeen directeur Nadja Vananroye toe. “Tegelijk bereiden we onze organisatie zo voor op de uitdagingen van morgen.” Die bredere organisatie van lokale afdelingen creëert sterkere fundamenten en stimuleert een betere samenwerking met zorgpartners, zoals ziekenhuizen en huisartsen. ”Om deze aanpak te doen slagen, is het noodzakelijk dat deze teams goed functioneren en effectief samenwerken. Met Teamconnect reiken we onze medewerkers een tool aan die hen daarbij ondersteunt.”

Betere teamdynamiek door reflectie

Het unieke teamspel Teamconnect is opgebouwd vanuit wetenschappelijke inzichten om op een informele en laagdrempelige manier de samenwerking binnen de teams te verbeteren. “We zochten een creatieve manier om teams dichter bij elkaar te brengen en samen sterker te staan in een uitdagende werkomgeving”, aldus Nadja.

Teamleden krijgen inhoudelijk sterke reflectievragen voorgeschoteld, alsook tips en positieve boodschappen om toe te passen in het dagelijkse werk. Door met deze vragen aan de slag te gaan, verbetert de samenwerking en wordt de veerkracht van het team groter. “Het spel richt zich niet op praktische patiëntenbriefings, maar wel op hoe de teamleden onderling interageren. Het maakt dan ook deel uit van ons functioneringsbeleid. Het is laagdrempelig opgezet, waardoor belangrijke en soms moeilijke gespreksonderwerpen toch naar boven kunnen komen in een ontspannen setting. Teamconnect heeft als doel dat de teamleden diepgaand reflecteren over hun werking. Wat dan uit het spel naar boven komt, vormt de basis om de teamdynamiek te verbeteren.”

Voortrekkersrol nemen

Het Wit-Gele Kruis Limburg wil het spel optimaliseren op basis van de feedback van haar medewerkers. Ook bekijkt het de mogelijkheid om Teamconnect te digitaliseren. “Bijvoorbeeld in een innovatieve app”, zegt Nadja. “Het is een krachtige tool om effectiever en efficiënter te leren samenwerken. Als organisatie nemen we graag een voortrekkersrol en willen we ons klaarstomen voor het steeds veranderende zorglandschap. Dit unieke spel is daar een mooi voorbeeld van.” Teamconnect is sinds september beschikbaar voor de medewerkers van alle afdelingen.

BEELD: Copyright Wit-Gele Kruis Limburg