Palliatieve zorgaanbod versterken en vervolledigen
Palliatieve zorg wil patiënten, hun mantelzorgers en omgeving de best mogelijke levenskwaliteit bieden. Die groep patiënten en dus ook de personen die een beroep doen op palliatieve zorg nam de voorbije jaren toe. Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) publiceerde in januari 2025 een studie over het palliatieve zorgaanbod[1] in ons land. Onderzoekster Anja Desomer neemt ons mee doorheen de bevindingen en aanbevelingen.
Het KCE geeft als onafhankelijke onderzoeksinstelling advies over gezondheidszorg aan het federale beleidsniveau. Voor palliatieve zorg liepen de voorbije jaren meerdere onderzoeken. Zo werd in 2009 de organisatie van palliatieve zorg in ons land onderzocht, gevolgd door een onderzoek naar wat Belgen verstaan onder passende zorg in de laatste levensfase in 2017. In 2023 volgde dan een financiële analyse. Voor dit nieuwe onderzoek gaat het KCE dieper in op hoe ze het palliatieve zorgaanbod kunnen versterken en vervolledigen om de juiste zorg, op het juiste moment en op de juiste plaats te bieden. “We willen een nieuw zorgmodel voor palliatieve zorg voorstellen”, zegt Anja Desomer, onderzoekster aan het KCE. “Daarvoor deden we plaatsbezoeken, voerden we een literatuurstudie uit en maakten we een internationale vergelijking om best practices en valkuilen te identificeren. We hebben ook uitvoerig ingezet op gesprekken met stakeholders van verschillende beroepsgroepen, beleidsmakers en mutualiteiten om de noden van het werkveld correct in te schatten. Op basis daarvan stelden we een model samen dat relevant, acceptabel en implementeerbaar is in ons land.”
Totaalbeeld van de zorgvrager
Laten we even uitzoomen. Wie is de palliatieve patiënt? In België is dat iedereen in een gevorderd of terminaal stadium van een ernstige, progressieve of levensbedreigende ziekte, los van de levensverwachting. Het RIZIV begrenst dat in de tijd met een statuut van drie maanden. De Wereldgezondheidsorganisatie kijkt breder en omschrijft palliatieve zorg als zorg die de kwaliteit van leven van een patiënt en diens familie vooropstelt. Er wordt gekeken naar de patiënt en zijn of haar noden vanuit verschillende domeinen. “Je wil een totaalbeeld van de patiënt”, licht Anja toe. “Tot 2012 mochten we ons land bij de besten van de klas tellen. Vandaag ontbreken de grote investeringen. Nochtans neemt de palliatieve populatie toe en is die zeer divers. Nog niet alle mensen vinden hun weg naar palliatieve zorg en mantelzorgers zijn niet altijd beschikbaar.”
Palliatieve zorg is dus veel meer dan stervensbegeleiding. Het stelt de levenskwaliteit voorop in plaats van levensverlengend te werken. Zo bied je lichamelijke, psychologische, sociale en spirituele ondersteuning volgens de noden en voorkeuren van de patiënt. En die kunnen voortdurend veranderen. “De zorgverlener moet steeds goed evalueren wat de precieze noden van de patiënt zijn en hoe de zorg daarop kan aangepast worden.”
Een ideaal palliatieve zorgmodel
Een palliatieve patiënt die nog thuis is of in een woonzorgcentrum, waarvan de zorgnood op medisch, fysiek, sociaal of psychologisch vlak verandert, kan worden opgenomen in het ziekenhuis, op een acute zorgafdeling of op een specifieke palliatieve eenheid. Dat laatste is niet altijd eenvoudig omdat er veel minder bedden zijn. Is de situatie van de patiënt stabiel, dan gaat hij of zij terug naar huis of het woonzorgcentrum. “Dat kan niet altijd”, zegt Anja. “Iemand van veertig jaar kan niet naar een woonzorgcentrum en de thuissituatie is ook niet altijd optimaal. Daar bestaan weinig oplossingen voor. In dit rapport gingen we op zoek naar hoe we die hospice care of middle care in het palliatieve zorgmodel kunnen steken. Door minder mensen op te nemen in het ziekenhuis, daalt de kost. Dat is budget dat vrijkomt om in te zetten op die middle care.”
Een ideaal model van palliatieve zorg houdt rekening met de voorkeur van patiënten. Dat gaat dan voornamelijk om makkelijke en voortdurende toegang tot zorg, het herhaaldelijk in kaart brengen van de noden, om respijtzorg en om de beschikbaarheid van materiaal. “Ook een goede samenwerking tussen zorgverleners en zorgcontinuïteit spelen mee, in een multidisciplinair team en met de nodige expertise en opleiding in palliatieve zorg. Daarbij moet bovendien gekeken worden naar het zorgmodel: in de thuisomgeving of als thuishospitalisatie, met de nodige coördinatie van zorg en innovatie.”
Investeren in gespecialiseerde zorg
Het huidige aanbod palliatieve zorg wordt volgens het KCE-rapport onderbenut. De gespecialiseerde zorg is beperkt, heeft lange wachttijden en er zijn weinig tot geen tussenoplossingen. Patiënten worden thuis of in het ziekenhuis opgevangen omdat er slechts vijf dagcentra voor palliatieve zorg zijn in Vlaanderen. “Het is dan ook onze aanbeveling om hier meer op in te zetten. Dat kan misschien gekoppeld worden aan de dagcentra van woonzorgcentra. We kijken naar de regionale netwerken om een lokale analyse van het aanbod te maken”, zegt Anja. “We weten bijvoorbeeld dat aan de kust de vergrijzing het meeste toeneemt, daar zal dus ook meer nood zijn aan palliatieve zorg. Hoe dan ook moet het huidige aanbod versterkt worden om aan de onvervulde behoeften en het veeleisende takenpakket voor naasten tegemoet te komen. Daarnaast moeten de ontoereikende professionele vaardigheden bijgestuurd worden. Als we de thuiszorg meer willen ondersteunen door multidisciplinaire begeleidingsequipes (MBE) in een coachende rol, dan moeten we eerst voldoende opgeleide zorgverleners hebben. Pas dan kan je mensen laten coachen. ”
Tijd voor actie
Wat is dan het ideale scenario? “Dat goten we in een basischarter voor palliatieve zorg en houdt rekening met de voorkeuren van de patiënt. Zo weten we dat mensen liever in hun thuisomgeving blijven. Hun behoeften en wensen zijn belangrijker dan de levensverwachting. Ze moeten vlot kunnen navigeren tussen zorgsettings, zonder te veel administratieve procedures. We moeten de palliatieve cultuur ook uit de taboesfeer halen en meer inzetten op samenwerking en communicatie. Tot slot moeten mantelzorgers beter ondersteund worden. Al gaat dit allemaal samen met de manier waarop zorg verleend wordt. Het is belangrijk om in te zetten op vroegtijdige zorgplanning. Veel artsen weten bijvoorbeeld niet dat ze daar een vergoeding voor kunnen aanrekenen. Is een patiënt palliatief, dan moeten de voorkeuren, noden en middelen voortdurend beoordeeld worden, net zoals de complexiteit van de medische noden. Met andere woorden: er is nood aan regelmatige herhaling, meer aandacht voor de rol van de vertrouwenspersoon en aan betere informatie-uitwisseling tussen zorgsettings.”
Het huidige aanbod aan palliatieve zorg is goed, maar kan versterkt worden. De extramurale palliatieve zorg kan volgens de KCE-studie aangevuld worden met een residentiële dienst met een medisch aanbod, zoals palliatieve bedden in woonzorgcentra. Daar ligt een belangrijke rol voor verpleegkundigen, ook voor referentieverpleegkundigen palliatieve zorg. Ook palliatieve zorg via thuishospitalisatie blijkt een goede piste, volgens het onderzoek. Net zoals transmurale consultaties en palliatieve zorg via het dagziekenhuis. “Zo stel je de expertise van het ziekenhuis via outreach ook beschikbaar in de thuiscontext. De palliatieve patiënt komt op die manier minder snel in het ziekenhuis terecht. Dat is vaak wat hij of zij wil en kost tegelijk minder aan de maatschappij”, vertelt Anja. “Concreet zien we drie zorgtrajecten: de generalistische palliatieve zorg, de extramurale palliatieve zorg en de palliatieve ziekenhuisdiensten. Als we die aanvullen met nieuwe zorgvormen, een sterkere opleiding voor zorgverleners en een betere informatiedoorstroming, dan brengen we juiste zorg naar de palliatieve patiënt in plaats van de patiënt naar de zorg.”
[1] Dauvrin Marie, Desomer Anja, Savoye Isabelle, Adriaenssens Jef, Ricour Céline. Het versterken en vervolledigen van het palliatieve zorgaanbod voor de juiste zorg op het juiste moment en op de juiste plaats. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2025. KCE Reports 394A. DOI: 10.57598/R394AS.
De hele FOD Volksgezondheid verenigd rond one world, one health
Wat we vaak kortweg de FOD Volksgezondheid noemen, heet eigenlijk de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Een van de directoraten-generaal (DG) is dat voor Dier, Plant en Voeding. Aan het hoofd daarvan staat directeur-generaal Mieke Walraevens, vroedkundige van opleiding. Zij legt ons uit wat het verband tussen gezondheidszorg, planten, dieren en voeding is en hoe haar departement die cohesie versterkt.
Mieke Walraevens studeerde in 2003 af aan de Arteveldehogeschool als vroedkundige. Ze ging aan de slag op het verloskwartier, de materniteit en neonatologie van een ziekenhuis. Na enkele jaren koos ze voor de eerstelijnszorg, waar ze meer wou betekenen voor zwangere vrouwen en ’jonge ouders. “Prenatale lessen, consultaties samen met een arts en postnatale thuiszorg waren mijn belangrijkste opdrachten op dat ogenblik”, vertelt Mieke. “Ik behaalde ook mijn postgraduaat lactatiekunde. Om nog meer impact te hebben op de vroedkundige praktijkvoering stapte ik over naar de onderwijswereld waar ik praktijklector en stagebegeleider was. Door die ervaring aan de hogeschool zette ik de stap naar de UGent om er mijn master in de verpleeg- en vroedkunde te halen. Samen met Kaat Helsloot schreef ik een masterproef rond kwaliteitsindicatoren voor bevallen met een korte ligduur. Toen hoorde ik de toenmalige minister van Volksgezondheid op de radio vertellen dat ze de ligduur na de bevalling wilde inkorten. Die was in België veel langer dan in de omringende landen en wetenschappelijk niet meer te verantwoorden. Ik dacht bij mezelf: een schitterend idee, maar let op dat de kwaliteit van de gezondheidszorg niet in het gedrang komt. Ik nam contact op met het kabinet van de minister en stelde mijn expertise ter beschikking. Kort daarna, in februari 2015, werd ik er adviseur moeder- en kindzorg.”
De vele facetten van het beleid
Het is dus intussen tien jaar geleden dat Mieke de stap waagde naar het gezondheidsbeleid. Ze werkte er in functies als adjunct-kabinetschef en adviseur gezondheidszorg bij de minister van Volksgezondheid en bij de eerste minister. “Ik kreeg in deze functies de kans om samen te werken met topexperten met ongelooflijk veel ervaring in gezondheidsbeleid”, zegt ze. “Door deze mensen ontwikkelde ik de nodige kennis en belangrijke vaardigheden, zoals het leiden van vergaderingen, hoe het beleid van de minister verdedigen in het parlement, leren luisteren naar wat mensen echt bedoelen, compromissen maken en een complex probleem uitleggen in vijf minuten. De totstandkoming van de wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering blijft toch een van de meest bijzondere ervaringen. Vandaag ben ik als directeur-generaal ook lid van het directiecomité van de FOD Volksgezondheid, waar strategische keuzes worden gemaakt en zetel ik in de raad van bestuur van Sciensano. We werken hier zeer nauw samen om een verschil te maken voor de gezondheidszorg.”
Er zijn heel wat linken tussen gezondheidszorg en plant, dier en voeding. Zoals het One Health-principe dat stelt dat mensen, dieren, planten en ecosystemen met elkaar verbonden zijn. Binnen de FOD Volksgezondheid is die band het meeste zichtbaar binnen het DG Plant, Dier en Voeding. “De thema’s die we behartigen zijn zeer uiteenlopend. We leggen de regels en normen vast voor de gezondheids- en kwaliteitsaspecten van producten in elke stap van de voedselketen. Dat gaat van erkenningen voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen tot het beleid en de normering van de voedselveiligheid. Denk maar aan de van boer tot bord-strategie. Daarnaast staan we ook in voor de notificatie van tabaksproducten en e-sigaretten en de controle op de verkoop van deze producten aan minderjarigen en het rookverbod in openbare ruimten. Daarnaast zijn we ook bevoegd voor adviesorganen zoals het federaal borstvoedingscomité.”
Adviseren op basis van feiten
Preventie zal cruciaal zijn om de toekomstige uitdagingen in de gezondheidszorg het hoofd te bieden. Het wint ook beleidsmatig aan belang, maar de shift komt traag op gang. Op welke manieren kan de samenwerking tussen voedingsdeskundigen, landbouwspecialisten en verpleegkundigen bijdragen aan preventieve gezondheidszorg en het verminderen van chronische ziektes door betere voedingskeuzes? “Alles is met mekaar verbonden. De introductie van nieuwe technologieën in de landbouwsector, zoals bijvoorbeeld het gericht inzetten van gewasbeschermingsmiddelen via drones, zullen er in de toekomst toe leiden dat het aantal metabolieten of afvalstoffen van die middelen in ons milieu en ons water sterk vermindert”, licht Mieke toe. “Dit is nodig door de intensieve landbouw die in Vlaanderen aanwezig is. Deze afvalstoffen komen ook van andere bronnen dan de gewasbescherming.”
Minder van die afvalstoffen in ons milieu heeft als effect dat onze voeding zo weinig mogelijk stoffen bevat die schadelijk zijn voor onze gezondheid. “Een goede kennis hiervan is essentieel bij het geven van voedingsadvies. Denk maar aan de recente debatten over kwik in vis, of de hoge gehaltes aan 1,2,4-triazool in ons drinkwater. Mensen geruststellen en goed onderbouwd advies geven, is de taak van alle zorgverleners. In deze context is het belangrijk om te beseffen dat we moeten leren leven met de onvermijdelijke aanwezigheid van kleine gehalten aan ongewenste stoffen in onze voeding. Weet dat daar constant over gewaakt wordt en dat de regels en normen op dat vlak voortdurend worden bijgestuurd en tot de strengste ter wereld behoren. Ook daar kunnen verpleegkundigen een geruststellende en adviserende rol in spelen.”
Kan de verschuiving van zorg naar de thuisomgeving niet benut worden om educatie over gezonde voeding en levensstijl te integreren in de dagelijkse zorgpraktijk? “Dat vind ik persoonlijk zeer interessant. In de thuiszorg zie je als zorgverlener veel meer de echte leefgewoontes van je patiënten. Dit geeft je meer kennis over onder meer het voedingspatroon waardoor je directer kan ingrijpen. Nog te vaak wordt naar medicatie gegrepen om medische problemen op te lossen. Zoals bij prediabetes bijvoorbeeld, terwijl voeding en beweging de insulinegevoeligheid serieus kunnen beïnvloeden. Vanuit de dagelijkse gewoontes vertrekken om gezondheidsgedrag te wijzigen lijkt mij een veel beter vertrekpunt. Een gunstige evolutie dus.”
Mensen en dieren
Het verband tussen dieren en gezondheidszorg lijkt misschien vergezocht. Al hoeven we die link niet ver te zoeken. Letterlijk en figuurlijk. Kijken we even over de grens, dan zagen we in Duitsland in januari 2025 een uitbraak van mond-en-klauwzeer. Toch moeten we ons volgens Mieke geen zorgen maken. “De ziekte kan overgedragen worden door de mens, maar maakt ons niet ziek. Het is dus vooral een bedreiging voor de dieren zelf, met een mogelijks grote economische impact voor de landbouwsector. Wat mij meer zorgen baart is de impact van de klimaatsverandering op de mutatie en verspreiding van bepaalde pathogenen. We zien dat vectoroverdraagbare aandoeningen zoals EHD en blauwtong bij herkauwers zeer sterk in opmars zijn en zich ook zeer snel verspreiden. Daarnaast vormt de vogelgriep een grotere bedreiging voor de humane gezondheid. Continue waakzaamheid is hier geboden.”
Alcohol en tabak
Tabak en alcohol vallen ook onder het DG Dier, Plant en Voeding. De gezondheidsrisico’s ervan zijn bewezen en de producten worden duurder, met disclaimers over de veiligheid. Hardere acties of een nultolerantie in het verkeer laten op zich wachten. “Tabak en alcohol zijn een maatschappelijk fenomeen en sterk ingeburgerd. Al merken we dat de voorbije twintig jaar het draagvlak gegroeid is om tabak sterk in te perken en zelfs te bannen uit het straatbeeld”, zegt Mieke. “Zo is het in en rondom verschillende openbare plaatsen, en nu ook in openlucht, verboden om te roken. Denk maar aan dierentuinen, speelpleinen en pretparken, ingangen van openbare gebouwen, ziekenhuizen en woonzorgcentra, … Binnenkort wordt het verbod volgens het regeerakkoord ook uitgebreid naar terrassen. Een aantal jaar geleden was dit ondenkbaar. Nu zijn mensen zeer positief over het feit de sigaret meer en meer uit het straatbeeld verdwijnt. Alle maatregelen die we namen of nog zullen nemen maken deel uit van het interfederaal tabaksplan.”
Wat alcohol betreft ligt het moeilijker. Ook daar bestaan plannen voor, maar de focus ligt nog steeds op problematische alcoholgebruik. “Daar is alcohol in het verkeer het meest prominente voorbeeld van. We zien op het terrein dat de handhaving van de regelgeving niet altijd eenvoudig is wanneer er voor diverse alcoholhoudende dranken verschillende leeftijdsgrenzen bestaan. Dit maakt het niet makkelijk voor verkopers om consequent de regels te respecteren. We hebben de afgelopen twee jaar mystery shoppers ingeschakeld om de verkoop van alcohol en tabak aan minderjarigen te controleren. Bij maar liefst 81 procent van de gecontroleerde handelaars konden onze minderjarigen alcoholhoudende dranken kopen wanneer dat eigenlijk niet mocht. Hier zetten we zeker verder op in en we bekijken met de sector hoe we dit cijfer op de korte termijn kunnen laten dalen.”
Impact op de ziekenhuizen
Wie alcohol en tabak zegt, denkt misschien al verder en maakt de link met kanker. Het DG Dier, Plant en Voeding nam maatregelen binnen het alcoholplan. Daarin stellen ze duidelijke prioriteiten waarin ze een sturende rol willen opnemen naar gezondheidszorg en ziekenhuizen toe. “Alcohol is verantwoordelijk voor zes procent van de vermijdbare sterfte in België. Het terugdringen van het schadelijke gebruik van alcohol is dus erg belangrijk. Ook hiervoor werd een interfederaal plan onderhandeld. Een voorbeeld van een maatregel is het verbod op de verkoop van alcohol in de ziekenhuizen, net om patiënten maximale kansen op herstel te geven. Ook het rookverbod aan de ingang van ziekenhuizen is voor ons zeer belangrijk. In België sterven jaarlijks zo’n 14.000 mensen door tabaksgebruik en ongeveer 300.000 mensen lijden aan ziektes gelinkt met tabak. Ter vergelijking: in 2020 en 2021 stierven in totaal 30.000 personen door covid. De tabaksepidemie heeft dus jaar na jaar een gelijkaardige impact als de coronajaren 2020 en 2021.”
Door tabaksgebruik is ook een duidelijk en gigantisch effect merkbaar op de nood aan medical workforce, merkt Mieke: “We streven dus echt naar een rookvrije generatie waardoor de druk op de gezondheidszorg hopelijk zal afnemen. Daarnaast zetten we sterk in op gezonde voeding. We zijn allemaal vertrouwd met de comorbiditeiten die obesitas met zich meebrengt, maar al te vaak zien we in de ziekenhuizen ondervoeding ontstaan bij patiënten. Maatregelen zoals de Nutriscore moeten helpen om op een vrij toegankelijke manier onze zorgvragers te begeleiden richting een gezonder voedingspatroon. Tot slot, ben ik als lactatiekundige zeer blij dat het federale borstvoedingscomité in ons DG is gehuisvest. In het vermijden van niet-overdraagbare aandoeningen kan het promoten en ondersteunen van borstvoeding zeker een sterke bijdrage leveren.”
Gezondheid van vrouwen: specifieke noden, structurele uitdagingen
Van een menopauzeconsulent voor AZ Rivierenland, over een vergrote zichtbaarheid van endometriose via pers, sociale media en podcasts, tot zelfs een heus televisieprogramma gewijd aan de menopauze. Exclusief vrouwelijke aandoeningen krijgen meer aandacht en dat is maar goed ook. Want uit het Women’s Health Report 2024 van Sciensano blijkt dat meisjes en vrouwen nog steeds vaker dan mannen ondergediagnosticeerd en onderbehandeld worden waardoor ze niet hun volledige gezondheidspotentieel kunnen bereiken. Pijnpunten die vragen om dringende actie: in het beleid, het werkveld, de opleidingen en in ons dagelijkse leven.
Waar een aantal andere landen al rapporten over de verschillen in gezondheid tussen mannen en vrouwen hadden, bestond dat in België nog niet. Nochtans bevat zo’n studie belangrijke informatie om de gezondheidszorg goed te organiseren. Daarom nam Sciensano het heft in handen. In april 2024 publiceerde het federale onderzoeksinstituut voor de volksgezondheid het Women’s Health Report 2024[1]. “Een van onze kerntaken bij Sciensano is data en indicatoren verzamelen en onderzoeken om te meten wat de gezondheidsstatus van de Belgische bevolking is met als doel die te verbeteren”, vertelt Laura Van den Borre, socioloog bij de dienst gezondheidsinformatie van Sciensano. “Op basis van die onderzoeken formuleren we beleidsaanbevelingen voor verschillende aandoeningen, doelgroepen en in diverse regio’s. We merkten op dat in België nog nooit een rapport verscheen over de verschillen in gezondheid tussen mannen en vrouwen. Een groot tekort voor de organisatie van onze gezondheidszorg, dus namen wij het initiatief. We brengen in het rapport een overzicht van belangrijke verschillen, de problemen die deze ongelijkheden met zich meebrengen, waar de ergste pijnpunten zitten en hoe erop te anticiperen.”
Belangrijkste bevindingen
Over het algemeen zijn vrouwen gezonder dan mannen. Toch merkt Sciensano een aantal belangrijke gezondheidsproblemen op: meer dan mannen hebben vrouwen te maken met mentale gezondheidsproblemen, spier- en gewrichtsaandoeningen, en dementie. “Gezondheid is meer dan afwezigheid van ziekte. Het gaat om levenskwaliteit en daar blijkt nog veel ruimte voor verbetering bij vrouwen”, aldus Laura. “Vrouwen leven langer dan mannen, maar ze brengen die extra jaren vaker door in slechte gezondheid. Oudere vrouwen hebben vooral te maken met dementie, spier- en gewrichtsaandoeningen, en botontkalking. Daarnaast merken we ook dat ze vaker dan mannen verschillende ziektes of aandoeningen tegelijkertijd ervaren, wat een impact heeft op de levenskwaliteit.”
Een belangrijke oorzaak ligt in de ongelijkheid in diagnose en behandeling. Veel medische richtlijnen zijn nog steeds gebaseerd op historisch onderzoek bij blanke mannen, wat kan leiden tot onderdiagnose bij vrouwen. Dit is vooral duidelijk bij hart- en vaatziekten, waar symptomen bij vrouwen moeilijker herkend worden. Ook mentale gezondheid is een pijnpunt: vrouwen kampen vaker met angst, depressie en psychosomatische klachten. “Bij adolescenten zien we een alarmerend verschil: meisjes rapporteren veel meer stress, somberheid en slaapproblemen dan jongens. Daarbovenop komen sociale ongelijkheden: alleenstaande moeders, vrouwen met een migratieachtergrond of lagere opleiding hebben minder toegang tot zorg en lopen meer risico op gezondheidsproblemen.”
Dialoog bevorderen
Het rapport richt zich in de eerste plaats op thema’s met een grote impact op de gezondheid van vrouwen zoals mentale gezondheid en musculoskeletale aandoeningen. Toch zijn er nog andere onderwerpen en indicatoren, zoals geweld tegen vrouwen, die buiten de scope van dit onderzoek vielen. “Het was nooit onze bedoeling om exhaustief te zijn. Het is dus geen volledig overzicht van de problematiek. We focusten op biologische en administratieve definities van mannen en vrouwen, los van genderidentiteit of seksualiteit. Dit omwille van beschikbare data. Uiteraard kunnen hier in de toekomst andere onderzoeken uit voortvloeien.”
Sciensano wil met het Women’s Health Report 2024 een belangrijke kenniskloof dichten. “Er is nog steeds te weinig aandacht voor de specifieke gezondheidsnoden van vrouwen, zowel in onderzoek als in de praktijk”, aldus Laura. “In het rapport richten we ons daarom ook op enkele unieke gezondheidsproblemen van vrouwen, zoals endometriose en menopauze. Hier botsten we op een enorm gebrek aan relevante en beschikbare data en kennis. Dit is het gevolg van ongelijkheden die diepgeworteld zijn in de samenleving. Ons doel is een startpunt te bieden voor verdere discussie en onderzoek, en vooral de noodzaak van een gendergerichte benadering in de gezondheidszorg aan te tonen.”
Nood aan gestructureerde data
Beschikbare data, het blijkt een heikel punt in onze gezondheidszorg. Zeker over specifiek vrouwelijke gezondheidstoestanden na een zwangerschap, of over menopauze en endometriose bijvoorbeeld, zijn heel weinig gestructureerde gegevens beschikbaar. Laura: “Nochtans zijn dit net zaken die een heel grote impact hebben op de verdere levenskwaliteit van vrouwen. We hebben veel data, maar voor een aantal aandoeningen helemaal niet of weinig. Of door administratieve procedures zijn de gegevens niet bruikbaar. Zo bestaat er bijvoorbeeld een databank over in-vitrofertilisatie, maar die is volledig gericht op het medische aspect van de behandeling. We hebben dus informatie over het aantal IVF-behandelingen, maar niet over pakweg de sociale profielen van deze vrouwen, de complicaties op de lange termijn, de mentale impact ervan, barrières die er zijn om toegang te hebben tot deze zorg, zoals kostprijs, …”
We hebben al veel gezondheidsgegevens om te onderzoeken. Er bestaan databanken bij talloze instanties, maar de informatie is niet goed op elkaar afgestemd. Zo bestaan er verschillende definities van eenzelfde aandoening (bijvoorbeeld burn-out), worden in de ene instelling bepaalde gegevens wel geregistreerd en in een andere niet of is er door de GDPR-wetgeving geen of moeilijk toegang tot specifieke data. “Anno 2024 moeten we toch in staat zijn relevante data te verzamelen en te vergelijken. Op dat vlak beweegt er gelukkig het een en ander. Zowel op Europees niveau als in België is er vraag naar meer open data. We zijn er nog niet, maar het moet in de nabije toekomst een pak efficiënter zijn om de historische data te verrijken met nieuwe materie.”
Vrouwen in de zorg: dubbele bodem
In België waren in 2022 zo’n 502.371[2] personen arbeidsongeschikt, met een spectaculaire toename van langdurig zieke vrouwen tegenover mannen. Als je weet dat in België ruim tachtig procent van de verpleegkundigen een vrouw is, dan is de rekensom snel gemaakt. Laura: “Het zorgberoep is fysiek en emotioneel zwaar, en veel verpleegkundigen voelen zich ondergewaardeerd en overbelast. De chronische pijn, musculoskeletale aandoeningen en mentale klachten waar oudere vrouwen vaker mee te maken hebben, gecombineerd met sociale druk zoals de combinatie van werk en gezinsleven, leiden tot een verhoogd risico op uitval. Dit heeft ernstige gevolgen voor de zorgsector die nu al met grote tekorten kampt. Het is een vicieuze cirkel want hoe meer vrouwen uitvallen, hoe groter de druk wordt op de collega’s die aan het werk blijven, wat het risico op uitval verder verhoogt.”
Het rapport pleit dan ook voor gerichte preventie, zoals ergonomische ondersteuning, mentale gezondheidszorg en gendersensitieve beleidsmaatregelen om het welzijn van vrouwelijke zorgverleners te verbeteren. Het aanpakken van deze problemen is essentieel voor de gezondheid van verpleegkundigen zelf en om continuïteit van zorg te garanderen.
Actie ondernemen
Het Women’s Health Report 2024 werd in april gepubliceerd. Meteen daarna volgde een eerste uitwisseling over de nood om te werken aan gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen met onder andere de minister van Volksgezondheid. “We slaan al langer met verschillende instanties op dezelfde nagel en het rapport bracht verder schot in de zaak”, zegt Laura nog. “We merken meer en meer aandacht voor de gezondheid van vrouwen en genderspecifieke aandoeningen. Het is belangrijk dat deze onderwerpen bespreekbaar worden in de hele maatschappij, zo creëren we een breder bewustzijn. Mediacampagnes, subsidies voor gezondheidsbevorderende initiatieven en gestandaardiseerde zorgprotocollen zijn allemaal stappen in de goede richting.”
[1] Sciensano. Gezondheid van vrouwen, Health Status Report, 29 Apr 2024, Brussel, België
[2] Bron: RIZIV
Hoe verzoenen we de Belgische ziekenhuisfinanciering met de toekomstige uitdagingen in de zorg?
Hoe stonden de ziekenhuizen er financieel voor in 2023 en is er beterschap op komst in 2024? Jaarlijks analyseert Belfius de cijfers van de algemene ziekenhuizen in ons land. Dat leidt tot de MAHA-analyse[1]. Voor het jaar 2022 was de conclusie niet bepaald rooskleurig, met negatieve resultaten en verliezen voor de ziekenhuizen. In 2023 noteren we alvast een lichte stijging, zowel in omzet als in kosten.
De MAHA-sectoranalyse van Belfius editie 2024 was meteen de dertigste keer dat de bank samenwerkte met de gezondheidssector om de financiële situatie van de algemene ziekenhuizen in ons land in kaart te brengen. De voorbije dertig jaar ontwikkelde Belfius Strategic Research & Belfius Public Banking een uniek analyse- en benchmarkinstrument om de resultaten beter en relevanter weer te geven. Zo ondersteunen ze de sector met inzichten die helpen bij het nemen van beslissingen. Daarnaast maakt Belfius ook analyses voor psychiatrische en universitaire ziekenhuizen, voor woonzorgcentra en voor centra voor mensen met een handicap. Zo schetsen ze een totaalbeeld van hoe de socialprofitsector evolueert. Aan de analyse van 2023/2024 namen alle 89 Belgische algemene ziekenhuizen deel door hun jaarrekeningen voor 2023 te delen. Daarnaast nam 72 procent van die ziekenhuizen deel aan een enquête over het eerste semester van 2024 die toelaat een eerste raming te schetsen voor dat jaar.
Waar de algemene ziekenhuizen in 2022 nog de impact van de coronacrisis voelden in hun omzet, merken we voor 2023 dat de omzet opnieuw steeg. Helaas stegen de kosten nog sterker. Al is er wel een lichte verbetering ten opzichte van vorig jaar waar te nemen. Het resultaat van het boekjaar 2023 stijgt van 37 naar 82 miljoen euro. Dat is 0,4 procent van een omzet van 20,5 miljard euro. Toch zitten vier op de tien algemene ziekenhuizen met een negatief resultaat.
Verdere daling van klassieke ziekenhuisopnames
De ziekenhuisactiviteit groeit tot in totaal 3,6 miljoen opnames. Dat is 7,9 procent meer dan in 2019. De oorzaak daarvan is de omslag naar dagopname. Het gaat dan om chirurgische daghospitalisaties waarvoor de lijst begin 2023 werd uitgebreid, maar ook over ambulante zorgen zoals oncologische therapieën of chronische pijnbehandelingen. De ligduur wordt korter. Waar die in 2019 nog 5,3 dagen bedroeg, was dat in 2023 slechts 4,7 dagen. Die daling is al twintig jaar aan de gang. Daarnaast verbeterde de overheid de financiering van daghospitalisaties om onnodige overnachtingen te vermijden.
Meer opbrengsten, nog meer kosten
De kosten stegen in 2023, dat voelden we allemaal in onze eigen portefeuille. Voor ziekenhuizen was dat niet anders: voeding en energie waren duur en stegen respectievelijk met 10,3 en 59 procent. Dit jaar wordt verwacht dat de energierekening zal dalen. Daarnaast gingen de uitgaven voor farmaceutische producten omhoog, goed voor 4.221 miljoen euro aan geneesmiddelen. Verwacht wordt dat ook dit bedrag in 2024 zal dalen.
Toch is de grootste kostenpost het personeel. De bezoldiging van artsen steeg met 11,3 procent naar 4.902 miljoen euro. Naar de lonen van verpleegkundigen en ondersteunend personeel gaat 43,6 procent van de jaarlijkse omzet. De totale personeelskost landt op 8.961 miljoen euro, een stijging met 6,6 procent. Voor 2024 wordt een extra stijging van 5,3 procent verwacht voor lonen.
Ten opzichte van 2022 stegen de kosten in 2023 met 8,4 procent, daar waar de bedrijfsopbrengsten een stijging van 8,3 procent noteren. Zo wordt al enkele jaren meer omzet gehaald uit de apotheek en farmaceutische producten, goed voor 4.135 miljoen euro. Ook de bijdrage door de indexering van de honoraria van artsen ging zo omhoog met 8,7 procent tot 7.885 miljoen euro. Voor 2024 wordt opnieuw een groei van 8,2 procent verwacht. Tot slot zien we aan de inkomstenzijde meer opbrengsten uit kamersupplementen en nevenproducten tot in totaal 145 miljoen euro. Kijken we naar het Budget Financiële Middelen (BFM), dan steeg dat in 2022 met 10,4 procent en in 2023 met 6,2 procent, door de hoge indexering van de lonen. Voor 2024 wordt een beperkte stijging van 2 procent verwacht.
Kijken we naar de voorbije tien jaar, dan staat het gewoon bedrijfsresultaat onder druk. Sinds 2022 is het zelfs negatief door de inflatie en energiecrisis. Dat is te zwak om de nodige investeringen te doen en beschermt de zorginstellingen niet tegen crisissen. Als het resultaat toch positief lijkt, is dat door de steun van de overheid.
Personeelstekorten blijven
In de Belgische ziekenhuizen werken 108.137 mensen (VTE). Van verpleegkundigen tot administratieve medewerkers en paramedici. Dat personeelsbestand groeide sinds 2019 met 6.678 VTE’s (voltijdse equivalenten). Ook de personeelskosten gingen de hoogte in. Zo kost een voltijdse verpleegkundige 86.000 euro per jaar, waarvan een deel uit de eigen middelen van het ziekenhuis komt. Toch blijven de tekorten aanzienlijk, zeker wat verpleegkundigen betreft. In 2023 kwamen er 497 verpleegkundigen bij, maar dat hield niet tegen dat ziekenhuizen afdelingen moesten sluiten of geremd werden in hun groei. De MAHA-analyse stelt vast dat ziekenhuizen vaker interimmedewerkers inschakelen, voornamelijk verpleegkundigen. In 2023 ging het om 2.400 VTE’s. Daarnaast valt op te merken dat het ziekteverzuim bovengemiddeld hoog is. Waar we in de bredere samenleving over 10 procent spreken, is dat in de zorg 12,2 procent. Daarvan is 4 procent langdurig afwezig.
Vroeger en nu
Deze dertigste MAHA-analyse kijkt terug naar de voorbije jaren. Zo is de samenstelling van de omzet veranderd sinds 1999, met een veel groter aandeel (20 procent) van farmaceutische producten. Het Budget Financiële Middelen levert slechts 36,9 procent van de omzet, ten opzichte van 42,1 procent in 1999. Het eigen vermogen van ziekenhuizen werd in 2023 aangesterkt, al moesten ze tegelijk meer voorzieningen aanspreken. De schulden groeiden naar 7.248 miljoen euro waardoor steeds meer ziekenhuizen gebruikmaken van een liquiditeitsplanning om de kosten de baas te kunnen. Het eigen vermogen van Vlaamse ziekenhuizen is in orde. Waalse en Brusselse ziekenhuizen hebben het op dat vlak iets moeilijker. Toch merken we dat ziekenhuizen blijven investeren, met Vlaanderen op kop in 2023. Zo ging er 577 miljoen euro naar investeringen, het dubbele van 2022. Een verklaring daarvoor zou de gestegen bouwkost kunnen zijn. Zo nam Vlaanderen ZAS Cadix in gebruik. In Wallonië zien we een daling van 140 naar 114 miljoen euro, omdat het jaar voorheen een groot gebouw opgeleverd werd. Brussel investeerde slechts een vierde van het bedrag van in 2022. De verschuiving van deze cijfers hangt vaak af van de investering van één ziekenhuis tijdens dat jaar. Al liggen investeringen in de volledige sector wat moeilijk omdat er nog geen duidelijkheid is over de hervorming van de ziekenhuisfinanciering.
Kortom, ziekenhuizen hebben het niet eenvoudig. De personeelstekorten en het ziekteverzuim maken de situatie extra uitdagend. Deze analyse noteert een herstel van de sector, met een lichte groei aan activiteit na de covidpandemie. Toch daalt het gemiddelde resultaat, ondanks de financiële steun van overheden. De sector staat op een kantelpunt en wordt financieel steeds fragieler. Het zorglandschap moet robuust zijn, zodat ziekenhuizen zich veerkrachtig kunnen tonen en klaarstaan voor de toekomstige uitdagingen en ontwikkelingen in de sector.
[1] Belfius MAHA sectorstudie 2024, cijfers 2023/2024
Agressie voorkomen door in te zetten op bemiddeling
Agressie in de zorg is helaas geen uitzondering. Verbaal en fysiek geweld komen vaak voor en zijn een verontrustende trend die niet alleen de veiligheid van zorgverleners in het gedrang brengt, maar ook die van zorgvragers. Hoe creëren we een omgeving waarin zorgverleners veilig kunnen werken? De organisatie Arts in Nood organiseerde een webinar met professor Béatrice Schaad. Zij bestudeerde conflictbeheersing op basis van ervaringen van patiënten en zorgprofessionals.
Een zorgverlener die zich goed en veilig voelt heeft een positieve impact op de kwaliteit van zorg en voor de manier waarop een zorgvrager benaderd en geholpen wordt. Daarnaast is agressie of een onveilig gevoel een belangrijke trigger voor burn-out, depressie of de zoektocht naar een andere job. Béatrice Schaad is auteur van het boek ‘(In)hospitalités hospitalières : Conflit, médiation, réconciliation’ ((On)gastvrije ziekenhuizen: conflict, bemiddeling en verzoening). Daarnaast is ze professor aan het Centre hospitalier universitaire vaudois (CHUV) in het Zwitserse Lausanne, een van de dertien beste ziekenhuizen wereldwijd[1]. Ze richtte er het project Hospita-liens op, bedoeld om bij te dragen aan de studie rond en het begrip van de relatie en interactie tussen zorgvragers en zorgprofessionals in ziekenhuizen. Op basis van ervaringen van beide groepen bekeek ze wanneer de relatie onder druk kwam te staan. Leidde dat tot conflict of tot ontevredenheid over de verleende zorg? Ruimte maken voor bemiddeling of een gesprek kwam naar voor als middel om escalatie te vermijden. Daarover ging ze in gesprek met Arts in Nood.
“De zorgvrager is geen nummer. Integendeel, hij wordt veeleisender, maar ook agressiever”, zegt professor Schaad. “Toch beschouw ik de zorgvrager ook als een bron om de zorgverlening te verbeteren. Zij zien blinde vlekken in de organisatie of in de zorg en merken zaken op die niet goed draaien. Wanneer je bijvoorbeeld op de spoeddienst een gips krijgt en die na één dag al weggehaald wordt door medisch advies dat van elkaar verschilt, dan wekt dat bij die patiënt frustraties op. Heeft die persoon daar een klacht over, dan is dat een kans tot bemiddeling en verbetering. Een ander voorbeeld dat ik vaak geef is de moeder die te horen krijgt dat haar kind lijdt aan een neurodegeneratieve ziekte en binnenkort zal sterven. Dat wordt haar verteld in vakjargon, zonder respect. Het ontbreekt op dat moment ook aan continuïteit van zorg en de arts onderbreekt het korte consult meerdere keren om een telefoonoproep te beantwoorden. Zulke situaties lees je niet in enquêtes.”
Verder kijken dan het conflict
Professor Schaad werkte daarom samen met collega’s een systeem uit dat patiëntenervaringen verzamelt en omzet in concrete acties en bemiddelingsprojecten. Het resulteerde in 2012 in een bemiddelingsruimte waar zorgvragers en zorgprofessionals conflicten of moeilijkheden kunnen melden. Daar worden ze bijgestaan door experts in conflictmanagement. De klachten worden op hun beurt gecodeerd zodat ze ziekenhuisbreed en per afdeling ingezet kunnen worden om zorg en de werkomgeving te verbeteren. “Bemiddeling is iets vertrouwelijks. Het is een dialoog die niet uitgaat van hiërarchische structuren. Er ligt veel druk op zorgverleners waardoor ze niet altijd de ruimte krijgen om uit te leggen wat er aan de hand is. Waar de literatuur steeds uitgaat van een conflict, kijken wij dieper: wat is het karakter van dat conflict? Bemiddeling is luisteren naar zorgvragers, hun naasten en zorgprofessional, de vertrouwensrelatie met het ziekenhuis herstellen en via bemiddeling tot een oplossing komen. Het is niet zoeken naar een bepaalde waarheid, wel kijken naar de perceptie van de situatie.”
Zo begon het team van Béatrice Schaad elke gemelde situatie te classificeren op basis van een honderdtal indicatoren. Wat was de zorgvraag, op welk moment in het zorgproces vond het incident plaats, wat is de leeftijd van de betrokkenen, … Vervolgens werden deze op basis van internationale studies onderverdeeld in drie domeinen (het klinische, het organisatorische en het relationele), categorieën en subcategorieën. “Een conflict gaat over kwaliteit en veiligheid. Krijgt de zorgvrager foute resultaten van onderzoeken, is er een medicatiefout of een gemiste diagnose, loopt de administratieve opvolging verkeerd, is er sprake van discriminatie, … We namen in onze studie 1.328 klachten op van ongeveer 600 verschillende personen. Die hebben we gekwantificeerd en geanalyseerd. Zo’n 39 procent van de klachten bevond zich in het relationele domein, 35 procent op organisatorisch vlak en 25 procent in het klinische domein. We merken dat slechts 10 procent van de klachten gaat over de kwaliteit van zorg. Mensen hebben het vaker over de communicatie, dat ze zich niet als volwaardig mens behandeld voelen of dat ze niet als prioritair behandeld werden omdat hun aandoening niet levensbedreigend is. Die kleine signalen maken een wereld van verschil als ze op de juiste manier geïnterpreteerd en aangepakt worden.”
Introspectie
De zorgconsumptie stijg en de druk op het zorgsysteem, de zorginstellingen en de zorgprofessionals dus ook. De tevredenheidsscore in het CHUV bedraagt 93 procent. Toch moet aan die andere 7 procent aandacht besteed worden. “Daar zit de marge voor verbetering”, zegt professor Schaad. “Zorginstellingen moeten klachten zien als een kans om problemen te vermijden. Vaak doen situaties zich niet met opzet voor, net daarom moet je klachten zien als een manier om de kwaliteit te verhogen”, licht professor Schaad toe. “Je gaat op zoek naar de gulden middenweg: hoe ben en blijf je de zorgprofessional die je wil zijn in relatie tot de zorgvrager?”
Professor Schaad merkt op dat geweld zich ook verplaatst naar sociale media, zoals tijdens het filmen van een consult. Een arts kan en mag zich dan niet verdedigen door het beroepsgeheim. “Klachten en bemiddeling zijn er niet enkel op initiatief van de zorgvrager. Vaak lijdt de arts of zorgverlener onder het gedrag van een patiënt. Dat is veelal taboe. Waar mensen vroeger met eerbied naar een arts keken, is die vorm van bescherming weggevallen. De patiënt komt door Google en ChatGPT nu vaak zelf met een diagnose. Als zorgverlener moet je daarnaast soms opletten hoe je iets verwoordt, zodat de zorgvragers het niet verkeerd opnemen. Vandaag lijkt het alsof de zorgvrager meer rechten dan plichten heeft, en voor de zorgverlener geldt het omgekeerde. Het bieden van dat soort weerstand moet mee in de opleiding zitten.”
Ook voor zorgverleners
Professor Schaad spreekt voornamelijk vanuit haar ervaringen met artsen, waarop haar studie gebaseerd was. Zij merkt dat er al veel moet gebeuren vooraleer artsen de stap naar bemiddeling zetten. “Er gaat een gevoel van schaamte of zich incapabel voelen mee gepaard”, zegt ze. “Nochtans pleeg je zo geen verraad. Integendeel, je wil de situatie verbeteren. Anderen hebben daar ook baat bij, want het ultieme doel van bemiddeling is om de volledige zorginstelling vooruit te helpen. Als het onder de radar blijft, kan niemand ingrijpen. Bottom-up iets veranderen voldoet vaker aan de noden en verwachtingen dan vanuit het leiderschap iets op te leggen.”
Bemiddelen staat niet gelijk aan straffen opleggen. Het is samenzitten en de dialoog toelaten. In die zin staat het ver van een juridische procedure omdat er geen schuldige wordt aangeduid. Er wordt vrijwillig op zoek gegaan naar wat fout liep. “Elke klacht is een kans. We spreken niet over moeilijke patiënten, wel over opportuniteiten die leiden tot een nieuw paradigma. Zorgvragers die klacht indienen willen vaak zelfs geen vergoeding, wel een uitleg en gehoord worden. Het werkt multidirectioneel, want ook de zorgprofessional moet de kans krijgen om iets uit te leggen.”
Van klacht naar groeikans
Vertrouwen staat centraal in het bemiddelingsproces. Gebrek aan vertrouwen veroorzaakt ruzies en frustraties. Daardoor ontstaat er langs de kant van de zorgverleners veel uitval. De relatie met de zorgvrager begrijpen en verbeteren gaat dit tegen. “De bemiddelaars in ons ziekenhuis zijn experts in hun vak. Ze luisteren naar een veelvoud van problemen en gieten dat in een analyse. Elke klacht is een getuigenis van een probleem, geen pathologie”, zegt professor Schaad nog. “Elke klacht wordt bij ons anoniem behandeld op verschillende niveaus. Zowel de directie buigt zich daarover, als de afzonderlijke diensten. Vervolgens worden verbeteringstrajecten voorgesteld, en gekoppeld aan opleiding en onderzoek die in het teken staan van de relatie tussen de zorgvrager en zorgprofessional. De voordelen zijn bijzonder groot. Je verhoogt namelijk de veiligheid op de werkvloer en van de zorg, maar ook de kwaliteit en de tevredenheid. Problemen in ziekenhuizen reflecteren vaak problemen in de maatschappij. Door bottom-up te werken herstel je vertrouwensrelaties, want in een ziekenhuis is geen plaats voor geweld.”
[1] https://www.newsweek.com/rankings/worlds-best-hospitals-2024
Een nieuwe weg naar arbeidsre-integratie
Er zijn steeds meer personen erkend in arbeidsongeschiktheid in ons land. Hun aantal steeg tussen 2011 en 2022 met 73 procent. Hervormingen in de opvolging en begeleiding van personen in arbeidsongeschiktheid van toepassing sinds 1 januari 2024 laten nu een andere, multidisciplinaire aanpak toe. Daarbij wordt sterk ingezet op de inschatting van de restcapaciteiten en op de socioprofessionele re-integratie. Directeur-generaal van de Dienst voor uitkeringen van het RIZIV, Clara Arbesu licht haar visie toe.
In december 2021 werd Clara Arbesu directeur-generaal. Een interessante periode, want de maatschappij stond toen op een kantelpunt na de covidpandemie. “Dit was het moment om na te denken over de toekomst en over hoe we banden konden smeden met het werkveld. We wilden met de Dienst voor uitkeringen samen met onze partners de problematiek van arbeids(on)geschiktheid aanpakken met een transversale, intersectorale en holistische visie”, zegt Clara. “Eén van onze belangrijke partners daarbij is de sector van de gezondheidszorg. Wie arbeidsongeschikt erkend is, heeft een bepaalde aandoening waarvoor therapeutische opvolging essentieel is. Daarnaast moeten we samen met onze partners nadenken over hoe we deze personen kunnen begeleiden bij hun terugkeer naar de arbeidsmarkt. Naast de sector van de gezondheidszorg zijn onze partners in dit kader de ziekenfondsen en de regionale diensten voor arbeidsbemiddeling. Het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering en de ministers bevoegd voor sociale zaken en zelfstandigen hebben ook een belangrijke rol gespeeld bij het tot stand komen van dit nieuw beleid. ”
Versterken van de re-integratie
Begin dit jaar vond een belangrijke hervorming plaats. Het proces van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid werd aangepast, inclusief het proces van het bepalen van de restcapaciteiten. Wat kan iemand die arbeidsongeschikt erkend is nog, kan die eventueel deeltijds het werk hervatten of kan een begeleiding door een regionale dienst voor arbeidsbemiddeling worden opgestart? Daaraan worden socioprofessionele re-integratietrajecten gekoppeld, georganiseerd door de ziekenfondsen, de regionale diensten, de arbeidsartsen en het RIZIV in het kader van het Terug Naar Werk-fonds. Bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid en de inschatting van de restcapaciteiten wordt multidisciplinair naar de persoon in arbeidsongeschiktheid gekeken in de vierde, zevende en elfde maand. Wie daarna in invaliditeit wordt erkend, wordt op geregelde tijdstippen geherevalueerd in functie van de concrete situatie waarin die persoon zich bevindt. “Voordien was een inschatting van de restcapaciteiten enkel in de vierde maand verplicht. Nu is er een specifieke tijdlijn met drie contactmomenten tijdens het eerste jaar waarbij aandacht is voor de re-integratiemogelijkheden”, zegt Clara. “We weten uit onderzoek dat het eerste jaar een belangrijke periode is. Deze hervorming erkent de inzet van multidisciplinaire teams en versterkt via de re-integratietrajecten de terugkeer naar werk.”
Binnen het multidisciplinaire team is een belangrijke rol voor de verpleegkundige weggelegd. Die kan de adviserend arts ondersteunen bij de evaluatie van de arbeidsongeschiktheid en bij de inschatting van de restcapaciteiten. In dat team kunnen ook een kinesitherapeut, klinisch psycholoog en/of ergotherapeut aanwezig zijn. “De verpleegkundige in de zorg staat dicht bij de zorgvrager en heeft zijn of haar vertrouwen. Dat is een meerwaarde om iemand voor, tijdens en na de arbeidsongeschiktheid te begeleiden. Als verpleegkundige sta je op de eerste rij, als een spreekbuis voor je zorgvrager naar artsen en andere zorgverleners toe. Het is een complementaire rol in een multidisciplinair team.”
Voor, tijdens en na de arbeidsongeschiktheid
Voor Clara zijn er drie belangrijke actiegebieden in arbeidsongeschiktheid. Het eerste is preventie: acties voor de ziekte zich manifesteert. “Vanuit het RIZIV kunnen we ook een rol spelen om de risico’s van arbeidsongeschiktheid te identificeren, eventueel per beroepsgroep. Dit zou ons toelaten werkgevers en de maatschappij te sensibiliseren”, zegt ze. “Daarnaast moeten we er zijn tijdens de arbeidsongeschiktheid met zorgondersteuning en therapeutische opvolging. We beoordelen de arbeidsongeschiktheid, maar die ondersteuning en opvolging is minstens even belangrijk. De zorgsector heeft daar nog sensibilisering nodig zodat er ook meer naar kinesitherapeuten, ergotherapeuten of psychologen wordt doorverwezen. In de zorgketen speelt iedereen een rol en moet elke stakeholder zijn verantwoordelijkheid opnemen. Zo kan je misschien voorkomen dat een musculoskeletale aandoening een mentale ziekte wordt. Tot slot moeten we mensen begeleiden na de periode van arbeidsongeschiktheid. Wie gaat terug aan de slag? In een andere sector of in hetzelfde bedrijf? Data hierover zijn belangrijk om ons toe te laten de effectiviteit van onze trajecten en maatregelen te meten.”
Net bij het verkrijgen van die data knelt het schoentje. De gegevens zijn beschikbaar, maar kunnen door de GDPR-regelgeving niet aan elkaar gekoppeld worden. “Dat is jammer, maar wel logisch. Gezondheidsinformatie betreft immers gevoelige data die je niet zomaar kan delen. Natuurlijk weten we wel welke jobs het moeilijk hebben en nemen we dat mee in actieplannen en hervormingen. Het ontbreekt ons vandaag echter aan een wettelijk kader dat structureel toegang geeft tot alle data om aan analyses en nazorg te doen. Het is een complexe puzzel, maar alle stukjes zijn er. We missen enkel de koppeling om de puzzel volledig te leggen. Zo zouden we acties beter op elkaar kunnen afstemmen en meer effect creëren. Ook dat is intersectoraal werken, het RIZIV kan dit niet alleen.”
Het verhaal achter de cijfers
502.371 personen erkend in arbeidsongeschiktheid in ons land in 2022, dat is een bijzonder hoog cijfer. Het gaat om meer vrouwen dan mannen (zie kader). “Het aantal vrouwen in arbeidsongeschiktheid lag vroeger veel lager. Hun aantal is progressief toegenomen en als je de cijfers van het aantal mannen en vrouwen in arbeidsongeschiktheid uittekent op een grafiek dan zie je dat in 2009 de lijnen elkaar kruisen. Vroeger waren er minder vrouwen aan het werk. Vandaag combineren vrouwen werk vaak met opvang van kinderen of mantelzorg”, licht Clara toe. “Bovendien wordt de gezondheid van vrouwen nog te vaak onderbelicht in wetenschappelijke studies, waardoor heel wat gegevens ontbreken.”
Het aantal zelfstandigen in arbeidsongeschiktheid ligt op 30.444. Bij de zelfstandigen zijn meer personen arbeidsongeschikt door musculoskeletale aandoeningen dan mentale aandoeningen. Bij de werknemers is de situatie omgekeerd. Momenteel loopt er een proefproject van de FOD Sociale Zekerheid over de preventie van arbeidsongeschiktheid bij zelfstandigen. “Zij spelen een belangrijke economische rol en we moeten hen dan ook op een goede manier ondersteunen.”
Sinds 2011 steeg het aantal personen in arbeidsongeschiktheid sterk. Demografische tendensen liggen daar deels van aan de oorzaak. De beroepsbevolking is toegenomen, maar ook de vergrijzing van die groep speelt een rol. Daarnaast ligt de pensioenleeftijd hoger en is die voor vrouwen gelijkgetrokken aan die voor mannen, wat opnieuw meespeelt in de verklaring van het hogere aantal vrouwen in arbeidsongeschiktheid.
Kleine stappen voor een groot resultaat
Wat zijn nu de volgende stappen? “Eind dit jaar wordt een communicatietool gelanceerd voor huisartsen, adviserend artsen en preventieadviseurs-arbeidsartsen”, zegt Clara. “Dit platform maakt de koppeling met hun softwarepakket en vereenvoudigt de informatie-uitwisseling. Ons belangrijkste doel is een correct traject voor de re-integratie van wie arbeidsongeschikt erkend is. De Terug Naar Werk-coördinatoren tewerkgesteld door de ziekenfondsen, spelen daarin een belangrijke rol. Die zijn sinds januari 2022 actief en boeken mooie resultaten. Tot slot moeten we de dialoog aangaan met de sector gezondheidszorg. Arbeidsongeschiktheid is geen eiland, wel een gevolg door een samenloop van factoren. Sensibilisering en preventie zijn cruciaal en de hefbomen om de problematiek aan te pakken. Daarnaast moeten we zeker bekijken welke kansen we geven aan mensen die nog willen en kunnen werken. Een half miljoen mensen is langer dan een jaar arbeidsongeschikt. Wat zegt dat over onze maatschappij? En wat willen we daar als burgers aan doen? Vanuit het RIZIV kunnen we een effectieve rol spelen en tegelijk een spreekbuis zijn die preventie en sensibilisering promoot. De sleutel tot succes is dialoog.”
De cijfers rond arbeidsongeschiktheid[1]
Arbeidsongeschiktheid is niet hetzelfde als werkloosheid. Wie arbeidsongeschikt erkend is, kan door een ziekte of ongeval niet werken. Ons land telde in 2022 zo’n 502.371 personen erkend in arbeidsongeschiktheid sinds langer dan een jaar. Daarvan heeft 36,9 procent (185.184) personen een psychische stoornis en 31,7 procent (159.337 personen) een musculoskeletale aandoening. Het aantal personen erkend in arbeidsongeschiktheid is tussen 2011 en 2022 met maar liefst 73 procent gestegen.
Arbeiders | Bedienden | Zelfstandigen | Meewerkende echtgenoten | |
Mannen | 146.583 | 40.612 | 17.537 | 122 |
Vrouwen | 155.475 | 129.257 | 11.630 | 1.155 |
Totaal | 302.058 | 169.869 | 29.167 | 1.277 |
Van deze 502.371 personen erkend in arbeidsongeschiktheid heeft 15 procent van de loontrekkenden een toelating om het werk gedeeltelijk te hervatten. Bij de zelfstandigen is dat 26 procent.
[1] Bron: RIZIV
Ons wapenen om sepsis aan te pakken
Sepsis, het is en blijft een verraderlijke ‘silent killer’. In tegenstelling tot onze buurlanden beschikt België tot op heden niet over exacte data die het aantal patiënten met sepsis in kaart brengen. Nochtans bleek uit een Pano-reportage eind 2023 dat sepsis een enorme impact heeft, niet alleen op de patiënt en zijn naasten, ook op de maatschappij en het gezondheidszorgsysteem. Door de uitzending kwamen de stille voorbereidingen voor een nationaal sepsisplan in een stroomversnelling. In mei 2024 werd het plan voorgesteld. Sepsisoverlever Ilse Malfait en infectiologe Erika Vlieghe lichten de inhoud ervan toe.
Sepsis is een extreme reactie van het lichaam op een infectie. Bij het te laat reageren op deze infectie beginnen de organen tegelijk te falen wat leidt tot een septische shock. Bewustwording en een snelle, accurate reactie bij de eerste symptomen zijn cruciaal. Daarom is er nu een wetenschappelijk advies voor een nationaal sepsisplan in België. Dat kwam er na een veelbesproken Pano-reportage waarin ook sepsisoverlever Ilse Malfait haar verhaal bracht. “Het begon met borstkanker en een chemotherapiebehandeling”, vertelt Ilse. “Daarna volgde een darmoperatie die resulteerde in sepsis. De arts zei dat ik binnen de week thuis zou zijn, maar uiteindelijk verloor ik beide benen en twee derden van alle vingers. Toen ik een boek schreef over wat er met mij gebeurd was, ontdekte ik dat er sinds 2017 een WHO-richtlijn bestaat die stelt dat elk land een nationaal sepsisplan zou moeten hebben. België had dat niet en daar was ik de dupe van. En met mij vele anderen. Daarop contacteerde ik Pano en zo kwam alles in een stroomversnelling.”
Na haar sepsiservaring richtte Ilse samen met drie andere sepsisoverlevers Sepsibel vzw op, een organisatie die Belgische sepsisoverlevers en familieleden van overleden sepsispatiënten verenigt. Ze werkten ook actief mee aan het advies voor het Belgische nationale sepsisplan.
Het beleid wakker geschud
Ilse is een van de vele duizenden patiënten die jaarlijks sepsis krijgen. Velen van hen zijn vroegtijdig gestorven of dragen nog jarenlang ernstige ziektelasten en beperkingen met zich mee. Eerder riepen verschillende artsen en experten op om een plan te maken en achter de schermen werden de eerste krijttekeningen uitgezet. “Sinds 2021 lagen de eerste voorstellen op tafel, in Vlaanderen althans”, vervolgt Erika Vlieghe, algemeen internist, infectioloog en een van de coördinatoren van het nationale sepsisplan. “Er waren al contacten met diverse partijen en enkele ideeën kregen vorm, maar de Pano-reportage heeft alles in beweging gezet. Dat is maar goed ook, want daardoor schoot ook het beleid in actie.”
Geen pasklaar antwoord
Sepsis is een zeer veelzijdige aandoening die een multidisciplinaire aanpak vereist. Het plan bestaat daarom uit verschillende actiedomeinen om een breed gedragen aanpak te garanderen. Erika: “Tijdens de reportage kreeg ik van de reportagemakers wel eens de vraag ‘Waarom doe je het niet gewoon zus of zo?’ Maar zo eenvoudig is het niet. Je kan niet gewoon een interventie naar voren schuiven waarmee alles opgelost raakt. Het is een complex verhaal van allerlei ins en outs die we erbij moeten betrekken. Aan het verzamelen van Belgische data bijvoorbeeld is een volledig hoofdstuk gewijd, want daar begint het. Weten bij wie, wat, waar en hoe sepsis zich manifesteert.”
Ilse vult aan: “Daar merken we nu al een verschuiving. De Pano-reportage heeft echt de aandacht gevestigd op sepsis. Ondanks de vele slachtoffers werd het woord voorheen nooit gebruikt. Als er nu iemand aan sepsis sterft, wordt het ten minste al correct benoemd.”
Iedereen moet mee
Het nationale sepsisplan beslaat ruim 200 pagina’s. De inhoud ervan kwam tot stand via een expertengroep met betrokkenen uit heel wat disciplines: huisartsen, (thuis)verpleegkundigen, apothekers, spoeddiensten, afdelingen voor intensieve zorg, laboratoria, experts op het vlak van infectie, klinisch psychologen en mensen uit chronische zorgsettings zoals revalidatie- en woonzorgcentra en patiëntenorganisatie Sepsibel. Erika: “Al deze sectoren spelen een rol in het traject om sepsis een halt toe te roepen. Door met de verschillende disciplines rond de tafel te zitten, kwamen we tot een matrix van interventies met een belangrijke impact op de ziektelast en het voorkomen van sepsis. Van urgentiespecialisten tot mensen die met herstel bezig zijn: iedereen moet mee in het verhaal.”
Het plan omvat zeven domeinen om een breed gedragen aanpak en een duurzaam resultaat te bereiken:
1. Awareness
Het begint met awareness: het brede publiek via verschillende campagnes bewustmaken van sepsis. Hoe herken je het? Wat moet je doen? Wat zijn de gevolgen?
2. Preventie
Vervolgens focust het plan op preventie, zowel in de thuissituatie, in het ziekenhuis als in de chronische zorg.
3. Early warning system
Als derde domein wordt het belang van een early warning system benadrukt. Hier moet volgens Erika Vlieghe snel regelgeving rond komen zodat ziekenhuizen er echt mee leren werken. Het mag niet simpelweg het afvinken van hokjes zijn maar moet fungeren als een kwaliteitsinstrument.
4. Early adequate treatment
In het vierde domein geeft het plan richtlijnen mee om vroegtijdig de adequate behandeling te starten. Hiervoor kijkt men onder andere naar de implementatie van Rapid Response Teams, die proactieve, reactieve en ondersteunende zorg bieden aan algemene afdelingen.
5. Post-sepsis
Behalve de behandeling op het moment zelf is er in het plan ook aandacht voor de post-sepsisperiode. Hoe ziet het hersteltraject van de patiënt eruit? Welke noden zijn er?
6. Ethiek
Het plan gaat ook dieper in op de ethische aspecten.
7. Onderzoek en registratie
Ten slotte wijdt het plan een hoofdstuk aan registratie en onderzoek om op korte termijn tot meer en betere cijfers over sepsis te komen.
Aan de slag met het plan
Het nationale sepsisplan werd op 30 mei 2024 voorgesteld aan de minister van Volksgezondheid. Nu gaat een riskmanagementgroep verder met het plan aan de slag om het concreet uit te rollen. Erika: “We bekijken hoofdstuk per hoofdstuk wat nodig is. Waarvoor is wetgevend werk vereist? Wat kunnen we aanhaken bij bestaande activiteiten of initiatieven? Waar is extra budget nodig en hoeveel? Wie neemt wat op? Hoe organiseren we ons? Intussen komen de eerste feedback en correcties binnen. Dat is heel goed, want het zijn zaken die we misschien toch nog over het hoofd zagen. Aan de hand daarvan werken we een definitief advies uit dat verspreid zal worden in het werkveld. Het plan is zeker nog niet klaar. Er moet de komende weken en maanden nog vanalles gebeuren en sommige dingen zullen moeten wachten tot er een nieuwe minister is. Maar we gaan de goede richting uit.”
Proactieve houding nodig
Hoewel nog volop verder gewerkt wordt aan het nationale sepsisplan, zijn er alvast duidelijke prioriteiten. “Het werkveld moet zeker niet wachten tot het plan definitief is”, stelt Erika. “Voor een proactieve houding tegenover sepsis is het nooit te laat. In de verpleegkunde-opleidingen zou men de lesmodules over de aandoening al kunnen aanscherpen. Deze materie is voor elke student relevant, niet alleen op intensieve zorg. Iedereen moet sepsis kunnen herkennen, zeker ook zorgkundigen en thuisverpleegkundigen die bij de mensen thuis komen en veel kans hebben om de eerste symptomen te capteren. Daarnaast denk ik aan het belang van advanced care-planning. Ga het gesprek met je patiënt aan. Dit gaat veel breder dan sepsis, maar het is een goede aanleiding om het hierover te hebben.”
“Als patiëntenorganisatie krijgen we veel dankbare berichten van overlevers dat sepsis eindelijk aan bod komt”, vult Ilse aan. “Tot nu toe ging het nog niet echt over de gevolgen van sepsis. Daarom werken we ook aan een informatiebrochure over het leven na sepsis. Het heeft een enorme impact, zowel zichtbaar als minder zichtbaar, fysiek, cognitief en psychisch. Door hier bewustzijn rond te creëren willen we meer begrip en een beter kader om de patiënten en hun naasten hierin op te volgen.”
Ook preventief kan er alvast een tandje bijgestoken worden. Bijvoorbeeld om katheterinfecties en eclampsie, twee belangrijke oorzaken van sepsis, te vermijden, en op het vlak van vaccinatie. Meningokokken, covid, influenza: elke vaccinatie is goed om infecties met mogelijke complicaties te voorkomen. Erika besluit: “Bewustwording over sepsis bij het brede publiek is ons doel, daarmee zullen we levens redden.”
Wat zijn de belangrijkste indicatoren van sepsis?
- hoge koorts
- buitensporig veel pijn
- duizeligheid, sufheid, verwardheid
- ademhalingsmoeilijkheden
- snelle hartslag
- lage bloeddruk
- patiënt gaat snel achteruit
Er zijn enkele risicogroepen die je in je achterhoofd moet houden:
- heel jonge (<1) of oudere personen (>60)
- personen met een verzwakte immuniteit, zoals na kanker, bij diabetes, mensen die steroïden nemen, chronisch zieken
- patiënten die in de afgelopen zes weken een operatie of invasieve ingreep ondergingen
- patiënten in de geestelijke gezondheidszorg
- mensen in sociaal-economisch uitdagende omstandigheden omdat zij vaak langer wachten om zorg te vragen
Wat is Sepsibel vzw
Sepsibel is een patiëntenorganisatie die de belangen van sepsisoverlevers of familieleden van overleden sepsispatiënten behartigt. De organisatie brengt patiënten en lotgenoten samen en streeft door verschillende initiatieven naar meer bewustwording en kennis over de aandoening.
De vereniging was betrokken bij de totstandkoming van het nationale sepsisplan en drukt ook Europees zijn stempel op het beleid. Daarnaast staat Sepsibel in contact met andere organisaties voor risicogroepen zoals Kom Op Tegen Kanker en de Diabetes Liga. Zo dragen zij mee de alertheid over sepsis uit in hun beleid en activiteiten.
Voor meer informatie over Sepsibel kan je terecht op sepsibel.be of neem contact op via info@sepsibel.be.
Hoe ziet de arbeidsmarkt van de toekomst eruit?
Jeroen Franssen is senior labor market expert bij technologiekoepel Agoria. Zijn interesse en aandacht voor de zorgsector groeide organisch. Dat leidde niet alleen tot een visie over hoe de arbeidsmarkt van de toekomst er zal uitzien, maar ook welke plaats de zorg daarin zal innemen.
Arbeidskrapte, hoge werkdruk, besparingen, rode cijfers, … Gaat het eigenlijk wel goed met de economie in ons land? “Onze economie is de afgelopen jaren behoorlijk blijven draaien”, zegt Jeroen Franssen van Agoria. “Dat is opmerkelijk in een periode met verschillende crisissen. Willen we dat onze economie blijft groeien, dan hebben we twee opties: extra mensen tewerkstellen of mensen efficiënter en productiever laten werken. Die logica moeten we combineren met onze bevolking die veroudert. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de zorgnoden. Ook het aantal mensen op beroepsactieve leeftijd tussen 20 en 64 jaar wordt uiteraard beïnvloed door de demografie.”
Voor de arbeidsmarkt ziet Jeroen Franssen twee mogelijkheden. De eerste is de activering van een deel van de 1,6 miljoen niet-actieven in ons land. Waarom zijn zij niet aan het werk? Waarom zoeken ze geen werk? Hoe kunnen we hen versterken? Hoe kunnen we hen de nodige competenties aanreiken? En bovendien: hoe houden we werkende mensen actief en beperken we de uitstroom en uitval? “Een deel van die niet-actieven is student. Een ander deel heeft voldoende leefcomfort waardoor ze niet hoeven te werken. Het grootste deel heeft onvoldoende comfort om aan werken te denken, zoals anderstaligen, mensen in armoede, personen met een beperking of ziekte, mantelzorgers, … Het traject naar werk start voor die mensen door hen op de eerste plaats intensief te begeleiden in hun specifieke problematiek. Vervolgens moeten we inspanningen doen om hun competenties te versterken en meteen daarna moeten we hen projectmatig activeren via stages. Zo overwin je stelselmatig hindernissen en kunnen ze uiteindelijk evolueren naar meer traditionele vormen van tewerkstelling. Momenteel gaat 2,8 procent van ons bruto binnenlands product naar arbeidsmarktgerelateerde investeringen. Daarvan is 1,9 procent bestemd voor personen die niet werken. Denk aan werkloosheidsuitkeringen of landingsbaantrajecten, … Slechts 0,9 procent gaat naar activerende maatregelen. We besteden dus dubbel zoveel aan passiviteit als aan activatie.”
Geld of tijd?
Met alleen extra mensen zal je er volgens Jeroen Franssen niet komen: “Dus treedt economische logica in werking: de productiviteit van mensen verhogen. Dat is meteen de tweede mogelijkheid om de arbeidsmarkt te ondersteunen. Het is een oefening die elke sector voor zich moet maken”, zegt hij. “Vroeger stond dat gelijk aan harder werken. Dat gaat nu niet meer. De rek is uit het elastiek. Je kan mensen wel meer comfort geven waardoor ze efficiënter kunnen werken, onder meer met technologie. Al zijn er nog andere pistes, zoals plaats- en tijdonafhankelijk werken of autonomer werken.”
In de zorgsector komen de ADV- of zogenoemde rimpeldagen in beeld. “De algemene situatie van de Belgische arbeidsmarkt zien we nog sterker weerspiegeld in de gezondheidszorg. Verpleegkundigen willen ADV-dagen om te rusten van een fysiek en mentaal zwaar beroep of om pakweg wat bij te klussen. Als we het effect van de indexering van de lonen bestuderen, zien we net dat veel mensen willen overstappen op een viervijfdestatuut. Na de loonsverhoging verdienen ze omzeggens evenveel om deeltijds te werken, als wanneer ze voltijds aan de slag waren. Ze ruilen cash en tijd dus met elkaar. Tijd en flexibiliteit zijn belangrijk geworden.”
Technologie als ondersteuning
We kunnen er niet onderuit dat er meer werk naar de zorgsector komt. Enerzijds door de vergrijzing, anderzijds door een verhoogde zorgconsumptie. “Waar we vroeger meer zelf aan zorgproductie deden door zelf voor de kinderen of ouderen te zorgen, consumeren we nu veel meer zorg. Die consumptie moet bescheidener”, zegt de arbeidsmarktanalist. Daartegenover staat de patient-nurseratio in ons land, die met 9,4 patiënten per verpleegkundige op acute diensten hoger ligt dan in het OESO-gemiddelde van 8 patiënten per verpleegkundige. Dit toont dat de nood aan zorg toeneemt. “De ziekenhuizen worden gefinancierd per verpleegkundige. Aanlokkelijk dus om hen ook niet-verpleegkundige taken te laten uitvoeren. Daarom ligt die patient-nurse ratio in België volgens mij hoger. We moeten hen absoluut de taken laten uitvoeren waarvoor ze opgeleid zijn. Zorg is de meest menselijke sector van allemaal, dus we blijven op de eerste plaats hulp van extra mensen zoeken. Technologie komt niet op de eerste plaats, maar kan uiteraard wel ondersteunen door repetitieve of gevaarlijke taken uit handen te nemen. Zo creëer je voor verpleegkundigen tijd om opnieuw met het menselijke aspect van zorg bezig te zijn. Dat is fundamenteel. Als patiënt herinner je je niet het werk van een CT-scanner, wel de zorgverlener die je hielp. Tijd met de patiënt zou, samen met het genezen van mensen, de belangrijkste KPI moeten zijn van elk ziekenhuis.”
Puzzel vs. mozaïek
Onze ziekenhuizen hebben veel bedden. Is onze bevolking dan zo ziek of lopen we achter ten opzichte van andere landen? “We betalen per prestatie daar waar andere Europese landen meer investeren in preventie. We financieren per bed, maar zouden beter de lege bedden sponsoren”, zegt Jeroen Franssen. “De zorg is een machine die draait en je moet mee. Het is een complexe machine. Vernieuwing is complex en wordt soms door structuren tegengehouden.”
Dat merken we onder meer ook aan de verschillende statuten die we momenteel in de zorg actief zien. Verpleegkundigen zijn niet langer enkel bedienden. Er zijn ook zelfstandigen, interimverpleegkundigen, projectverpleegkundigen, gepensioneerden die actief blijven, vrijwilligers en misschien binnenkort ook flexi-jobbers. Het lijkt een complexe puzzel om te managen. “Vanuit organisatorisch standpunt is een team met allemaal dezelfde statuten de makkelijkste puzzel om te leggen. Iedereen heeft hetzelfde contract en teams bestaan uit profielen die op elkaar gelijken. Maar niemand wordt daar echt gelukkig van. Door de arbeidsschaarste zijn we werk gaan organiseren in projecten met flexibele rollen. We verbinden mensen en opdrachten op een complementaire en daardoor efficiëntere manier. Maar mensen hebben het stuur ook in handen om individueel te onderhandelen over hun waarderingspakket. Dat zien we in alle sectoren terug, niet alleen in de zorg. Een divers team is zoals een complexe mozaïek. Die is misschien wat moeilijker te leggen door de onderlinge verschillen, maar je vindt in die teams vooral complementariteit. Multidisciplinair samenwerken garandeert productiviteit op lange termijn en werkgeluk. Je hoeft zelf niet alles te kunnen of te doen, je hebt een team om je heen. Al vergt dat wel een ander type management.”
Dat vraagt de nodige flexibiliteit, van de werkgever en van de werknemer. Iedereen zal mee moeten stappen in het verhaal om met die jobveranderingen om te gaan. “Je daar tegen verzetten heeft geen nut. Als slechts tien procent toekomstgericht wil werken in zijn dagelijkse setting, dan zal de rest volgen. Maar koppel daar wel job redesign aan: maak het mogelijk om je werknemers op scharniermomenten in hun leven andere rollen te laten aannemen.”
Technologie to the rescue dan? “Ons land ontwikkelt en beschikt over eersteklastechnologie. Toch hinken we wat de implementatie betreft achterop. Dat is een tweespalt. Maak dus gebruik van de technologie en experimenteer met wat mogelijk is. Evalueer of het je meer comfort en efficiëntie brengt in je job of niet. Kijk daarbij uiteraard ook naar het comfort van de patiënt. Binnen je personeelsbestand heb je verschillende profielen. Je hebt de techneuten, maar ook mensen die door technologie meer inzetten op warmte en menselijk contact. En je hebt personen die daar tussenin zitten. Voor elk profiel is er een plaats, zolang je werkcomfort vooropstelt.”
“Met een sterke opleiding kan je als verpleegkundige alle richtingen uit”
In gesprek met Sabine Stordeur, directrice-generaal van het directoraat-generaal Gezondheidszorg
Toen ze op de schoolbanken zat tijdens haar opleiding verpleegkunde, keek Sabine Stordeur met groot ontzag naar verpleegkundigen die zetelden in de Technische Commissie en de Federale Raad Verpleegkunde. Vandaag staat ze, na een rijk gevulde onderzoekscarrière aan onder meer de UCLouvain en bij het Federaal Kenniscentrum (KCE), aan het hoofd van het directoraat-generaal (DG) Gezondheidszorg van de FOD Volksgezondheid. Netwerk Verpleegkunde ging met haar in gesprek over haar visie op de gezondheidszorg en op verpleegkunde.
Er komen veel veranderingen op ons af. Toch is niet iedereen even enthousiast over de doorgevoerde, maar broodnodige hervormingen. Hoe kijkt u hiernaar?
Sabine Stordeur: “De ministers maken de plannen, wij voeren uit en implementeren het beleid. We merken een veelheid aan beslissingen die op korte termijn werden genomen. Dat leidt onvermijdelijk tot tegenreacties in het werkveld, zoals we die op vandaag ervaren. Het gaat voor velen allemaal te snel en tegelijk gaat het zo traag omdat we nu eenmaal klaar moeten zijn voor de stijgende zorgvraag die op korte termijn op ons afkomt.”
Zo is het statuut van de basisverpleegkundige eindelijk een feit. Hoe ziet men dit binnen de ziekenhuisnormering?
“Daar moet absoluut over nagedacht worden. De opsplitsing die gemaakt is tussen de basisverpleegkundige en de verpleegkundige verantwoordelijk voor de algemene zorg (VVAZ) is namelijk nog niet doorgevoerd in de ziekenhuiswetgeving. Dat is werk voor de komende jaren: wat verstaat men precies onder ‘verpleegkundige’, zowel qua erkenning als qua financiering.”
Is er onderzoek verricht naar de veiligheid en kwaliteit van zorg binnen de gestructureerde zorgteams?
“Het gestructureerde zorgteam is nieuw en momenteel is het nog een vraagteken hoe men zich op het terrein zal organiseren. We zijn het allemaal eens dat we bepaalde methoden van werken moeten doorbreken, maar er is minder eensgezindheid over de manier waarop we dat moeten doen. In de realiteit zien we dat handelingen al vaak gedelegeerd worden. Met het gestructureerde zorgteam hebben we dit juridisch verankerd. Ik denk dus niet dat de veiligheid en kwaliteit van zorg in het gedrang komen, zolang toezicht en opleiding te allen tijde door verpleegkundigen gegarandeerd blijven. Binnen het gestructureerde zorgteam is dit dan meer bepaald de verpleegkundige verantwoordelijk algemene zorg.”
Verpleegkundigen sleutelden de voorbije jaren zelf aan de wetgeving, onder meer onder impuls van NETWERK VERPLEEGKUNDE. Nu is een verdere aanpak door de bevoegde ministers, het RIZIV en de FOD nodig. We zijn van mening dat wanneer prestatiefinanciering en het onvoldoende afgestemd medische zorgaanbod niet worden aangepakt verpleegkundigen het slachtoffer blijven van verhoogde werkdruk. Wat denkt u?
“Als bepaalde problemen niet aangepakt worden, zullen niet alleen verpleegkundigen, maar de hele samenleving daar het slachtoffer van zijn omdat de publieke middelen niet efficiënt worden ingezet. Dat is een algemene consensus. We zijn gestart met de hervorming van de nomenclatuur en de ziekenhuisfinanciering, want de juiste financiële prikkels vormen een belangrijke hefboom. In die financiering ligt de nadruk vandaag nog te veel op productiviteit. De focus moet kwaliteit zijn. Al heb je daarvoor voldoende personeel nodig, dat goed opgeleid en gemotiveerd is.”
Welke rol speelt opleiding daarin?
“Je hebt hoe dan ook een sterke opleiding nodig. Als student liep ik stage in algemene ziekenhuizen. Na mijn studies kwam ik in een universitair ziekenhuis terecht op de afdeling cardiologie. Het vroeg zes maanden om me in te werken en de cultuur van de afdeling te leren kennen. Dat is het voordeel van een goede opleiding: als jonge verpleegkundige kan je alles doen door stapsgewijs ervaring op te bouwen. De opleiding geeft je een noodzakelijke basis, maar maakt van jou geen ervaren verpleegkundige. Je moet ook leren samenwerken, inspelen op veranderingen, … Dat is in elke zorginstelling en op elke afdeling anders, ongeacht hoelang je al actief bent in het beroep. In die zin biedt het gestructureerde zorgteam ondersteuning. Al moeten de procedures voor die onderlinge samenwerking wel duidelijk zijn.”
Hoe ziet u dit?
“Het is een kwestie van taakverdeling. Mijn moeder was ook verpleegkundige. Zij stond er tijdens nachtdiensten alleen voor op twee afdelingen. Vroeger deed de verpleegkundige alles, ook de bedden opmaken of de kamer poetsen. Ik weet nog dat tijdens mijn actieve jaren in het ziekenhuis het heel wat aanpassing vroeg toen we als verpleegkundige niet langer de hele gang moesten afwerken, maar dat de gang opgesplitst werd. Zullen verpleegkundigen zelf verandering pushen? Niet meteen, maar ze moeten wel nadenken hoe ze hun werkcontext kunnen verbeteren in functie van de ervaring, expertise en samenstelling van het team. De structuur van de afdeling en de noden van de patiënt zijn daarbij centrale factoren.”
Er zijn recent verschillende lijsten met handelingen gepubliceerd (basisverpleegkundige, bekwame helper, ADL, …). Er wordt dus duidelijk niet afgestapt van lijsten voor verpleegkundige handelingen?
“Als verpleegkundige mag je een handeling nooit zomaar uitvoeren. Je hebt vandaag veel technische hulpmiddelen. Zo kan je een kamer binnenwandelen en een specifieke handeling uitvoeren met behulp van technologie. Toch mag je hierbij nooit de holistische visie vergeten. De hygiënische zorgen van een patiënt zijn ook het moment om met die persoon te praten en hem of haar te observeren. De geschikte tijd voor een handeling is de juiste tijd. Dat kan soms twee minuten, maar – voor dezelfde handeling – soms ook twintig minuten zijn, afhankelijk van je patiënt. Daarom pleit ik ervoor verpleegkundigen in te zetten volgens de zorgsituatie. Een zorgkundige die rapporteert aan een verpleegkundige na een hygiënische zorg is veel nuttiger dan een verpleegkundige die het snel zelf doet.”
In uw doctoraat bestudeerde u het leiderschap door hoofdverpleegkundigen en CNO. Vandaag komt de rol van de verpleegkundige binnen deze functie onder druk te staan. Hoe kijkt u hiernaar vanuit uw expertise?
“Een verpleegkundig directeur moet zich positioneren. Gebruik je niveau niet als excuus en zeg nooit ‘ik ben maar een verpleegkundige’. Met voldoende motivatie en je basisdiploma kan je veel bereiken, zolang je maar wil werken. Iedereen kan leiderschap tonen en ook vanuit de schaduw kan je invloed uitoefenen. In mijn doctoraat ontdekte ik hoe hoofdverpleegkundigen hun team kunnen motiveren. Velen van hen toonden krachtig, transformationeel leiderschap, terwijl hun oversten dat niet deden. De hoofdverpleegkundige zoekt naar optimalisaties en creëert harmonie tussen alle medewerkers van het team. Iedereen in dat team moet zijn weg vinden.”
Verwachten we niet te veel van verpleegkundigen?
“Op het vlak van verandering is de ene instelling wat archaïscher dan de andere. Maar als we alle ziekenhuizen en afdelingen open willen houden, zullen we mee moeten in de veranderingen en onze comfortzones verlaten door elkaar te motiveren en te versterken. Heb vertrouwen in je team, in je directie en in de zorgkwaliteit. Zo bied je samen patiënten de juiste zorg. Dat is de vertrouwensband die je als verpleegkundige creëert.”
Werkt de FOD Volksgezondheid aan een verdere afbouw van het aantal ziekenhuisbedden?
”Wij volgen de plannen van de minister. Momenteel is er geen verplichting om het aantal bedden te verminderen, al tonen studies wel aan dat er in ons land ruimte is voor verbetering. Enerzijds kunnen we met een lager aantal chirurgische bedden plaats maken voor bedden in de geestelijke gezondheidszorg, revalidatie of palliatieve zorg. Anderzijds moeten we de eerstelijnszorg blijven uitbouwen om ziekenhuisopnames te vermijden of te verkorten.”
Toch lezen we berichten over de rode cijfers van ziekenhuizen en de ontoereikende financiering. Daar tegenover staat dat de afdrachten van artsen aan ziekenhuizen niet volledig gekend zijn. Zal dit gemaximaliseerd worden in de wetgeving?
“De oorzaken van de rode cijfers zijn divers, zoals de hoge energieprijzen en de activiteiten die na covid nog niet volledig hervat zijn. Als overheid hebben we geen bevoegdheid over de afdrachten van artsen. Dit wordt vrij onderhandeld tussen ziekenhuis en arts. Hier is vooral transparantie nodig.”
Moeten alle ziekenhuizen volgens u open blijven?
“Het is niet aan mij om daar uitspraken over te doen. We moeten streven naar een correct aanbod. Wat correct is, hangt af van verschillende factoren. Zo moeten we ons als samenleving afvragen hoe belangrijk de nabijheid van ziekenhuiszorg is. Het is geen kwaliteitsparameter, maar veel mensen vinden het wel belangrijk dat ze een ziekenhuis in de buurt hebben. Ook de verdere uitbouw van de eerste lijn komt hier terug: we kunnen maar nadenken over afbouw van hospitalisatiecapaciteit als er voldoende alternatieven zijn. Ik ben zelf voorstander van de nabijheid van hoogwaardige, minder complexe zorg. Voor complexe en zeldzame zorg zijn er referentieziekenhuizen, waar gespecialiseerd personeel en geavanceerde apparatuur beschikbaar zijn. Dit biedt de beste kans op genezing. Bovendien zal ons land de komende jaren veel moeten besparen. Daarom zijn we verplicht in te zetten op efficiëntie en doelmatigheid. We zullen harde keuzes moeten maken en misschien wel schrappen in het overbodige aanbod. Die keuzes kunnen op een intelligente manier gemaakt worden of we kunnen de economie zijn gang laten gaan. Daarnaast zijn er op het vlak van aanbod belangrijke stappen gezet, zoals de concentratie van complexe kankerchirurgie. Toch is er ook veel weerstand tegen verandering. Denk maar aan het KCE-rapport over de materniteiten uit 2020[1]. De kranten stonden gevuld met begrijpelijke emotionele en verontwaardigde reacties, terwijl het KCE enkel een denkkader bood. Wanneer er wetenschappelijk bewijs is om zorg anders te organiseren met betere resultaten, moeten we dit laten primeren boven individuele belangen.”
Er is meer en meer vraag naar een ziekenhuisfinanciering op netwerkniveau om zo het medische aanbod beter af te stemmen en de kwaliteit van zorg te optimaliseren. Het KCE-rapport borstkankerbehandeling toont een verschil in mortaliteit van veertig procent. Ook dit heeft impact op het emotionele welzijn van verpleegkundigen. Hoe kijkt u hiernaar?
“Dit is zeker wenselijk, maar stuit op weerstand omdat het niet eenvoudig is de synergiën van samenwerking tussen ziekenhuizen te verdelen. Idealiter zijn ziekenhuisnetwerken ook per regio georganiseerd, maar vaak zien we dat ze over het hele land verspreid zitten. Dat is uiteraard niet de bedoeling. In Frankrijk heb je een soort label voor referentie- en expertisecentra. Duitsland koppelt de hospitalisatieverzekering en de terugbetaling zelfs aan deze referentiecentra. Misschien moeten we over zo’n systeem nadenken?”
De ligdagduur vermindert waardoor complexere zorg in de eerste lijn terechtkomt. Sommige ziekenhuizen starten met een eigen tweedelijnsthuisverpleging. Mag dit wettelijk?
“De ziekenhuiswet biedt hier geen obstakels, ook niet voor andere medisch-sociale voorzieningen. Toch is het cruciaal dat alle zorgprofessionals, waar ze ook werken, over de nodige vaardigheden beschikken om patiënten te behandelen. Een hoog niveau van de basisopleiding en een gevarieerde, rijke stage-ervaring bieden de garanties dat onze zorgverleners bekwaam zijn om complexe zorg te verlenen in gelijk welke zorgsetting.”
We zien ook dat thuisverpleegkundigen meer en meer actief zijn binnen de gehandicaptenzorg en woonzorgcentra. Dit maakt dat binnen deze zorginstellingen verpleegkundigen met verschillende statuten actief zijn. Hoe zit dat in de ziekenhuizen?
“Ik zie het in de ziekenhuiswereld zo’n vaart niet lopen, onder meer omdat de normering bepaalt dat het zorgpersoneel aan het ziekenhuis moet verbonden zijn. Uiteraard moeten we waakzaam blijven voor bepaalde evoluties, zoals interimverpleegkundigen. Flexibel inspelen op bepaalde situaties is nodig, maar het mag niet de norm zijn. Een duurzame verankering en integratie in het ziekenhuis voor elk lid van de zorgequipe is een belangrijke vereiste, want een sterk verloop door tijdelijke contracten lijkt me nefast voor een veilige en kwaliteitsvolle zorgverlening.”
Hoe kijkt u naar de deconventionering van verpleegkundigen?
“Dubbele financiering is verboden, laat me daar duidelijk over zijn. Iedereen aan de slag laten gaan als zelfstandige in de zorg is gevaarlijk en zal het systeem onbetaalbaar maken. We moeten iedereen in onze samenleving kunnen verzorgen.”
[1] Lefèvre Mélanie, Bouckaert Nicolas, Camberlin Cécile, Devriese Stephan, Pincé Hilde, de Meester Christophe, Fricheteau Benoît, Van de Voorde Carine. De organisatie van materniteiten in België. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2019. KCE Reports 323. DOI: 10.57598/R323AS.
Wat is het directoraat-generaal Gezondheidszorg?
De Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu (FOD Gezondheid) wil de gezondheid van burgers beschermen en verbeteren. Aan de leiding van de FOD staat het Directiecomité, dat toekijkt op een correcte uitvoering van de beleidsplannen van de bevoegde ministers. De voorzitter van het Directiecomité van de FOD Gezondheid is Dirk Ramaekers. Binnen het Directiecomité zijn er vier directoraten-generaal (DG): Gezondheidszorg, Dier, plant en voeding, Leefmilieu, Gezondheid en werk. Aan het hoofd daarvan staat de directeur-generaal. Voor de DG Gezondheidszorg is dat Sabine Stordeur.
Werk maken van een inclusief zorgbeleid
Inclusie betekent dat iedereen erbij hoort. Dat de drempels zijn weggewerkt en er rekening gehouden wordt met verschillen zodat dat iedereen volwaardig kan deelnemen aan alle aspecten van de samenleving met gelijke keuzes, rechten en plichten. Het klinkt logisch. En toch horen we nog vaak verhalen over het weigeren van zorg door verpleegkundigen met een migratieachtergrond, inadequate zorg tegenover personen met een donkere huidskleur of transgenders, en het ervaren van drempels voor mensen van leeftijd of met een handicap. Hoe en wanneer maken we werk van een inclusief zorgbeleid?
We zijn allemaal mensen van vlees en bloed. Die uitdrukking wordt wel eens gebruikt om te zeggen dat we niet zoveel van elkaar verschillen. Het is goed bedoeld en toch wringt ergens een schoentje. Want er zijn wel degelijk biologische verschillen tussen mensen. Denk aan gender, leeftijd, huidskleur en beperkingen. Dat zijn fysiek zichtbare aspecten, maar ook emotionele veerkracht en hormonale spiegelingen maken deel uit van ons zijn. Inzicht in die verschillen is essentieel voor adequate zorg.
De afdeling plastische heelkunde in het UZ Gent heeft heel wat ervaring met inclusie, vertelt verpleegkundige Nel Vanherreweghe: “Wij gebruiken geen meneer of mevrouw, maar spreken mensen in de wachtzaal aan met hun achternaam. Dat lijkt hard, maar eigenlijk is het gewoon formeel en het wordt ook zo aan de basis aangeleerd in de opleidingen. Heel wat patiënten op onze dienst zijn nog volop in transitie. We weten dat de administratie vaak achterloopt en houden onze aansprekingen daarom bewust genderneutraal. Tijdens de consultatie polsen we naar hoe ze verder aangesproken willen worden.”
Nood aan ruimere denkkaders
Het lijkt heel eenvoudig, patiënten aanspreken met de familienaam. Toch doen heel wat instanties dit anders. Dat resulteert in gênante situaties met onnodig gestaar en gespeculeer. Oncomfortabel voor de patiënt en voor de zorgverlener. Waarom is het dan niet overal ingeburgerd? “Omdat er geen eenduidig beleid bestaat rond inclusie in de zorg”, vult directeur van Unia Els Keytsman aan. “Zorgverleners hebben onvoldoende meegekregen wat het betekent om inclusief te zijn. Dit is ergens logisch gezien hier pas de afgelopen jaren specifieke aandacht voor is. Pas als er duidelijke handvaten zijn, zal er meer bewustwording en daadkracht ontstaan op de werkvloer.”
“Die bewustwording is inderdaad nodig”, vindt Nel. “Veel mensen staan er gewoonweg niet bij stil dat niet iedereen in een vast hokje past. We moeten onze referentiekaders dringend bijstellen. Bewustwording vraagt tijd en goede voorbeelden.” Volgens Els liggen die stereotiepe beeldvorming en niet-diverse referentiekaders aan de basis van het probleem: “Onze vooroordelen over personen met een donkere huidskleur zijn grotendeels ontstaan in de 19e eeuw[1], in tijden van kolonisatie en slavernij. We zijn ondertussen 2024, maar die beelden beïnvloeden nog steeds ons denken en handelen[2]. Daardoor blijven personen van kleur nog steeds minder kansen krijgen, ook in de zorg.”
Belang van voldoende cijfers en correcte dossiers
In 2022 ontving Unia 190 meldingen over racisme in de zorg[3], zowel van patiënten als verpleegkundigen. Daarvan werden veertig dossiers geopend en opgevolgd. “Dit is pas het topje van de ijsberg”, zegt Els. “We vermoeden sterk dat er veel meer voorvallen dan meldingen zijn, nochtans is het zo belangrijk om voorbeelden te documenteren zodat er best practices uit kunnen volgen. Laat dat een advies zijn: ervaar je discriminatie ten aanzien van jezelf als zorgverlener of een patiënt, of ben je er getuige van? Meld het. Aan je leidinggevende, aan een vertrouwenspersoon of bij Unia.” Net omdat er zo weinig data beschikbaar zijn, start Unia in 2024 met een onderzoek om meer inzicht te krijgen in de ervaringen van patiënten met rassendiscriminatie en de impact hiervan op hun zorgtrajecten[4].
Volgens Nel zijn het patiëntendossier en een open blik op de mens essentiële bronnen van informatie. “Deze zijn voor mij te allen tijde het startpunt van een patiëntencontact”, zegt Nel. “Mijn gouden raad is om het patiëntendossier zo grondig mogelijk in te lezen met een brede kijk het eerste patiëntencontact te benaderen.” Els vult aan: “Dat klopt. Je vertrekt altijd van de persoon die voor je zit en een blanco blad: wat is de zorgvraag en welke onderzoeken moeten op basis daarvan gebeuren. Helaas gaat het hier soms mis en duikt de term ‘het mediterrane syndroom’ op. Men impliceert zo dat personen met een migratieachterond hun klachten overdrijven. Sommige worden daarom niet of niet accuraat genoteerd, wat kan leiden tot foute diagnoses.”
Daarnaast uiten bepaalde aandoeningen zich bij personen van kleur heel anders of zijn ziektebeelden net wel gerelateerd aan afkomst. Hier worden hiaten opgemerkt in de scholing van zorgverleners, bijvoorbeeld in de manier waarop essentiële vragen in het kader van een diagnosestelling aan de patiënt gesteld kunnen worden zonder te choqueren of discrimineren.
Diversiteit in de opleiding
Te weinig kennis of voeling met de doelgroep of niet weten hoe te reageren in het geval van discriminatie, hoe pak je dat aan? Volgens Nel en Els speelt opleiding hierin een zeer belangrijke rol. Els: “Een voorbeeld: in casussen zien we te weinig personen van kleur. Als ze er al zijn, is het volgens onze ervaringen meestal een patiënt en geen hulpverlener of gaat het over seksueel overdraagbare aandoeningen. Het klinkt banaal, maar het houdt stereotiepen in stand. De organisatie AfroMedica brengt actief en onderbouwd blinde vlekken hierrond in kaart. Hun inzichten zijn zeer waardevol.” Toch merkt Nel stilaan een verschuiving. “Op de polikliniek hebben we geen stagiairs, maar het valt me wel op dat we steeds vaker gecontacteerd worden door studenten voor bijvoorbeeld een eindwerk of specifieke opdrachten. Dat is hoopgevend.”
Ten slotte benadrukt Els het belang van opleidingen op de werkvloer. “Elk ziekenhuis moet nadenken over zijn inclusiebeleid. Pas als er een duidelijk kader voor is, zal je personeel ernaar handelen. Diversiteit gaat bovendien niet alleen over je patiëntenpopulatie, maar zeker ook over je personeel. Hoe diverser je publiek, hoe ruimer je denkkaders. Onze website Ediv.be is een gratis online tool met verschillende modules waar je zowel juridische kaders als praktische handvaten oefent, denk bijvoorbeeld aan hoe te reageren op racistische opmerkingen op de werkvloer. Daarnaast beschikt Unia over een ruime databank met goede praktijkvoorbeelden. Ideaal voor het management en de hr-afdeling van zorginstellingen om er actief mee aan de slag te gaan en je personeel voldoende te ondersteunen. Want diversiteit is wat je ziet, inclusie is wat je ermee doet.”
[1] Yasuko I. Takezawa, Audrey Smedley, Peter Wade, e.a., www.britannica.com/topic/race-human
[2] Lidvine Ngonseu Harpi. Raciale ongelijkheden in de medische wereld. Oktober 2023.
[3] Unia. Interfederaal Gelijkekansencentrum. Jaarverslag 2022: Toegankelijke diensten voor iedereen. Pagina 30 – 31. Brussel, mei 2023.
[4] Unia. Interfederaal Gelijkekansencentrum. Eindrapport: Improving Equality Data Collection in Belgium. Brussel, juni 2021.
Vooroordelen, discriminatie of rasicme?
Iedereen denkt wel eens in stereotypen, al besef je dat misschien niet altijd. Het zijn veronderstellingen of veralgemeningen waar niemand helemaal aan beantwoordt. Zolang je ze denkt, hoeft dat geen probleem te zijn. Maar als je ernaar handelt kan dat leiden tot discriminatie.
Het ongelijk of oneerlijk behandelen, bewust of onbewust, van personen omwille van persoonlijke kenmerken is discriminatie. Discriminatie, pesterijen, haatboodschappen en haatmisdrijven op basis van gender, handicap, geloof of levensbeschouwing, huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming, seksuele geaardheid, leeftijd, vermogen, burgerlijke staat, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, gezondheidstoestand, fysieke of genetische eigenschappen, geboorte, sociale afkomst of taal zijn strafbaar in België.
Racisme is het benadelen of uitsluiten van mensen of groepen op basis van hun huidskleur, afkomst, nationale of etnische afstamming. Racisme is dus een vorm van discriminatie, maar discriminatie is niet altijd racisme. Wel is racisme net als discriminatie verboden.