Hoe verpleegkundigen kunnen bijdragen aan het verminderen van druggeweld

Het drugsgeweld in ons land was de eerste maanden van het jaar vaak in de actualiteit. Politiek en politie doen wat ze kunnen, maar ook druggebruikers zijn een belangrijke schakel in de keten. Hoe bereik je hen en hoe ga je het gesprek aan? Hoe maak je hen bewust? We vroegen het aan Valérie Vleminckx, zelfstandige marketing- en communicatie-expert bij Boondoggle, Havas.

Al jaar en dag lopen verschillende campagnes om mensen attent te maken op rookgedrag of alcoholgebruik. Vandaag zijn die tegen druggebruik eerder beperkt. Zo liep eind 2024 de campagne #dewittelijn van De Druglijn tegen cocaïnegebruik. Ook de Vlaamse Stichting Verkeerskunde (VSV) kwam op dat moment met een campagne tegen drugs in het verkeer. Toch heeft dat niet meteen hetzelfde effect als de gruwelijke foto’s op sigarettenpakjes, een Tournée Minérale of een bobcampagne. Hoe dat komt? “Druggebruikers zijn een sterk gefragmenteerde doelgroep. Er is geen one size fits all”, zegt Valérie Vleminckx. “Een campagne lost bovendien het probleem niet op. Ze sensibiliseert en draagt bij aan de bewustwording en ze opent de dialoog. Het is een eerste stap. Een gedragsverandering vraagt meer maatregelen op de lange termijn, ook van het beleid. Het is een en-enverhaal. Je moet verder kijken dan het lokale, want druggebruik stopt niet aan de stadsgrenzen.”

Meer nodig dan een flyer

Een brede, langdurige campagne op nationaal niveau, gekoppeld aan beleidsacties dus. “Vergelijk het met de bobcampagne”, zegt Valerie. “Echte impact ontstaat door de juiste combinatie van communicatie, acties, daden en ambassadeurs. Een sterk voorbeeld hiervan is hoe mensen bewust worden gemaakt van hun alcoholgebruik via affiches langs de weg, online acties en politiecontroles. Door bestuurders daadwerkelijk te laten blazen en hen tastbare beloningen te geven, zoals een sleutelhanger, versterk je de boodschap. Door digitale en fysieke communicatie te combineren, ontdekken we meer manieren om druggebruikers te bereiken en te sensibiliseren.”

Ook zorgverleners kunnen volgens Valerie hun steentje bijdragen. “Al mogen we niet te veel last bij hen leggen. Empower verpleegkundigen ook om een gesprek met druggebruikers op een constructieve manier aan te pakken. Dat is meer dan een flyer verspreiden. Vraag hen naar wat ze specifiek nodig hebben. Verpleegkundigen staan dicht bij de patiënt en zijn in veel gevallen een vertrouwenspersoon. Ze kunnen druggebruik detecteren en informatie op een laagdrempelige en geloofwaardige manier overbrengen. Hoe leidt occasioneel gebruik tot verslaving? Hoe verloopt het afkickproces? Wat zijn de risico’s van druggebruik? Luister bovendien goed naar wie je voor je hebt. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom iemand drugs neemt. Wijs niet met de vinger en blijf positief, zodat je niemand afschrikt. Stigmatiseer druggebruik en het afkickproces ook niet. Toon hen dat er professionals klaarstaan om hen te begeleiden en moedig hen aan.”

Gefaseerde aanpak, geïntegreerde strategie

Zorgverleners kunnen een eerste belangrijke stakeholder zijn om de maatschappij breder te informeren en sensibiliseren. Al moet je op termijn wel alle betrokkenen meenemen in het verhaal. “Benoem het probleem en sluit aan bij de leefwereld van de doelgroep”, zegt Valerie nog. “Jongeren zijn zich steeds vaker bewust van de impact van hun acties.  Laat hen zien wat de gevolgen van druggebruik zijn. Toon hoe occasioneel gebruik tot verslaving kan leiden. Je wil hen niet enkel informeren, maar ook raken. Voor veertigplussers werkt een andere aanpak beter. Zij kennen de gevolgen vaak al, maar hun rol als voorbeeldfiguur kan een doorslaggevende factor zijn. Een boodschap als ‘welke impact heeft jouw gedrag op de mensen om je heen?’ kan bij deze doelgroep sterker binnenkomen dan puur feitelijke informatie. Wees er er wel aandachtig voor dat je niet met de vinger wijst. Via een aanpak op maat – per doelgroep en via de juiste kanalen – kan men een echte gedragsverandering stimuleren. Door communicatie, acties en betrokken ambassadeurs te combineren, vergroten we de maatschappelijke impact en maken we sensibilisering tastbaar.”

Wil je in je zorginstelling zelf aan de slag met sensibilisering rond druggebruik? Het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) heeft heel wat materiaal ter beschikking. Je raadpleegt het hier.


Wie is patient zero?

Vijf jaar na de eerste positieve test voor COVID-19 in ons land blikte het Radio 1-programma De wereld van Sofie terug op dit moment. Want de man die toen als eerste drager van het coronavirus geregistreerd werd, kreeg de stempel patient zero. De test gebeurde in het Rega Instituut van de KU Leuven, in het bijzijn van Elke Wollants, labmanager Klinische en Epidemiologische Virologie. Zij was de ideale expert om in te zoomen op dat moment en op de patient zero.

Labmanager Elke Wollants herinnert zich de dag nog goed. Al sinds januari 2020 was ze met haar team verdachte stalen aan het controleren op het toen nog nieuwe virus. De stalen kwamen niet enkel overdag, maar ook ’s avonds en ’s nachts binnen. Het was dus alle hens aan dek. “Elk staal moest onmiddellijk gecontroleerd worden omdat we er snel bij wilden zijn”, schetste Elke de situatie. “Op 3 februari 2020 was het dan zover, onze eerste positieve PCR. Dat staal hebben we diezelfde nacht gekarakteriseerd en de DNA-analyse kwam honderd procent overeen met de Wuhan-variant die we intussen allemaal kenden.” In het labo heerste op dat moment ook blijdschap. Niet omdat het eerste positieve staal in België binnenkwam of omdat die man geïnfecteerd was, wel omdat de eigen ontwikkelde PCR-test gelukt was. De man voelde zich totaal niet ziek, maar werd dertien dagen lang in quarantaine gezet in een ziekenhuis in Brussel, tot al zijn stalen negatief waren.

Patient 0 die er eigenlijk geen was

Deze eerste positief geteste patiënt werd tot patient zero gebombardeerd en kreeg heel wat beschuldigende commentaren over zich heen. Onterecht, zo blijkt. Elke Wollants: “Patient zero is eigenlijk de eerste geïnfecteerde in een uitbraak, maar deze man die uit China kwam zat in quarantaine en heeft verder niemand besmet. Daarom was hij dus niet patient zero. De echte patient zero kennen we helemaal niet.” In een volgende fase is het coronavirus door meerdere personen tegelijk in ons land binnengebracht, waarna de verspreiding razendsnel is gegaan.

Zelfs wereldwijd is er nog volop discussie over de patient zero die de wereldwijde pandemie in gang stak. “Bij een zogenaamde zoönose, een virus dat van dier op mens overspringt, is het achterhalen van de juiste oorsprong heel moeilijk”, vult Elke aan. “Bij ebola en hiv heeft het bijvoorbeeld jaren geduurd voor we wisten wat de precieze oorsprong was.” Intussen is het duidelijk dat het Corona-SARS-1-virus van vleermuizen is overgegaan naar de civetkat en zo naar mensen. Bij MERS-corona, een ander coronavirus, is de ziekte via dromedarissen overgegaan van de vleermuis op de mens.

Waarom is een patient zero zo belangrijk?

Laat het duidelijk zijn: de patient zero kennen verandert niets aan je pandemie. Weten waar een virus zijn oorsprong heeft, is wel wetenschappelijk interessant. Het schetst een kader van hoe het virus verspreidt en welke maatregelen nodig zijn om eventuele besmettingen te voorkomen. Het helpt dus niet – in tegenstelling tot wat fictie vaak doet geloven – om antistoffen te vinden en een goede behandeling en preventie te ontwikkelen.


Afslankmedicijnen ook veilig op de lange termijn

Over Ozempic is de voorbije jaren al veel gezegd en geschreven. Dat het middel niet zomaar als afslankmiddel ingezet kan worden, maar onder begeleiding waardevol is voor mensen met diabetes type 2 of met obesitas is intussen duidelijk. Maar hoe zit het met de bijwerkingen van het medicijn? Kan je het langdurig veilig gebruiken? Professor en endocrinoloog aan de KU Leuven Roman Vangoitsenhoven praat ons bij.

Trulicity, Ozempic, Saxenda, Wegovy en recent nog Mounjaro: de voorbije jaren werden wereldwijd verschillende afslankmedicijnen beschikbaar voor mensen met diabetes type 2 en/of obesitas. “De cluster van GLP-1-receptoragonisten, waar deze geneesmiddelen toe behoren, kennen we in de diabeteswereld sinds 2015. De nieuwere moleculen kunnen, in voldoende hoge dosis, op een zeer veilige manier tien tot vijftien procent gewichtsverlies veroorzaken”, legt professor Roman Vangoitsenhoven uit.

“De bekendste van die geneesmiddelen is Ozempic, met semaglutide als werkzame stof. In België is Ozempic goedgekeurd voor de behandeling van mensen met diabetes type 2. In hoge dosis is semaglutide (onder merknaam Wegovy) goedgekeurd door de geneesmiddelenagentschappen  EMA en FDA voor de behandeling van obesitas, maar in ons land is het zo nog niet gecommercialiseerd. In die situatie schrijven artsen soms “off-label” Ozempic als ondersteuning van gewichtsmanagement voor. Recent kwam in België ook Mounjaro op de markt, weliswaar voorlopig zonder terugbetaling.”

De langetermijngevolgen van afslankmedicijnen

De GLP1-receptoragonisten worden gebruikt om chronische ziektes als obesitas en diabetes type 2 te behandelen. De medicijnen moeten dan ook langdurig genomen worden. Professor Vangoitsenhoven: “Er zijn geen risico’s gekend op lange termijn. Het is wel belangrijk te weten dat als je de medicatie stopt, ook de werking zal stoppen en je waarschijnlijk weer zal bijkomen. Waar je zowel vet- als spierweefsel bent kwijtgeraakt, is de kans groot dat er enkel weer vetweefsel bij komt, wat zich kan opstapelen rond de organen. Wie gewicht verliest met afslankmedicijnen doet dit daarom het best onder begeleiding van een diëtist. Gezond eten, genoeg bewegen en voldoende eiwitten eten zijn essentieel. Die laatste helpen je om minder spiermassa te verliezen. Ook een eventueel vitaminetekort – dat samenhangt met het gewichtsverlies, niet met het medicijn – kan een professional met je opvolgen.”

Bovendien hangen verschillende risico’s samen met op korte tijd veel gewicht verliezen, of dat nu door medicatie, bariatrische chirurgie of bijvoorbeeld een ziekte als kanker veroorzaakt wordt. Denk aan huidoverschot, galkolieken, en zelfs haaruitval. Wanneer je veel kilo’s kwijtraakt, gaat je lichaam in spaarstand en kan je dus je haar verliezen. Dit is een tijdelijke bijwerking die wel kan afschrikken.

Als je het totaalplaatje bekijkt, zijn dit type afslankmedicijnen erg veilig om onder begeleiding te gebruiken en verminderen ze andere risico’s, zoals hartinfarcten, significant. Toch moet er verstandig mee omgesprongen worden. Na verloop van tijd moet het medicijn misschien aangevuld worden met andere geneesmiddelen wanneer de ziekte evolueert. “Dat heeft niet met een weerstand of resistentie voor het medicijn te maken”, licht prof. Vangoitsenhoven toe. “Door een natuurlijke evolutie moeten we soms kijken naar een dosisverhoging of een extra of vervangend medicijn.”


Ziekenhuisopnames aanpakken door preventief medicijn tegen RSV

RSV of het Respiratoir Syncytieel Virus duikt het meest op van oktober tot en met maart en tast de bovenste luchtwegen aan. Vooral baby’s zijn erg kwetsbaar voor deze luchtweginfectie, vaak met ernstige symptomen en een ziekenhuisopname tot gevolg. Sinds 1 oktober 2024 wordt een preventief medicijn tegen RSV terugbetaald voor kindjes geboren na 1 april 2024.

Kinderen en volwassenen kunnen besmet worden met RSV. Waar de symptomen bij volwassenen eerder neigen naar een lastige verkoudheid, kan zich dit bij baby’s erger manifesteren en zelfs evolueren tot bronchiolitis of een longontsteking. Zo krijgen jaarlijks gemiddeld 14.500 kinderen jonger dan vijf jaar RSV. Tussen de 3.200 à 3.600 belanden in het ziekenhuis. De helft van die infecties en drie kwart van de ziekenhuisopnames doen zich voor bij kinderen jonger dan twee jaar[1].

Een directe behandeling tegen RSV bestaat niet. Wie in het ziekenhuis terechtkomt, krijgt aerosol- en kinesitherapie, in sommige gevallen aangevuld met ademhalingsondersteuning. Ook het neusje van het kind wordt regelmatig gespoeld met fysiologisch serum. Sinds 1 oktober 2024 is er een nieuw medicijn op de Belgische markt: Nirsevimab (Beyfortus™). Dit is een monoklonaal antilichaam dat tijdens het eerste levensjaar bij zeer jonge kinderen wordt geïnjecteerd.

Vaccin vs. medicijn

Het gaat om een preventief medicijn, niet om een vaccin. Al bestaat er wel een vaccin, Abrysvo®, voor zwangere vrouwen. De mama wordt ingeënt met dit immunoglobuline tussen de 28ste en 36ste week van de zwangerschap, wanneer de uitgerekende bevaldatum in het komende RSV-seizoen valt. Zo geeft de moeder de antistoffen door aan haar kind, tot zes maanden na de geboorte. Dit vaccin wordt momenteel nog niet terugbetaald.

Nirsevimab (Beyfortus™) kost normaal 777,44 euro[2], maar wordt sinds 1 oktober 2024 terugbetaald voor kinderen geboren vanaf 1 april 2024 op voorwaarde dat de moeder tijdens de zwangerschap niet is ingeënt met Abrysvo®. Zo kost het de ouders nog 12 euro, of 8 euro in het geval van een verhoogde tegemoetkoming.

Het preventieve medicijn werkt vijf tot zes maanden lang, waardoor kindjes het hele RSV-seizoen lang beschermd zijn tegen een ernstige infectie. De inspuiting is niet verplicht, maar wordt wel sterk aangeraden door de Hoge Gezondheidsraad in het kader van een immunisatiecampagne. Zij schatten in dat het risico op een ziekenhuisopname door RSV dan met tachtig procent vermindert. Uit een rondvraag door VRT NWS[3] midden november 2024 blijkt dat in het UZ Leuven en in het ZAS bijna alle pasgeborenen na 1 oktober 2024 de inspuiting ontvingen, in het UZ Gent sprak men van tachtig procent. Deze ziekenhuizen merkten voorzichtig minder opnames op, maar besluiten de wintermaanden verder af te wachten vooraleer ze definitieve conclusies trekken. Zo meldt Sciensano dat het aantal ziekenhuisopnames voor een ernstige acute respiratoire infectie veroorzaakt door RSV is toegenomen in week 44 van 2024[4]. De wintermaanden zullen meer duidelijkheid brengen.

[1] hgr-css.be/nieuwe-perspectieven-voor-rsv-preventie-bij-babys

[2] baop.be/rsv/rsv-information-for-healthcare-workers

[3] vrt.be/vrtnws/nl/2024/11/14/inenting-bij-baby-s-tegen-rsv-werpt-vruchten-af/

[4] Wekelijks bulletin acute luchtweginfecties: sciensano.be/nl/biblio/bulletin-acute-luchtweginfecties-week-46-2024-gepubliceerd-op-20112024


Is zorgkundige aansprakelijk voor foute medicatiefiche?

Een zorgkundige uit een woonzorgcentrum moest zich voor de Brusselse correctionele rechtbank verantwoorden voor het overlijden van een bewoonster. Ze schreef een voorschrift foutief over op de medicatiefiche in het dossier. Een wekenlange overdosering van de ontstekingsremmer Ledertraxate werd de bejaarde vrouw fataal. Het vonnis, initieel voorzien voor 1 oktober, werd uitgesteld. In afwachting daarvan grijpt NETWERK VERPLEEGKUNDE deze zaak graag aan om het kluwen rond de aansprakelijkheid van zorgkundigen (en verpleegkundigen) voor je te ontwarren.

Het strafrechtelijke luik

Is dit voorval strafbaar? Volgens het huidige strafwetboek is er geen ‘verschoonbare vergissing’ gebeurd. Het gaat hier om onopzettelijke doding veroorzaakt door een gebrek aan voorzichtigheid of voorzorg, zonder het oogmerk om te doden. “Naar mijn mening kan de zorgkundige geen ernstig gebrek ten laste worden gelegd”, zegt prof. dr. Jan Vande Moortel, expert binnen de Juridische Adviesgroep van NETWERK VERPLEEGKUNDE. “Normaal moest de bewoonster op een andere afdeling opgenomen worden, maar het hoofd van die afdeling was ziek en de vervanger ook. De zorgkundige deed daarom uitzonderlijk de intake en zette een kruisje in het verkeerde vakje op de medicatiefiche. Het overlijden dat veroorzaakt werd, mag niet gebruikt worden om de ernst van de fout te beoordelen.”

Burgerlijke aansprakelijkheid

Het tweede juridische vraagstuk gaat over de burgerlijke aansprakelijkheid. Wie moet een schadevergoeding betalen voor de toegebrachte schade? “De burgerlijke wetgeving verandert op 1 januari 2025”, legt Jan uit. “Dossiers die de rest van het jaar nog zouden ontstaan, zullen sowieso pas in het nieuwe jaar voorkomen. Ik leg de focus dus graag op de nieuwe wetgeving. Daar ontstaat een fout zodra je een wettelijke bepaling schendt.”

De vraag is dus: heeft een zorgkundige de bevoegdheid om een voorschrift van een ziekenhuis op een medicatiefiche te schrijven? Aangezien een zorgkundige wettelijk gezien enkel in het dossier mag noteren wat ze zelf mag doen, is dat niet het geval. “Dat maakt de zorgkundige in dit verhaal vanaf 1 januari aansprakelijk, want er is een wettelijke bepaling geschonden door het noteren in het dossier. Indien het ging om een toegelaten handeling waardoor schade was veroorzaakt, hadden de advocaten ruimte voor discussie.”

Wie kan nog aansprakelijk gesteld worden?

Het is interessant om te bekijken wie nog aansprakelijk gesteld kon worden.

  • De verpleegkundige moest, op basis van haar deskundigheid, aan de alarmbel hebben getrokken door de dagelijkse toediening van Ledertraxate. Uit het verslag blijkt evenwel onvoldoende of ze dit deed. Er is dus geen duidelijke persoonlijke fout die de verpleegkundige verantwoordelijk stelt.
  • De werkgever is burgerlijk aansprakelijk voor de daden van zijn werknemers. In die zin kan het woonzorgcentrum aansprakelijk zijn voor de fouten van de zorgkundige.
  • De hoofdverpleegkundige kan burgerlijk aansprakelijk zijn voor fouten van de zorgkundige, als er rechtstreeks toezicht was. Aangezien die niet in dezelfde ruimte was toen de medicatie werd overgeschreven, is dit hier niet van toepassing.
  • De huisarts van de bejaarde vrouw kon wel mee aansprakelijk gesteld worden, hij heeft de medicatiefiche nagekeken en gevalideerd. Bovendien heeft hij de patiënt twee keer bezocht, geen bloedonderzoek gedaan omwille van de slechte toestand van de vrouw en twee nieuwe voorschriften voor Ledertraxate uitgeschreven.

Dek jezelf in

“Het goede nieuws is dat het, zeker op strafrechtelijk vlak, voor zorgkundigen en verpleegkundigen beter wordt na de wetswijziging. Het moet dan al om een ernstige fout gaan. Een vergissing of vergetelheid met ernstige gevolgen kan dan niet zomaar aanleiding geven tot vervolging”, vat Jan nog even samen. “Met de verzekering van NETWERK VERPLEEGKUNDE hadden we deze rechtszaak misschien wel helemaal kunnen vermijden. Door een commissie af te dwingen en een schadevergoeding te betalen zonder procedure, was een rechtsgang wellicht helemaal niet nodig geweest. Dat betekent zekerheid en gemoedsrust, zonder de verpleegkundige financieel extra te belasten.”


Leven in een leeftijdsvriendelijke stad

Wie ouder wordt, trekt zich vaak wat meer terug uit het openbare leven. Fysiek en mentaal is het niet altijd even makkelijk om ‘mee’ te blijven. Overheden kunnen heel wat doen om hun oudere burgers toch te blijven betrekken en hen te ondersteunen om gezond en actief ouder te worden. Zo werd Gent afgelopen zomer als eerste stad in Vlaanderen erkend als leeftijdsvriendelijke stad door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

Sinds 1991 heeft de WHO aandacht voor ouderen, met het opstellen van The United Nations Principles for Older Persons. Deze principes werden het fundament van hun aanpak voor leeftijdsvriendelijke steden. Die kreeg concreet vorm in 2010 en vandaag zijn meer dan vijfhonderd steden over de hele wereld erkend als lid van dat netwerk.

Die erkenning hangt samen met acht domeinen waarop een stad het verschil kan maken voor ouderen, namelijk transport, gezondheidszorg, wonen, sociale participatie, burgerlijke participatie, toegankelijkheid op het openbaar domein en gebouwen, sociale inclusie en inspraak. Die acht domeinen kunnen barrières zijn die het welzijn en de participatie van ouderen in de weg staan, of net springplanken om hun geluk een boost te geven.

Geen enkele van deze domeinen is een eiland. Transport hangt ontegenzeglijk samen met sociale participatie, net zoals toegankelijkheid en sociale inclusie. Door op één van deze domeinen in te zetten, geef je ook de andere een duwtje. Een holistische aanpak vanuit stedelijke overheden maakt het leven van de derde leeftijd een stuk waardevoller. Vanuit de zorg zijn we natuurlijk benieuwd wat dit voor de gezondheid van ouderen betekent: wie langer actief is, heeft meer kans om langer gezond te blijven. Voor wie zorg nodig heeft, zet men in Gent in op een maximale toegang tot een betaalbaar en kwalitatief zorgcontinuüm voor elke inwoner. Daarbij wordt ook informele en mantelzorg niet uit het oog verloren.

Actief, zelfstandig, kwalitatief

De wisselwerking tussen de domeinen betekent dat steden hier doordacht mee aan het werk moeten. De erkenning van Gent volgt op een beleidsnota uit 2020 en is het resultaat van verschillende jaren hard werken en bewuste keuzes maken. “Een stad is pas leeftijdsvriendelijk als iedereen op gelijk welk moment in het leven de kans heeft om deel te nemen aan alle aspecten ervan”, klonk het toen vanuit het stadsbestuur. “Erop toekijken dat elke Gentenaar zo lang mogelijk zelfstandig en kwaliteitsvol kan wonen en leven in zijn buurt, nabije dienstverlening en zorg bieden, mensen samenbrengen en zorgen voor de zorgenden. Dat zijn de prioriteiten voor 2020-2025.” Dat beleid is de voorbije jaren succesvol gebleken en voldoet aan de eisen van de WHO. Gent is voorlopig de enige stad of gemeente in ons land met die erkenning.


Hoe verloopt endometriosezorg in België?

Het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) voerde een studie uit om na te gaan welke endometriosezorg in België aangeboden wordt en waar verbeteringen mogelijk zijn. Begin april stelde het zijn beleidsaanbevelingen voor, waarin het onder andere pleit voor de oprichting van erkende endometrioseklinieken en gespecialiseerde expertisecentra, waar multidisciplinaire zorg wordt verleend op maat van de patiënt.

Hoewel ongeveer één op de tien vrouwen aan endometriose lijdt, blijft deze aandoening relatief onbekend. Toen er vanuit een patiëntenvereniging de vraag kwam om richtlijnen en kwaliteitsindicatoren op te stellen rond endometriosezorg, startte het KCE een studie. “Op Europees niveau bestaat al een goede klinische richtlijn, die de Vlaamse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (VVOG) naar de Vlaamse context vertaalt. Het leek ons dus meer opportuun om te focussen op welke zorg vandaag aanwezig is in België, welke hiaten er zijn en hoe we die zorg kunnen verbeteren”, leggen KCE-onderzoekers Roos Leroy en Fabian Desimpel uit. “Hiervoor pasten we verschillende methodieken toe, zoals het patiëntenperspectief in kaart brengen, de analyse van ziekenhuisgegevens en de bevraging van alle Belgische ziekenhuizen.”

Uiteenlopende aanpak en diverse zorg

Uit de studie bleek dat endometriosezorg sterk verschilt tussen de zorginstellingen. Fabian: “Bovendien is er heel weinig informatie beschikbaar over de kwaliteit van zorg. Naast het gebrek aan data is ook het ontbreken van een specifieke nomenclatuur voor endometriosechirurgie een pijnpunt.”

Op basis van de internationale literatuur en aangevuld met patiëntengetuigenissen, verzameld door twee Belgische patiëntenverenigingen, kreeg het KCE een goed beeld van hoe sommige vrouwen endometriose en de zorg ervaren. “Hierbij moeten we een kanttekening maken”, vult Roos aan. ”Bij zulke getuigenissen komen vaker negatieve ervaringen over de aangeboden zorg aan bod. Die signalen waren heel waardevol voor ons onderzoek, maar geven geen beeld van alle vrouwen met endometriose.”

Multidisciplinaire zorg

Patiënten willen vooral op een respectvolle, empathische manier benaderd worden. Tegelijk vragen ze om een multidisciplinaire aanpak. Roos: “Ze staan vandaag vaak zelf in voor het organiseren en coördineren van multidisciplinaire zorg. Idealiter worden ze omringd door een team waarin naast de huisarts en gynaecoloog ook een fertiliteitsspecialist, psycholoog, kinesitherapeut, pijnspecialist, … beschikbaar is, indien nodig. Endometriose is een chronische ziekte, waarvoor geen definitieve behandeling bestaat. Een operatie biedt geen zekerheid, het vinden van de juiste medicatie is vaak trial-and-error. Daarom willen patiënten dat er eerlijk en transparant gecommuniceerd wordt over de te verwachten effectiviteit en mogelijke nadelige gevolgen van de behandeling.”

Het KCE pleit dan ook voor het opstellen van multidisciplinaire endometrioseklinieken en expertisecentra. “Door multidisciplinair te werken, verbetert de kwaliteit van zorg”, aldus Roos. “Peers adviseren elkaar en houden elkaar scherp. Ook voor studenten is zo’n peeroverleg bijwonen waardevol. Tegelijk vragen we dat belangrijke parameters uit dit overleg geregistreerd worden om de kwaliteit van endometriosezorg te monitoren. Denk aan het type endometriose, de gebruikte aanpak, de effectiviteit ervan en of er een ingreep plaatsvond. Daarnaast is het noodzakelijk dat er opleidingen komen voor medische specialisten in dit domein. Een andere belangrijke stap is hoe deze zorg in de eerste lijn beter kan worden aangepakt. Dit was nu geen deel van de studie maar is wel een essentiële schakel. Vanuit de endometrioseklinieken kunnen bijvoorbeeld opleidingen gegeven worden aan huisartsen, apothekers, het CLB, verpleegkundigen, vroedvrouwen, arbeids- en verzekeringsartsen.”

Het RIZIV startte een werkgroep op federaal niveau op, met gynaecologen en eerstelijnsgezondheidsmedewerkers, om te bekijken hoe de KCE-aanbevelingen geïmplementeerd kunnen worden.

 

Bron: Leroy Roos, Desimpel Fabian, Ombelet Sien, De Jaeger Mats, Benahmed Nadia, Camberlin Cécile, Christiaens Wendy. Hoe endometriosezorg in België verbeteren?. Health Services Research (HSR). Brussel. Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2024. KCE Reports 378AS. DOI : 10/57598/R378AS.


Zit tinnitus vooral tussen je twee oren of toch niet?

Wie zelf last heeft van oorsuizen, is vast niet verbaasd over hoe vaak mensen met tinnitus te horen krijgen dat ze moeten doen alsof het er niet is. Een stelling die tot veel frustraties leidt wanneer de fluittoon je belemmert in je dagelijkse leven. Enige nuance is dus op zijn plaats. “Begrijpen wat het is en wat het met je doet, is de start van elke tinnitustherapie”, zegt Annick Gilles, hoofd van de tinnituskliniek in het UZ Antwerpen.

Laten we een eerste misverstand uit de wereld helpen: tinnitus komt heus niet alleen bij jongeren voor die na een te luid concert geteisterd worden door een blijvende fluittoon. “De meeste mensen met tinnitus zijn vijftig jaar of ouder”, vertelt Annick Gilles, hoofd van de tinnituskliniek in het UZ Antwerpen. “Vanaf de leeftijd van veertig jaar treedt natuurlijke slijtage aan het gehoor op. Dat uit zich bijvoorbeeld in anderen minder goed verstaan in rumoerige omgevingen, zoals een restaurant. Onze hersenen krijgen minder signalen binnen, hoewel ze dit verwachten en hierop geprogrammeerd zijn. Het resultaat? Ze produceren zelf een fluittoon, ruis of ander geluid om dat verlies te compenseren.” Naast natuurlijke gehoorachteruitgang is onnatuurlijke gehoorschade door lawaaiblootstelling de tweede voornaamste oorzaak van tinnitus. “Zet dus het volume van je smartphone op een matig niveau en bescherm je oren tijdens een concert, fuif, … Voldoende sensibilisering over de impact van geluid blijft noodzakelijk.“

1 op de 5 volwassenen heeft oorsuizen

Vandaag heeft één op de vijf volwassenen tinnitus. “We worden ouder en dat vertaalt zich in een toenemend aantal gevallen van oorsuizen”, gaat Annick verder. “Al moeten we dit nuanceren: van die twintig procent ervaart niet iedereen de symptomen als even belemmerend. Bij ongeveer de helft van die personen beïnvloedt tinnitus de kwaliteit van hun dagelijkse leven. Zij hebben last van concentratiemoeilijkheden, slecht slapen, aandachtstoornissen, angst of neerslachtigheid. Deze patiënten kloppen bij ons aan.”

Knowhow en counseling

Een pasklare oplossing voor elke patiënt is er niet, al is de basis voor iedereen dezelfde. “Als patiënt moet je eerst goed begrijpen wat tinnitus is en leren wat het met je doet. De hersenen maken een fluittoon aan omdat het signaal dat ze verwachten, er niet komt. Dit onderstreept het belang van een correcte ondersteuning van het gehoor. Minder geluidsprikkels verhogen dus de kans op oorsuizen. Een gehoortoestel kan hierop een antwoord bieden voor sommige patiënten. Daarnaast weten we dat tinnitus niet alleen gekoppeld is aan het geluidsgebied in de hersenen, maar ook aan dat van aandacht en emoties. Ben je als patiënt heel erg bezig met de fluittoon, dan creëert dat een negatief leereffect. Je hersenen denken dat het belangrijk is en blijven het signaal aanmaken. De stelling ‘doe maar alsof het er niet is’ bevat dus een bron van waarheid. Voor sommige patiënten is dat advies dan ook voldoende.”

Voor elke patiënt is knowhow en een vorm van psycho-educatieve counseling aangewezen. Wie last heeft van symptomen als angst of paniek, heeft baat bij verdere ondersteuning. “Vaak zetten we bij hen in op cognitieve gedragstherapie waarbij we doemdenken en paniekgevoelens omzetten naar constructieve gedachten. We leren hun technieken aan om ermee om te gaan. Tinnitus is vaak een barometer van hoe het met je mentale toestand gesteld is. Zo ervaren veel patiënten meer last als ze moe zijn, stress of een mindere weerstand hebben. Heb je als verpleegkundige een patiënt die klaagt over tinnitus, dan raad ik aan uit te leggen wat het precies is en hoe het werkt. Daarna verwijs je de persoon het best door naar een NKO-arts. Die sluit uit of er pathologische oorzaken zijn, zoals een tumor, nek- of kaakklachten. Vanuit ons expertisecentrum kijken we steeds naar het grotere plaatje. We maken de som van de gehoor- en emotionele status, want tinnitus is altijd een en-enverhaal.”

Wie is Annick Gilles?

Annick Gilles is hoofd van de TINTRA (Tinnitus Treatment & Research centre Antwerp) tinnituskliniek en van de Audiologische dienst van het UZ Antwerpen. Daarnaast coördineert ze wetenschappelijk onderzoek en heeft ze een aanstelling als professor aan de Faculteit Geneeskunde van de Universiteit Antwerpen en als lector aan de Hogeschool Gent. In juni 2022 bracht ze het boek ‘(h)OREN(dol)?! Alle antwoorden op je vragen over tinnitus’ uit. Hierin biedt ze correcte en begrijpelijke antwoorden op de vele vragen waarmee tinnituspatiënten worstelen. Ook voor zorgverleners is het een handig instrument om hun patiënten beter te ondersteunen.


Zuster Jules-Marie Heymans, pionier van de verpleegkunde in België

Op 25 mei wordt in Leuven een biografie over zuster Jules-Marie Heymans voorgesteld, maar de auteur ervan – voorzitter van de werkgroep Netwerk Geschiedenis Verpleegkunde en onderzoeker aan de KU Leuven Luc De Munck – dompelt je nu al onder in het leven en werk van deze pionier van de Belgische verpleegkunde.

Maria Bertha Augusta Heymans werd geboren in Gent op 3 juli 1897. Van jongs af was het haar wens om in de verpleegkunde terecht te komen. Na haar middelbare studies in Eeklo volgde Maria daarom een eenjarige cursus bij de Zusters van Liefde in Gent, als voorbereiding op het diploma van ziekenverpleegster dat ze in 1917 met grote onderscheiding behaalde. Aansluitend stimuleerde vader Heymans, hoogleraar aan de Gentse universiteit, zijn dochter om aan die universiteit geneeskunde te studeren. Ze slaagde eerst in de kandidaturen natuurwetenschappen en nadien in de kandidaturen geneeskunde.

Eerste vrouwelijke en religieuze arts

Ondertussen was Maria begin 1922 ingetreden bij de congregatie van de Zusters van Liefde in Gent. Na zijn initiële verzet gaf haar vader toe op voorwaarde dat ze verder mocht studeren. Ook voor de congregatie was die opleiding essentieel, want zo kon Maria – ondertussen zuster Jules-Marie – later ingezet worden voor leidinggevende onderwijs- en beheerstaken.

Zuster Jules-Marie zette haar studies geneeskunde voort aan de Katholieke Universiteit van Leuven. In 1926 studeerde ze er af als een van de eerste drie vrouwelijke artsen en als eerste religieuze. Al werkte ze daarna nooit als arts of verpleegkundige. In die tijd werd zusters niet naar hun voorkeur gevraagd, maar kregen ze van de congregatie een taak opgelegd. Zuster Jules-Marie werd aangesteld als directeur van het Sint-Vincentiusziekenhuis en de daaraan verbonden verpleegstersschool van de congregatie in Gent.

De school van zuster Jules-Marie

In 1939 voelden de Belgische bisschoppen nood aan een aanvullende hogere opleiding voor katholieke verpleegsters. Lesgevers kregen toen geen pedagogische scholing en ook het kaderpersoneel in ziekenhuizen miste de nodige vorming. Daarom werd een opleiding ingericht die hieraan tegemoetkwam. Zuster Jules-Marie werd, door haar ervaring in de verpleegstersschool van Gent, naar voren geschoven als directrice.

De Universitaire Normaalschool voor Verpleegsters-Monitrices opende in oktober 1939 de deuren in Leuven. Het was de eerste voortgezette opleiding voor verpleegsters in België. De school groeide uit tot het levenswerk van zuster Jules-Marie. Niet voor niets werd gesproken over ‘de school van zuster Jules-Marie’. Het programma van de opleiding bevatte niet alleen cursussen over het beroep van verpleegster, maar ook algemene, wetenschappelijke en pedagogische vakken. Zuster Jules-Marie gaf zelf meerdere cursussen en begeleidde ook de didactische oefeningen. In het vijfentwintigjarig bestaan van de school volgden 376 studenten de opleiding.

 

Daarna werd de school geïntegreerd in het Centrum voor Ziekenhuiswetenschappen, dat voortaan licentiaatsdiploma’s in medisch-sociale wetenschappen en ziekenhuisbeleid kon uitreiken aan A1-gediplomeerde verpleegsters. Vanaf 1964 werd zuster Jules-Marie, ondertussen een van de eerste vrouwelijke lectoren aan de Leuvense universiteit, directrice van het voorbereidend jaar tot die nieuwe licentie.

Inzet voor het NVKVV

Na haar emeritaat in 1967 kreeg zuster Jules-Marie van haar congregatie toestemming om vrijwilligerswerk te doen op het secretariaat van het NVKVV, het huidige NETWERK VERPLEEGKUNDE, de beroepsorganisatie waarvan ze jarenlang technisch-pedagogisch raadgeefster was. Zo kon ze zich verder inzetten voor verpleegkundigen en contact houden met het werkveld. Ze bleef vrijwilligster tot 1985 en overleed op 31 maart 1986.

Lees een uitgebreider artikel van Luc De Munck over het leven en werk van zuster Jules-Marie op netwerkverpleegkunde.be. Hij schreef ook het boek ‘Altijd de eerste. Zuster Jules-Marie Heymans (1897-1986). Pionier van de verpleegkunde in België’, dat je via de website kan bestellen.

 

Foto: bron Erfgoedhuis Zusters van Liefde


Geactualiseerde groeicurves bij Kind en Gezin

Een kind maakt in de eerste twee levensjaren zijn snelste lichaamsgroei door. In het eerste jaar na zijn geboorte groeit het gemiddeld 25 centimeter en verdrievoudigt zijn gewicht. De eerste twee jaren zijn ook de periode waarin groei het meest gevoelig is aan storing. Verloopt de groei niet binnen de verwachting, dan kan een kind daar de rest van zijn leven gevolgen van dragen. De actuele groeicurves helpen om een atypisch groeipatroon tijdig op te merken en indien nodig bij te sturen.

Beeld: Opgroeien

Optimale groei

Vanaf begin januari 2024 hanteert Kind en Gezin nieuwe groeicurves om de ontwikkeling van jonge kinderen op te volgen. De nieuwe curves zijn ontwikkeld door een onderzoeksgroep van de VUB en het UZ Brussel en geven – net als de curves van de WHO – de optimale groei van jonge kinderen weer. De dataset waarop ze zich baseren, bestaat uit eenlingen uit een vaginale bevalling die tot de leeftijd van zes maanden uitsluitend borstvoeding kregen. Dit in tegenstelling tot de vorige groeicurves die dateerden uit 2004 waarbij de kinderen overwegend kunstvoeding dronken.

Lactatiekundige Christel Geebelen legt uit: “Door de groei van een kind op te volgen op een curve die de optimale groei weergeeft, detecteer je sneller een atypische groei en kan je op zoek gaan naar de beïnvloedende of verklarende factoren. Natuurlijk is elk kind uniek en volgt elk kind zijn eigen groeipatroon. Wanneer er bezorgdheid is over de groei, verwijzen we door voor advies naar de behandelende arts.”

Ook al zijn de kinderen die in de eerste zes maanden kunstvoeding krijgen niet meegenomen in de dataset, hun groei kan perfect opgevolgd worden met de nieuwe curves. “Ook bij kunstvoeding streven we naar een optimale groei. De samenstelling van de huidige kunstvoedingen benadert die van moedermelk op nutritioneel vlak. Daarnaast wordt het principe ‘voeden op vraag’ ook bij kinderen die kunstvoeding krijgen sterk geadviseerd door Kind en Gezin.”

Borst- of kunstvoeding

Borst- of flesvoeding? Kind en Gezin geeft wetenschappelijk onderbouwde informatie zodat ouders een geïnformeerde keuze kunnen maken. Christel: “We informeren over het belang van borstvoeding, maar weten ook dat dit niet voor iedereen lukt. Mama’s voelen zich soms eenzaam en gefaald wanneer dit gebeurt. Het is belangrijk om hen goed te ondersteunen en te stimuleren om hulp te durven vragen. Aan zorgprofessionals die jonge ouders omringen raad ik aan om altijd je waardering uit te spreken tegenover hen. Een gemeend compliment doet altijd deugd, zeker tijdens zo’n heftige periode.”

Heb je vragen over de nieuwe groeicurves of de keuze tussen borst- en kunstvoeding? Kind en Gezin staat voor elke ouder en aanstaande ouder klaar met wetenschappelijk onderbouwde informatie. Meer weten? Ga naar www.opgroeien.be.